Dag 72: Kanashii

‘s Ochtends blijkt het wasgoed al op een veilige plaats opgehangen te zijn door de ryokan-eigenaar. En hij biedt aan ons met onze koffers naar het station te brengen. In Japan hoef je je nergens zorgen over te maken, alles wordt voor je geregeld…

In de auto zitten we bijna te huilen. Kanashii, droevigheid. De zon komt wat aarzelend door de bewolking. Het is meteen weer warm. Langzaam trekt het landschap aan ons voorbij, eerst in de trein, dan in de express bus naar Kyoto. De rijst is hier inmiddels ook al aangeplant; de rododendronhagen komen aarzelend in bloei.

71 dagen, 1170 kilometer, 70.000 woorden… Vandaag verlaten we Shikoku. Niet om naar huis te gaan, maar naar Honshu, waar we 3 weken lang keramiekplaatsen zullen bezoeken. Maar vandaag schrijf ik voorlopig de laatste pagina in het dagboek. Vorig jaar hadden we allebei last van de overgang naar het ‘normale’ leven. Dit jaar zullen we daar geen tijd voor hebben, we gaan een druk programma tegemoet…

Ja mata rainen!

Dag 71: Another day in paradise

’s Ochtends om kwart voor 8 vertrekken we vanuit ons Love Hotel, voor het ontbrekende stukje cirkel: de laatste 15 kilometer van onze pelgrimstocht, beginnend met een stijging van 200 meter (‘eh 300 meter, nee toch 327 meter naar de pas…’) en eindigend bij tempel 1. Al lopend eten we wat cakejes en bananen op, gekocht bij de supermarkt naast het hotel, want een ontbijt zit er niet aan bij een Love Hotel. We hebben tussen 1 en 2 uur vanmiddag 2 afspraken bij tempel 1, maar we kunnen rustig aan doen, er is tijd genoeg. Meteen achter het hotel gaan we via een pad de berg op, een breed, goed begaanbaar en schaduwrijk pad  door de bossen. In de diepte is de kustvlakte met het roze hotel. Sawa’s glinsteren in de zon. In de zee zijn wat kleine eilandjes, ver weg heel vaag ligt Honshu. De fraaie wandeling is een mooie afsluiting van onze tocht.

Al 5 kwartier later zijn we op de pas. Het is broeierig heet en we zweten wat af. Ook het pad naar het volgende dal is goed begaanbaar, op 1 uitzondering na: een serie kleine betonnen boomstamtreedjes. De bovenkant van elk treedje is opgevuld met een teveel aan beton en erop ligt losse aarde en een laag dode bladeren. Erg glad, ook doordat het de afgelopen nacht langdurig en hard geregend heeft. Het hekje van betonnen boomstampaaltjes naast het pad is – zoals gewoonlijk – te laag voor ons om veel aan te hebben.

Om ons heen zoemen dikke zwarte bijen, die voor ons in de lucht blijven hangen, en nog grotere, oranjezwart gestreepte bijen die in de kruimelige bergwand zoeken naar legplaatsen. Al snel komen we in het volgende dal en lopen we over asfaltwegen verder, langs sawa’s, citrusboomgaarden en af en toe wat huizen. Er is weer een zachte, lauwwarme wind, maar het blijft erg warm. Bij gebrek aan hoedje zet ik mijn paraplu op.

Het dal wordt steeds breder en we komen steeds meer in de bewoonde wereld. Een autosnelweg kruist op grote hoogte ons weggetje. Op weg naar tempel 1 passeren we tempel 3 en 2. We rusten kort op wat beschaduwde bankjes bij de eerste tempel die we tegenkomen. De emoties zitten hoog, net als vorig jaar tegen het einde van de tocht. Mels zegt dat hij het deze keer vooral moeilijk had bij de aankomst bij tempel 88 en ook bij het vertrek daar. Vorig jaar had ik het moeilijker met het naderende einde van de tocht dan nu: toen dacht ik dat het mijn laatste reis zou worden. Nu heb ik hoop: misschien komt er een volgende keer. Ja mata rainen!

Mels koopt nog een sagesa (rituele sjaal) bij tempel 2 en dan zijn we al om 10 voor 1 bij tempel 1. Terwijl we bezig zijn met het uitvoeren van de rituelen, meldt David Moreton zich, de Canadees die het Engelstalige routeboekje heeft gemaakt. Hij is een van degenen met wie we een afspraak hebben. We spreken af dat wij eerst nog onze rituelen afmaken. Als we klaar zijn, voegen we ons bij het stempelkantoor om op pagina 1 van ons boekje nog een keer de stempels van tempel 1 te laten plaatsen. En daarna tekenen we het Boek der Voltooiing, waar we 28 februari bij ons vertrek onze namen en vertrekdatum in hebben gezet. We kijken nog even hoeveel loophenro’s sinds ons vertrek hun naam hebben opgeschreven: dat zijn er 503, waarvan 17 buitenlanders; daarvan zijn er inmiddels 43 teruggekomen. Getallen die wat relativering behoeven, want we weten inmiddels dat veel loophenro’s de tocht op een andere manier beëindigen, bij tempel 88 of elders. En de meeste Japanners lopen de tocht in delen, dus die zullen pas over een paar jaar de einddatum erin kunnen zetten.

Met David Moreton en Nikki Bado, een Amerikaanse professor die research doet op het gebied van religie, lunchen we in het udon-restaurant naast de tempel. Nikki vraagt naar het waarom van onze tocht. Als ik haar vertel over mijn ziekte en ons verlangen naar kokoro no heiwa, vrede van het hart, raakt het haar diep. De worsteling met een onwillig lichaam kent ze. Later vertelt David hoe hij betrokken is geraakt bij de pelgrimstocht. Vanwege zijn jonge gezin heeft hij zelf de tocht nooit helemaal gelopen – wel het 1e deel in prefecture Tokushima en de rest per auto – maar hij zet zich zeer in voor de promotie ervan in het buitenland. Behalve het Engelstalige routeboekje zijn er ook vertalingen van verschillende volkslegenden van zijn hand verschenen. Hij vertelt ook dat het aantal pelgrims uit de noordelijke helft van Japan dramatisch is afgenomen sinds de aardbeving en tsunami van 11 maart. Dat zou misschien verklaren waarom we vaak de enige gasten waren in ryokans en hotels, terwijl het voorjaar toch het hoogseizoen voor de loophenro’s is. Of ook het aantal buitenlandse pelgrims is afgenomen, weten we niet. Volgens David is er een boom aan Nederlanders die de tocht lopen. Hij noemt iemand die de tocht al 16x gedaan heeft.

Na het afscheid lopen Mels en ik wat onwennig rond over het tempelcomplex. We gaan ervan uit dat onze 2e afspraak (nogmaals met de journalist van de Asahi Shimbun) niet doorgaat, maar zeker weten we het niet, omdat we niet recent e-mails konden ontvangen. Ik zoek bij de verschillende winkeltjes nog naar een hoed, maar vind er geen geschikte. De een te groot, de ander te klein, dan lijkt het meer op een lampenkap… Nog een ijsje en dan gaan we naar ryokan Ohtorii-en, direct naast de tempel in Bando. We krijgen dezelfde kamer als de vorige 2x dat we er waren: 8 tatami’s groot, badkamer en wc.

Zittend in de vensterbank van onze kamer, hoor ik een groepje henro’s de hartsoetra reciteren bij tempel 1. Het voelt een beetje leeg, de tocht zit er op. We hebben allebei een wat onwezenlijk gevoel. Is dit het legenest-syndroom? Het gat tussen het oude en het nieuwe?

We hebben op Shikoku 1170 kilometer gelopen (volgens het schema; in werkelijkheid meer). Vorig jaar hebben we enkele trajecten per bus, trein of taxi afgelegd vanwege de problemen met mijn voeten. Toch voel ik me trotser op onze prestatie van vorig jaar, omdat het toen veel en veel moeilijker was en ik puur op wilskracht de tocht heb volbracht. Maar ik ben dankbaar dat we het een 2e maal hebben gedaan. Het was zo mogelijk nóg mooier dan vorig jaar. Er was meer rust in de tocht, in ons. Mels was minder gestresst, doordat we beter wisten wat we konden verwachten; ik kon meer ontspannen genieten omdat ik de tocht veel beter aankon. Nikki zei tegen ons dat we er zo stralend uitzagen en dat ze dat ook bij anderen had opgemerkt die de pelgrimstocht hadden gelopen. Ik moet denken aan premier Kan die een paar geleden de tocht liep. Bij verschillende ryokans zag ik foto’s van hem, samen met de ryokan-eigenaren. Zo open en ontspannen zag hij eruit! Minstens 30 jaar jonger. ‘Shikoku-byoin’, zei Nikki (byoin=ziekenhuis). Shikoku werkt helend…

In het piepkleine bad val ik in slaap. Na de heerlijke avondmaaltijd duiken we al snel in bed. Moe. Om 10 voor 10 schrikken we allebei wakker door een aanrollend grommend geluid. De aarde schudt. Een lichte aardbeving. Kort daarna begint het hard te regenen. ‘Het wasgoed hangt nog buiten!’, zegt Mels. Niets aan te doen.

Dag 70: Love Hotel

We zijn de laatsten bij het ontbijt om half 7, de meeste andere henro’s zijn dan al vertrokken. Nadat we zijn uitgewuifd door de hartelijke gastvrouw, lopen we eerst even terug naar tempel 88. Bij de winkel tegenover de ingang wordt ons hete gemberthee aangeboden. Nadat we de trappen weer zijn opgeklommen, voeren we de rituelen uit en gaan naar het stempelkantoor om de laatste witte pagina in ons stempelboekje te laten vullen. We laten ook voor ons elk (tegen betaling van 2x 20 euro) een ‘diploma’ uitschrijven: het ‘bewijs’ dat we de 88 tempels hebben bezocht. We krijgen er een mooie koker bij. Daarna lopen we naar een ander deel van het tempelcomplex, onder zeeën van blauwe en witte wisteria, waaronder grote zwarte bijen als kleine drones stil hangen in de lucht. Langs rijen pioenrozen, bloeiend in wit, roze, paars, rood en witroze, komen we bij grote panelen met duizenden kleine beeldjes. En bij de grote glazen schrijn die duizenden pelgrimsstaffen herbergt. Zoals veel andere pelgrims heb ik vorig jaar mijn staf achtergelaten bij tempel 88 om bijgezet te worden in deze schrijn. Nu zoek ik door de ramen naar mijn staf, te herkennen aan een Y. aan de bovenzijde. Maar helaas… ik vind hem niet. De pelgrimsstaffen die we dit jaar hebben gevonden, willen we meenemen naar Nederland. We halen ze weer uit een van de staffenrekjes die bij elke tempel staan en vertrekken om 9 uur voor de rest van ons dagprogramma: 26 kilometer richting oostnoordoost. Via grote en kleinere wegen maken we in feite een lange, langzame afdaling naar de kustvlakte aan de Japanse Binnenzee. Af en toe stijgen we lichtjes om weer een pasje te passeren, daarna gaat het weer heel geleidelijk naar beneden. De zachte, lauwwarme wind is heerlijk verkoelend. Uur na uur trekken we door valleien, meest door de bossen, soms ook een tijdlang langs sawa’s met hier en daar wat huizen. We komen langs een enorme, oude ginkgo; een bord ernaast vermeldt dat de omtrek 16 meter is. Eenmaal wijken we van de weg af om via een makkelijk begaanbaar bergpad te lopen. Halverwege is een rest hut waar ik mijn henro-hoed achter laat in het zonnetje: de hoed heeft het vanmorgen in de wind definitief begeven en ik zie geen kans de restanten mee te zeulen in mijn hand.

Halverwege de ochtend rusten we even zittend in een berm en rond 12 uur vinden we bij een onsen een wat gaarkeukenachtig udon-restaurant. ’s Middags raakt het steeds meer bewolkt en neemt de wind toe, af en toe moeten we ons er tegenin worstelen. Als we weer wat meer in de bewoonde wereld zijn gekomen, rusten we nog even in een bushokje en nog een keer op een bankje bij een kleine supermarkt waar we een ijsje kopen. Kort daarna word ik ziek, het ijsje is slecht gevallen. Ik blijf er de rest van de dag last van houden. Om half 5 komen we eindelijk aan de noordelijke kust; we doen even een koffiehuis aan en trekken dan weer verder. De laatste kilometers tot onze overnachtingsplaats gaan langs de zee, langs een 2-baans weg. In de heiige verte liggen 2 rijtjes kleine, puntige eilandjes. Boven het strand vliegen enkele buizerds. Rechts van ons ligt een hoge bergketen. ‘Daar gaan we morgen overheen’, zegt Mels. Bergen? Op de laatste dag? Een onverwachte verrassing… In de verte voor ons, hoog op een van de berghellingen langs de kust ontwaar ik een groot gebouw: Ons hotel voor de nacht? Nog een verrassing? ‘Bestaat niet’, zegt Mels. ‘Het hotel moet hoogstens nog een kilometer te gaan zijn en over 700 meter is er een restaurant, want het eten is niet inbegrepen bij het hotel.’ Gelukkig blijkt het routeboekje te kloppen: direct na het restaurant is een groot, roze gebouw waar Mels de naam op herkent: hotel Ocean. Ha, zeezicht!

Eerst eten we heerlijke sashimi in het visrestaurant, waar we de warme belangstelling hebben van het voltallige personeel, zowel in de eetzaal als achter de balie in de keuken. Een van de gastvrouwen vraagt waar we slapen. Als ik ‘hotel Ocean’ antwoord, slaat ze zich op de dijen. ‘Aahh!’, zegt ook de rest van het personeel. Hadden ze soms een weddenschap afgesloten?

Maar als we even later voor het hotel staan, begrijpen we wat er werkelijk aan de hand was, en ook waarom er gisteravond aan tafel wat besmuikt werd gelachen toen we vertelden dat we hier zouden logeren: het is een Love Hotel. De kamers zijn per uur te huur. Nu snappen we waarom het hotel zo extreem duur was… We hebben gereserveerd, dus kloppen we maar aan. De gastheer brengt ons naar de zeer privé-gelegen kamers, elk boven een eigen garage. Elke kamer heeft zijn eigen privé-opgang. Bovenaan gekomen is er nog eens een voordeur en halletje. Naast een 2-persoons bed, zijn er 2 bankjes, een badkamer, wasmeubel en wc. Er zijn geen internet, wasmachine of bureau. Waar zou je die voor nodig hebben in zo’n hotel? En er is zeer schaarse verlichting. Wel is er een condoomautomaat naast het bed met condooms in 2 soorten: High Class Skin. De ramen zijn volledig geblindeerd. Geen zeezicht… De gastheer geeft ons korting: omdat we bereid zijn samen in 1 kamer te slapen, mogen we voor de helft van de prijs (normaal is de overnachtingsprijs per persoon in Japan) en daarmee wordt het een stuk minder duur…

Dag 69: Minus one…

Na nog wat e-mailen en vervolgens eindeloos ronddolen op zoek naar een postkantoor om geld te halen, beginnen we eindelijk om kwart voor 11 aan ons dagtraject: 15 kilometer met ‘500 meter stijging, eh nee, 600 meter, of nee, toch meer dan 750 meter’. ‘Maar het blijft een makkie vandaag’, zegt Mels. Hij is er niet helemaal bij vanochtend; Herman wordt vandaag begraven…

Het wordt snel warmer, ondanks de sluierbewolking die er aanvankelijk is. Via wat rustige, kleine weggetjes langs sawa’s waar druk wordt geploegd en aangeplant, komen we al om 12 uur bij het stuwmeer waar de Salon aan is: de Maeyama Ohenro Koryu Salon, waar een museum is gehuisvest en een ontvangstruimte voor loophenro’s. Eerst lopen we even verder, naar een lunchrestaurant, voor een uitstekende hamburger en prima koffie. Toevallig zit er ook het gezin dat ons gisteren de weg wees waar God woont. Als we na de lunch bij de Salon binnengaan, zie ik 2 mannen zitten in een zijruimte: zo te zien wordt een loophenro door een arts aan een van zijn voeten behandeld. Ik hoor hem schreeuwen van de pijn… De gastvrouw herkent ons van vorig jaar: ‘Ah, the artists!’ In de ontvangstruimte drinken we groene thee en later lopen we nog eens door het museum waar allerlei artefacten uit het leven van een henro zijn te bewonderen. We laten weer onze osame-fuda’s achter bij een kleine wereldkaart, een klein onderdeeltje – speciaal voor buitenlandse loophenro’s – op een grote wand die helemaal in beslag wordt genomen door regionale kaarten van Japan die de herkomstgebieden van loophenro’s aangeven. In de ontvangstruime wordt ondertussen gewerkt aan ons officiële certificaat, het ‘bewijs’ voor het te voet afleggen van de tocht. Als ik terugkom in de ontvangstruimte, staat de ‘dokter’ die ik door het raam zag, naast Mels. Hij blijkt een masseur te zijn en wil graag onze voeten behandelen. Ik zie dat niet zo zitten, niet alleen zijn mijn voeten behoorlijk preventief gepleisterd, ook kan ik niet in het Japans uitleggen wat mijn makkes zijn. Hij laat zich niet uit het lood slaan: als wij niet naar de behandelkamer willen komen, dan komt hij wel met zijn behandelspullen naar ons. Mels krijgt een hele behandeling en dat doet hem erg goed. Ondertussen stel ik een vraag die me bezighoudt: Beëindigen de meeste loophenro’s net als wij hun tocht bij tempel 1? Afgelopen weken vertelden sommige loophenro’s dat ze na tempel 88 naar Kõya-san gingen als afsluiting, een ander ging naar de laatste bangai-tempel, weer een ander naar Otakiji, de hoogst gelegen tempel op Shikoku (946 meter). Volgens de gastvrouw gaan de meesten ter afsluiting naar Kõya-san. Het verbaast ons, voor ons eigen gevoel is dan de cirkel niet rond…

Als onze certificaten klaar zijn, is het tijd verder te gaan. We worden lang nagezwaaid door de hartelijke gastvrouw.

Vanaf de Salon zijn er 3 routes mogelijk naar tempel 88 waarnaast onze overnachtingsplaats is. Vorig jaar hebben we de westelijke route genomen, langs de gewone weg. Een route die 3,5 kilometer langer is, maar ook maar een stijging tot 450 meter heeft. Deze keer kiezen we de middelste route, die langs kleine weggetjes, maar vooral over bergpaadjes voert en tot bijna 800 meter hoogte stijgt.

We slaan een extra liter water in en beginnen om 10 voor 2 aan onze beklimming: 6 kilometer stijgen tot bijna 800 meter, dan 1 kilometer lang weer dalen. Deze route heeft slechts af en toe het uitzicht dat de westelijke weg biedt over de noordelijke kustvlakte. Toch is het een mooiere route, voerend door een klein, idyllisch dal met een beekje vol watervalletjes. Overal staan groepjes kleine, geelwite irisjes. Onder de bomen is het ook heerlijk schaduwrijk.

Af en toe kruist ons pad het asfaltweggetje. Als ons een bestelautootje inhaalt, hoor ik door het open raam: ‘Welcome!’ Een tijd later rijden de 2 mannen ons weer voorbij: ‘Two hours to go!’ En een derde keer – het kan geen toeval zijn – stoppen ze en vragen ze eager: ‘Already tired?’ Nee, helaas, nog niet… Daarna verliezen we ze uit het zicht.

We vorderen gestaag en de laatste klim naar de pas is een meevaller: het tot een lange, steile, zanderige geul uitgesleten pad bevat af en toe een boomstamtreedje en een goede fee heeft waar nodig ook nog treedjes in de aarde uitgegraven en het hele pad zelfs aangeveegd zodat uitglijden over het bladerdek er niet meer bij is. Op het pasje werp ik een laatste blik op de laagvlakte. Uitzicht met paal: er staat weer eens pontificaal een hoogspanningsmast. Het is moeilijk foto’s nemen in Japan: bijna altijd staat er wel een mast of betonnen muurtje of hangt er bedrading… Na het pasje gaat het steil naar beneden via boomstamtreedjes.

Tot onze verrassing komen we even later op een asfaltweg die weer stijgt en daarna gaat een paadje nog 2x over een klein pasje. We dopen de eerste pas om tot ‘valse pas’. Blijkbaar waren we er nog niet… Af en toe horen we stevig geritsel en een paar maal zien we mannetjesfazanten.

We stijgen steeds hoger, nog 900 meter te gaan naar de pas, lezen we op een wegwijzer bij het begin van weer een nieuw bergpaadje. Dat pad blijkt al vrij snel tamelijk hachelijk: het zanderige pad is erg glad en half afgekalfd, met ernaast een diepe afgrond. Even verderop is het alweer mis, nu gelukkig zonder afgrond ernaast. Een volgend bergpad bestaat uit een eindeloze serie ongelijke boomstamtreedjes, zich voortslingerend over en rond kleine uitlopers van de berg. Op plaatsen waar door aardverschuivingen het oorspronkelijke pad is verdwenen, zijn houten of betonnen trappen aangebracht, een enkele keer een metalen loopbrug tegen de bergwand.

Dan komen we weer op een pasje. ‘Ha, dit is de pas!’, zegt Mels. Ik zie 2 bankjes en ga even zitten, want ik vermoed dat we nog wat verder omhoog moeten… Maar dan zie ik zijn ogen steeds groter worden: ‘Het pad houdt op!’ En inderdaad, voorbij de bankjes is er alleen nog maar een rotsige helling, van een pad is geen spoor meer te bekennen. Er is niet sprake van een recente aardverschuiving, want overal groeien bomen op de rotsen. Er is gewoonweg geen pad meer. Vreemd, want Mels had deze route nog besproken met de gastvrouw in de Salon. ‘Misschien is er nog nooit iemand teruggekomen in de Salon om erover te klagen’, grap ik. ‘Over de dood klaagt ook nooit iemand…’

Mels gaat – zonder rugzak en buiktas – op onderzoek uit, maar komt al gauw terug. Hij is halverwege de helling gekomen, maar vindt het te gevaarlijk om door te gaan, omdat we niet weten of er verderop wel weer een pad is. Het is inmiddels al half 5 en hij is bang dat we in het donker zullen stranden op de berg. Ik zie het niet zitten om die eindeloze rij treedjes weer af te gaan en dan vervolgens via een grote omweg over de gewone weg te lopen. Ook dat zullen we waarschijnlijk niet voor donker halen…

Ik stel voor dat ik eens met rugzak probeer of ik omhoog kan komen. Mels blijft even op het bankje zitten: ‘Het heeft geen zin als we allebei vast komen te zitten.’ Mijn schoudertassen hangen behoorlijk in de weg en mijn rugzak verschuift voortdurend op mijn rug, terwijl ik op handen en voeten omhoog klauter, mijn staf nog steeds meezeulend. Na de 1e top, blijkt er nog een volgende en nog een… Al gauw kunnen we geen contact meer houden. Ik klim maar steeds verder door, vurig hopend dat ik niet terug hoef, want afdalen met rugzak is veel erger…

Ondertussen zit Mels op het bankje naar een richtingaanwijzer te kijken en komt op het idee de Japanse karakters te vergelijken met het routeboekje: de richtingaanwijzer wijst naar de helling waar ik omhoog ben geklommen en blijkt de top van de berg aan te duiden, geen pas… Ik heb al lange tijd niet meer gereageerd op zijn roep en ten einde raad begint hij ook maar aan de beklimming…

Na zo’n 20 minuten kom ik op een klein begraafplaatsje met oude en nieuwe grafstenen. Er is echter geen weg te bekennen. Zouden hier verongelukte loophenro’s liggen? Er is een speciale naam voor hachelijke looptrajecten: henro-korogashi (’waar een pelgrim naar beneden valt’). (Als ik later Mels naar deze naam vraag, zegt hij: ‘Ah, ik vroeg me al af wat die naam in het routeboekje betekende, naast dit pad…’) Ik klim nog verder en kom dan bij een rest hut en de aanduiding: 776 meter hoogte. Ik begin inmiddels ook door te krijgen dat er van een pas geen sprake is, wel van een bergtop, aangezien ik voor beide inmiddels de karakters kan herkennen. Gelukkig is er aan de andere kant van de top weer een redelijk pad naar beneden, met een henro-michi merkteken. Dus we zitten nog steeds ‘op de route’.

Ik laat mijn rugzak en een schoudertas achter bij de rest hut en daal weer af langs de helling, terug tot waar we elkaar weer toe kunnen roepen. Dan kan ik eindelijk van het geweldige uitzicht genieten. Ik neem foto’s tot Mels ook boven is gekomen.

Meteen beginnen we aan de afdaling aan de andere kant van de top: eerst gaat het pad nog even 2x omhoog en omlaag en dan is er een eindeloze aaneenschakeling van ongelijke boomstamtreedjes, de berg af. Het is inmiddels bijna 6 uur. Stapje voor stapje dalen we af. De helling moet hier een hoek van 45 graden maken (en soms meer), dus een dalingspercentage van 100%. De zon is al lang verdwenen, zelfs op de bergtoppen. Het gaat steeds meer schemeren als we enkele honderden meters lager bij de tempel aankomen. De verlichting brandt al. Op het uitgestorven tempelcomplex dalen we vele trappen af tot we bij de straat zijn gekomen. Even verderop ligt de (uitstekende!) ryokan Yasokubo, waar we vorig jaar ook hebben geslapen. Ons diep verontschuldigend, kloppen we net voor 7 uur aan. De bejaarde gastvrouw wuift het weg, ze is blij dat we er weer zijn en wijst ons snel onze kamer: 6 tatami’s groot met bloemetjesbehang in Delftsblauw op muren en deuren, met een eigen wc en wasmeubel. En er blijkt onbeveiligde wifi.

Wij schuiven meteen aan in de eetzaal. Het is er druk. Naast ons zitten 4 henro’s die erg veel lol hebben. Regelmatig valt het woord ‘Oranda’ en dan wordt er hard gelachen. Een van de 4 henro’s is een jonge vrouw die in gebrekkig Engels vraagt waar wij morgen naartoe gaan. De jongeman naast haar vangt het woord ‘otera’ (tempel) op en vermaakt zich over Mels’ uitspraak. Hij en zijn overbuurman rollen haast over de grond van het lachen. De 3e man vraagt zich af of we überhaupt van de hartsoetra hebben gehoord en wij barsten spontaan uit in de eerste regels ervan. De bejaarde gastvrouw knikt goedkeurend; de hele zaal applaudisseert. Het ijs is gebroken. Wij vertellen dat wij voor de 2e maal de tocht lopen. De jonge vrouw vertelt hoe vaak zij en haar tafelgenoten de tocht hebben gedaan. ‘Minus one’, zegt ze bij de man die schuin tegenover haar zit, een autohenro. Haar wraak op de flauwe grapjes. Dat mogen we wel.

Dag 68: Daar woont God…

Na het ontbijt om half 7 zijn we nog een tijdje bezig met het opstellen van mailtjes en later het versturen ervan via het kabeltje. Pas om half 10 zijn we klaar voor vertrek. De hartelijke gastheer en -vrouw wuiven ons uit. Op de valreep vertelt de gastheer dat hij graag naar Nederland zou reizen voor euthanasie. We schrikken ervan. Is hij ernstig ziek? ‘Nee, nee, over 50 jaar’, zegt hij lachend…

We moeten vandaag 15-16 kilometer afleggen, met bezoek aan 2 tempels en voor de 1e tempel moeten we 200 meter omhoog. We beginnen met de beklimming, vanaf het dalstationnetje via een smal, sterk stijgend weggetje. Al bijna meteen worden we geroepen. Voor een huis staat een echtpaar. Of ze ons kunnen uitnodigen voor een osettai. Aangezien we een makkelijke dag verwachten, hebben we alle tijd, dus graag… De schuifpanelen aan de voorkant van het huis zijn allemaal opengeschoven en ervoor staan brede zitbanken met kussens. De gastvrouw komt ice-groene thee, koffiejelly met crème en koeken brengen. Ze vertellen dat ze het huis 4 jaar geleden hebben laten bouwen met allerlei traditionele details. Als ze horen dat we in keramiek geïnteresseerd zijn, nodigen ze ons uit naar de achterzijde van het huis. Daar is een ruimte voor de thee. Net als aan de voorzijde van het huis kan de buitenwand open worden geschoven. In het midden is een traditionele vuurplaats waarboven een ketel hangt. In de zijmuur is een kleine schuifdeur waar je alleen doorheen kunt kruipen. De gastheer legt uit dat een dergelijke ingang van oudsher werd gemaakt om te voorkomen dat een samoerai met zijn zwaard binnen kon rennen. In huis is een mooie verzameling keramiek.

We blijven een tijdje hangen. Dochtertje Yuzuki geeft visitekaartjes in een zelfgemaakt hoesje en showt haar kleine hondje. Wij krijgen nog meer lekkers. En geven een Delftsblauw doosje, osame-fuda’s en visitekaartjes. En dan krijgen wij nog weer een cadeautje: mooie bamboe eetstokjes in een stoffen hoesje. We eindigen met foto’s.

In een half uur komen we al zwetend boven. Het is erg heet vandaag. Het zweet stroomt me in mijn ogen. Tempel 85 ligt verspreid over een helling. Een heel fraai, ‘stil’ complex dat nu gevuld is met dagjesmensen. Het uitzicht is nog steeds te heiig om veel te kunnen zien. We voeren de rituelen uit en uit nieuwsgierigheid volgen we ook nog verschillende lange trappen de berghelling op. We komen uit bij wat tempeltjes en een groot bronzen beeld van een paardje. Mensen drukken er muntjes tegenaan; er zijn ook winterpenen in de holte van zijn been gelegd. Mels helpt een meisje een muntje tegen het beeld te plakken en haar vader maakt een compliment over onze hartsoetra. Hij heeft ons blijkbaar bij de hoofdtempel de soetra horen reciteren. Er voeren via een poort nog veel meer trappen verder de helling op. Als we vragen waar de trappen heenleiden, antwoordt hij dat er 5 bergtoppen zijn waar je overheen kunt lopen. Er wordt gezegd dat God daar woont… We aarzelen even, maar 5 bergtoppen is toch wat veel voor vandaag, als we ook nog ons dagprogramma af willen werken. Misschien volgend jaar. We dalen weer af…

Verderop op het tempelcomplex proeven we bij een stalletje wat gepofte Chinese kastanjes, zoals ze worden genoemd. Met hun warrige doppen doen ze me denken aan moseikels. We kopen er een zakje zoete bonen in allerlei kleuren en formaten. Een man komt langs en zegt ‘Good luck!’ Later zien we hem in een auto zitten als we de parkeerplaats over lopen, om via de weg aan de andere kant van de berg weer af te dalen. Hij zwaait. En als hij later langs ons rijdt, stopt hij en geeft ons wat muntjes. Hij heeft zelf de tocht 2x gelopen en doet hem nu per auto. Ik maak foto’s. De weg daalt steil het dal in en komt vlak bij de zee uit. In de bossen is overal bloeiende blauwe regen te zien.

Eenmaal in het dal lopen we door kleine straatjes naar het zuidoosten, niet zover van de zee vandaan. We komen langs een museum, ons getipt door de laatste ryokan-eigenaar: er zou keramiek te zien zijn. We wippen even naar binnen. Maar het is inmiddels al half 2 en we zouden eigenlijk wel eens willen lunchen. We lopen wat heen en weer door de straatjes tot we iets vinden. En tot onze grote vreugde is het een sushi-restaurant. Het eten is heerlijk, maar de sfeer is om te snijden. Een echtelijke ruzie, vermoeden we. We voelen ons de deur uitgekeken. Maar als we na de heerlijke maaltijd willen vertrekken, komen de gastvrouw en haar dochter met een citrusvrucht en 2 blikjes groene thee aan. Osettai!

Kort daarna komen we al bij tempel 86. Een wat rommelig complex, waar vorig jaar al een verbouwing aan de gang was en nu nog steeds, maar het heeft toch een heel eigen charme. In het midden staat een enorme, oude ginkgo. Als we halverwege onze rituelen zijn, komen enkele vrouwen op ons af. Ze willen ons een osettai aanbieden. We worden uitgenodigd op een stenen bankje voor de tempel te gaan zitten en krijgen elk een dienblaadje met ice-groene thee en allerlei versnaperingen. Het raakt me dat mensen zoveel moeite doen. De hele dag wachten ze in een verscholen hoekje op loophenro’s om ze op deze manier te ondersteunen. Als we later het complex verlaten, zwaaien we nog een keer.

Het blijft de hele dag snikheet en waar mogelijk kopen we af en toe wat water bij. En we zijn blij als mensen ons iets toestoppen. Zo stopt er op een klein weggetje langs een riviertje plotseling een man op een scooter naast mij als ik bezig ben wat foto’s te maken van een mooi sluisje en een witte reiger. Hij drukt me 2 flesjes Pocari Sweat in de handen (no, not Sweet, but Sweat!)

Ryokan Nagao-ji ligt naast tempel 87. We komen er om even na 5 uur aan en worden verwelkomd door een hartelijke gastvrouw. De kamer is 6 tatami’s groot. En er blijkt onbeveiligde wifi te zijn. Het avondeten delen we met 4 andere henro’s (3 loophenro’s en een fietshenro) in het gebouw ertegenover. Het is er erg gezellig en de maaltijd is uitstekend.

’s Avonds installeren we ons met de computers in de ruimte naast onze slaapkamer, waar een bankje en een laag stoeltje staan. Er zit weer een meisjessportteam in de ryokan. Deze keer zijn het de leidsters die af en toe even komen kijken. We houden hun rokersruimte bezet…

Dag 67: Hello! Bye!

We hebben een lange dag voor de boeg: 24 kilometer – voornamelijk door het stedelijk gebied van Takamatsu – met een klim van 200 meter en met bezoek aan 2 tempels. Na een doorwaakte nacht – slechts af en toe lukte het in te slapen tussen 2 treinen in… – en een ontbijt dat al even karig is als het avondeten, staan we om 7 uur een beetje daas bij de voordeur. Bij het ontbijt was er al niemand te bekennen – we hoorden alleen een geïrriteerd gekreun na 2x roepen en hebben toen maar opgegeten wat er op tafel stond voor ons – maar als we weggaan willen we toch echt iemand zien om af te rekenen. Overnachting en eten zijn al betaald via het reisbureau, maar het bier moeten we nog wel betalen. Na heel lang roepen komt eindelijk een oude vrouw tevoorschijn. Ze wil prompt nog onze hotelvoucher hebben, ondertekend en wel. Ik moet er mijn halve rugzak voor omkeren. Daarna verdwijnt ze. We zeggen dag tegen een uitgestorven huis.

Via wat kleine weggetjes lopen we de rust van sawa’s en stille huizen in. Lange tijd volgen we een fietspad langs een rivier, waar ook wat sport- en recreatieterreintjes zijn. Op dit vroege uur zijn al overal mensen aan het sporten: golf, voetbal, tennis. Al om half 10 zijn we bij tempel 83. We hebben de afgelopen dagen al af en toe een van de kleine, zelfgemaakte, keramische beeldjes opgemerkt die een man vlak voor tempel 77 stond uit te delen, achtergelaten door een loophenro bij een groter of kleiner tempeltje. Bij tempel 83 staat er zelfs een heel rijtje van…

Na het tempelbezoek lopen we lange tijd op een drukke 2-baans weg, zonder stoep of overdekte goot. Erg vervelend. Gelukkig kunnen we daarna een hele tijd een klein weggetje volgen dat naast een riviertje in een kwartcirkel door de stad loopt. In het tamelijk vervuilde riviertje zien we tientallen roodwangschildpadden en even later ook kluwens karpers die met heftige bewegingen en half boven het wateroppervlak aan het paaien zijn. We lunchen in een van de palingrestaurantjes hier: gebakken paling, palingsalade en omelet met paling. Hopelijk niet gevangen in het vervuilde riviertje…

De merktekens voor de henro-michi route zijn in Takamatsu zelden te vinden en af en toe is het echt zoeken naar de juiste weg. Maar we vorderen gestaag in de goede richting: van het zuidwesten naar het noordoosten van Takamatsu. Naast de stoep langs een weer wat grotere en drukkere weg is een jong stel bezig een motorfiets te repareren, zittend op de hurken. De vrouw staat plotseling op, pakt haar portemonnee en geeft ons elk wat muntstukken. Beiden grijnzen breed en wensen ons ‘Gambatte kudasai’ toe.

Voor tempel 84 moeten we 200 meter omhoog de met bossen bedekte berg op, over een breed, betonnen voetpad met hier en daar wat treedjes. Als we bijna boven zijn, begint het heel lichtjes te regenen, maar door het dichte bladerdek merken we er nauwelijks wat van. Even voor half 4 zijn we boven. Het uitzicht over de laagvlaktes is nog steeds ernstig belemmerd door het Mongoolse zand. Het grote tempelcomplex – compleet met museum – is druk bevolkt met dagjesmensen. Na het uitvoeren van de rituelen moeten we aan de andere kant de berg af via een klein paadje dat vorig jaar nogal hachelijk was na urenlang regen. Eigenlijk was dit het ergste paadje dat we tijdens onze hele wandeltocht hebben gehad. We hebben er weinig zin in, maar de alternatieven zijn ook niet echt aantrekkelijk: als we hetzelfde pad terug nemen als de heenweg, dan moeten we kilometers omlopen en er is ook een autoweg, maar die voert door een tunneltje en is aan het eind van de dag heel erg druk met alle bezoekers die per auto weer naar beneden willen. We wagen het erop en nemen het bergpaadje naar beneden. Af en toe op handen en voeten. Maar toch staan we in 3 kwartier weer onderaan de berg, heel wat sneller dan vorig jaar.

Door het dal is het volgens het routeboekje nog een kilometer lopen naar ryokan Takayanagi aan de voet van de volgende berg, waar we morgen weer op zullen klimmen. De zachtjes neervallende regen is lekker koel. Door een wirwar aan straatjes komen we steeds dichter bij de volgende bergketen. Maar al lopende komen we ook tot de conclusie dat het heel wat kilometers méér is dan we dachten… En dan blijkt ook nog dat we toch al aardig wat gaan stijgen voordat we bij de ryokan komen. We komen langs een fraai restaurant, dat zo drukbezocht is dat vlaggenmansen met roodverlichte stokken het verkeer staan te regelen op de parkeerplaats. Kort daarna komen we op een weg waar een reclamebord voor onze ryokan staat. Nog een halve kilometer verder de berg op. Maar als we aankomen bij het dalstationnetje van het bergtreintje naar de tempel, vermoeden we dat we niet goed zitten. We worden weer een halve kilometer terug gewezen. Door de steeds harder vallende regen dalen we weer af. Bij het reclamebord slaan we nu een voetpad in dat een recreatiegebied in voert, maar na enkele honderden meters besluiten we om te keren. Nog eens vragen. En dan blijkt de ryokan tegenover het reclamebord te zijn, we waren er al 2x langs gelopen…

De vriendelijke en goedgeluimde ryokan-eigenaar heet ons even na 6 uur welkom in het Engels. Of we door hebben dat er geen eten inbegrepen is? Nee, dat was aan ons voorbij gegaan, maar het is helemaal niet erg, want dat mooie restaurant waar we langs zijn gekomen, is vlakbij. Even later zijn we weer op weg in de regen. Het uitgestrekte restaurant bestaat uit verschillende ruimtes rondom een grote, fraaie binnentuin. Het personeel communiceert met elkaar via koptelefoontjes. Yamadaya blijkt een udon-restaurant op stand te zijn. We hebben er een heerlijke tijd.

In de ryokan heeft zich inmiddels een heel meisjeskorfbalteam gevoegd met leidsters. De kleine meisjes vinden ons erg interessant. Als ik op weg ga naar de ofuro staan er 5 meisjes te tandenpoetsen op de overloop. ‘Hello!’, klinkt het 5x. En als ik de trap afdaal, zie ik door het venster erboven weer 5 gezichtjes verschijnen: ‘Bye!’ In de ofuro zie ik later door het gematteerde deurraam 5 kleine schaduwen voorbijkomen, elk zachtjes ‘Bye!’ fluisterend. En als ik een half uur later de deur van de ofuro weer verlaat, gaat meteen de slaapkamerdeur ernaast open. We maken een klein praatje en dan klinkt het 5x ‘Bye!’

Het is fijn weer in een schone en verzorgde ryokan te zijn. De kamer is 8 tatami’s groot met kastenwand/tokonoma. Er blijkt internet te zijn via het kabeltje in het kantoortje. Terwijl Mels mail probeert binnen te halen, ga ik vroeg op bed, in de hoop wat slaap te vangen. Buiten is de regen alweer opgehouden.

Dag 66: In de krant!

Ik sta me te wassen om kwart over 6 als er op de deur wordt geklopt: Takayama Keichi , een reporter van de Asahi Shimbun. Hij spreekt Engels. Wat ons schema van de dag is, want er gaan actiefoto’s genomen worden. Ons dagprogramma is: 7½ km naar tempel 81 met een klim van 400 meter, omlaag naar 250 meter, dan weer omhoog naar 450 meter naar tempel 82 (in totaal 5½ km), daarna weer omlaag, zo’n 6½ km naar onze overnachtingsplaats: minshuku Momoya in Takamatsu. In totaal 19-20 km. Een bergdag dus en het 1e traject hebben we vorig jaar niet gelopen, omdat we vanuit een andere richting kwamen, dus we gokken er maar op dat we er 2-3 uur over doen. Hij zal wachten bij de 1e tempel.

Even voor half 8 vertrekken we uit de ryokan, na eerst nog een aai over de lieve husky. Al snel bereiken we de voet van de beboste bergrug en stijgen we langzaam via een makkelijk en breed pad omhoog. Regelmatig hebben we uitzicht over de brede laagvlaktes, maar het zicht wordt ernstig belemmerd doordat het erg heiig is. ‘Zand uit China, van de Mongoolse vlakte’, legt een Engelssprekende Japanner uit, een loophenro die een tijdje met ons meeloopt om een praatje te maken. ‘Ah, het gele gevaar’, maakt Mels een grapje, maar die uitdrukking is misschien niet bekend in Japan… We snappen nu waarom Mels sinds gisteren nogal benauwd is en regelmatig moet hoesten en ik een branderig gevoel op mijn borst heb. Het is gelukkig niet zo warm als gisteren, maar we zweten toch behoorlijk tijdens de klim. We rusten even op een bankje in een van de brede bochten. Een mooi gestreept meesje komt regelmatig op een van de paaltjes van het betonnen hekje een zonnebloempit halen. Kort daarna komen we een echtpaar tegen dat aan het afdalen is. Hij blijkt de vogelliefhebber te zijn die overal wat pitten neerlegt. Ik krijg een handjevol om op een volgende rustplaats uit te delen.

Al om 10 voor 10 komen we aan bij tempel 81. De journalist staat al op ons te wachten op de parkeerplaats. Hij vraagt ons onze normale rituelen uit te voeren, zodat hij ondertussen foto’s kan nemen. Als hij genoeg foto’s heeft, spreken we af dat hij rond 7 uur naar onze ryokan zal komen voor het interview. We verifiëren nog even of we deze keer de juiste ryokan hebben genoemd…
Als we onze rituelen hebben beëindigd en teruglopen naar het stempelkantoor bij de ingang, zien we bij een zijtempeltje 2 stenen beelden staan: een aap en een schaap. Volgens de Chinese horoscoop is Mels een schaap en ik een aap. Dus een foto hiervan zou wel leuk zijn. We vragen een net bovenaan de trappen komende henro een foto te maken, duwen het fototoestel in zijn handen en rennen dan de ongelijke treedjes op naar de 2 beelden waar we verwachtingsvol blijven wachten. Hij had ons eigenlijk wat dichterbij elkaar willen hebben, maar ja we kunnen die beeldjes niet verslepen. En uitleggen in het Japans waarom we per se bij die beeldjes willen staan, daar beginnen we maar niet aan… Hij legt zich erbij neer en neemt de foto.
We gaan nog even zitten op een bankje bij het stempelkantoor. Uit luidsprekers klinkt treurige Japanse muziek; bij Mels zitten de tranen dicht onder de oppervlakte. Regelmatig komen voorbijkomende henro-gezinnen even een praatje maken. En uiteraard gaan we dan ook gezamenlijk op de foto.
Mels vindt mijn pelgrimsstaf met de hartsoetra erop erg mooi en als hij eenzelfde staf ziet die duidelijk al een hele tijd geleden is achtergelaten, neemt hij hem mee. Nou maar hopen, dat we de staffen mee het vliegtuig in krijgen…

Op ons gemak lopen we verder, naar tempel 82. Een bospad voert ons eerst omhoog, dan slingert het een tijdlang wat op en neer rond de hellingen, tot het iets meer dan 2½ kilometer voor de tempel weer omhoog gaat. Tot onze verbazing zien we een fietshenro het pad volgen, een racefiets aan de hand en een rugzak op de rug. Weer op de gewone weg vinden we al gauw Michi Kusa, Gras naast de weg, een restaurantje waar we een kleine lunch nemen. Op de televisie wordt bekendgemaakt dat Osama bin Laden door Amerikaanse troepen is omgebracht. Het is druk op de weg, zo met de Golden Week: motorrijders en auto’s racen voorbij. Maar we hoeven niet lang deze weg te volgen, al snel voert een paadje ons weer wat bergafwaarts tot we om half 2 bij tempel 82 zijn. Bij de vele bloeiende Japanse esdoorns en andere bomen zoemen allerlei insecten rond. Als we eerst een trap zijn afgedaald en daarna weer 3 trappen zijn opgegaan, komen we bij de hoofdtempel. Ervoor is een kleine, vierkante binnentuin, omgeven door raamloze gangen, waar je doorheen moet lopen om bij de tempel zelf te komen. De donkere gangen bevatten duizenden kleine beeldjes en zijn spaarzaam verlicht met lantaarns.
Bij het stempelkantoor val ik op een bankje in slaap. Tot Mels maant dat het al half 3 is. We nemen een klein paadje dat langs boomgaarden en struikgewas voert, slingerend rond de berghellingen. Overal in de bossen zijn bloeiende blauwe regens te zien. Het mooie pad staat niet officieel op de kaart, maar hebben we vorig jaar ontdekt. Als we weer op de gewone weg komen, zien we al gauw het leuke restaurant waar we ook vorig jaar zijn geweest: verscholen op een bonsaikwekerij ligt een fraai afgewerkt gebouwtje, waar allerlei mooie, traditionele details in zitten. We zijn de enige gasten. Er klinkt klassieke muziek: Bach. Het doet Mels denken aan vroeger. En mij ook: de zondagen thuis bij mijn ouders. Een van de gastvrouwen komt bij de koffie schijfjes gesuikerde zoete aardappelen brengen en noemt de klassieke muziek: Feeling music. Ze vertelt dat haar man de kopjes heeft gedraaid. Hij is amateur-potter. Leuke kopjes. ‘In elk mens schuilt een potter’, zeg ik tegen Mels.

Langs tientallen kwekerijen van bonsaiboompjes en grote, maar even gestileerde bomen, en ook van olijfbomen, komen we weer in stedelijk gebied, nog steeds Takamatsu. Kort daarna, om 5 uur komen we aan bij onze overnachtingsplaats. Ryokan Momoya is even aftands als de vorige ryokan en blijkt direct aan een drukke weg én een druk spoor te liggen, met links ertegenover het stationnetje en rechts ertegenover een spoorwegovergang waar gemiddeld elke 3 minuten (door Mels getimed!) de alarmbellen rinkelen als er weer een trein passeert. De kamer is 12 tatami’s groot en blijkt op een uitbouw aan de voorzijde te zitten. Vanwege de warmte staan de ramen in de linker- en rechterwand open. Als we onze rugzakken naar boven sjouwen, biedt de jonge, zwijgzame gastvrouw aan onze staffen mee te nemen. Ah, een voorkeursbehandeling, denk ik. Normaal wordt mijn staf netjes gewassen en eervol in de tokonoma bijgezet. Maar als we op de kamer komen, vind ik beide staffen terug in het prullenbakje…

Na het avondeten zitten we met Takayama Keichi op onze kamer. We hebben wat lage stoeltjes en groene thee erbij gehaald en al het treinlawaai staat een goed gesprek niet in de weg. Het is een vriendelijke man die zeer geïnteresseerd is in onze pelgrimstocht, maar ook in de keramiekreis die we daarna zullen ondernemen. We praten onder meer over onze beweegredenen voor de pelgrimstocht, maar ook over de aardbeving en tsunami en hoe ons dat geraakt heeft. En dat we graag iets willen doen voor Mashiko, het pottenbakkersdorp ten noorden van Tokyo, dat zo zwaar getroffen is. We zullen hem mogelijk weer zien, bij tempel 1, als we onze tocht afsluiten. En als we volgend jaar weer komen, dan kunnen we in zijn gastenverblijf slapen en zal hij voor ons sashimi maken. We nemen na 5 kwartier hartelijk afscheid.

Dag 65: Foutje

De laatste loopweek gaat in. Nog 7 dagen lopen door het noordoosten van Shikoku en dan zit het erop… en wij verslapen ons behoorlijk. Pas tegen half 8 komen we eruit. Gelukkig knikt de gerant goedkeurend als we met onze wandelschoenen aan de eetzaal binnengaan. We genieten deze keer wat uitgebreider van al het Japanse en westerse lekkers dat wordt aangeboden. Nog even mailen, de koffers laten doorsturen en dan verlaten we eindelijk om kwart voor 10 het hotel. Een half uur later zitten we weer op de route. We hebben vandaag in totaal 19 kilometer te gaan, met bezoek aan 2-3 tempels. Een ‘makkie’. De regen is opgehouden, maar de bewolking ziet er tamelijk dreigend uit. Het is drukkend warm. Zweetweer.
We trekken naar het oosten, voortdurend door stedelijk gebied: Marugame, Utazu en Sakaide rijgen zich aaneen langs de noordkust. Een uur later zijn we al bij tempel 78. Een vrouw staat achter een net in bloei komende bolrododendron eindeloos de naam van Amida te reciteren – Namu Amida butsu; het reciteren zou tot Verlichting leiden… – tot een jonge monnik een praatje met haar aanknoopt. Uit luidsprekers klinkt droevige, dromerige muziek. Mels steekt een wierook op voor Herman. Verdriet. In een grote, door lantaarns verlichte kelder bij de hoofdtempel staan duizenden en duizenden beeldjes. Vaak versierd met piepkleine slabbetjes. En overal zijn kindercadeautjes: knuffels, plastic speeltjes, yakult, snoep, pakjes frisdrank. Zoveel verdriet…

We rusten een tijdje op wat stoeltjes voor het stempelkantoor. Het zweet stroomt me langs het gezicht. Dan gaan we op weg naar de volgende tempel. Kort erna vinden we een fraai restaurant, maar het blijkt gesloten en pas een uur later kunnen we in een wat ranzig tentje koffie en lunch krijgen. Als we een straat oversteken staat aan de overzijde een man in een lange, dunne, bleekgroene jas op ons te wachten. Uit zijn fietstas heeft hij 2 blikjes ice-groene thee en 2 pakjes zakdoekjes gepakt. Osettai! We maken even een praatje.
Op het wat rommelige maar charmante terrein van tempel 79 – geschaard rond een Shinto-tempel met een enorme boom – rusten we een tijdje op de buitenveranda van het stempelkantoor. Een vrouw komt 4 grote tempex-bakken vol met tempura brengen: in deeg gefrituurde zeewier en andere groenten. Ze wil het graag als osettai uitgedeeld hebben. Wij krijgen 2 bakjes met rijst gemengd met vis aangeboden door de stempelmonnik en vervolgens keer op keer wat tempura. Ook de andere henro’s die komen stempelen, lopen weg met handenvol tempura. Wij raken steeds voller en moeten uiteindelijk nee zeggen…
Bij het weggaan geef ik een bedelhenro wat muntjes. Ik krijg er een mooie viltstifttekening voor cadeau. Hij wil wel een osame-fuda. Mels doet zijn best in kanji. Maar dat was de bedoeling eigenlijk niet, hij wilde een osame-fuda in het Engels!
Een tijdlang lopen we op een weg langs een drukke spoorlijn. Net als we het spoor willen oversteken, komt er een oudere vrouw aanrennen. Ze wil ons iets aanbieden, een koffie misschien? ‘Hotto?’, vragen we voor de zekerheid. Maar nee, het moet uit de vending machine. Dan kiezen we voor cola. Ze stopt geëmotioneerd ook nog stiekem 2 biljetten van 1000 yen in mijn tas. Het raakt ons. Ik wrijf haar over de schouder. Een jongere vrouw komt met 2 cakejes naar buiten. En zo lopen we met onze handen vol verder.

Een klein weggetje voert ons langs een rivier. En daarna volgen we – op de stoep – de grotere en drukkere route 11 die over een pasje gaat. Kort voor onze overnachtingsplaats vlak voor tempel 80, nemen we weer een smal weggetje. Er kronkelt een slang over het asfalt. In mijn haast om mijn fototoestel te pakken, waait de opgerolde vilstifttekening weg, naar de slang toe. Geen foto. En met mijn staf hengel ik mijn tekening weer terug.
De overnachtingsplaats – ryokan Ebisu-ya – blijkt niet voor maar na tempel 80 te zijn. En aangezien het nog geen half 5 is, besluiten we alvast de tempel te bezoeken. De offerblokken worden al leeggehaald. Bij de grote bel staat een bedrag vermeld: 100 yen voor 1x aan de bel trekken. Bij de hoofdtempel worden al de kasten met kaarsjes leeggeruimd. Net aangestoken kaarsjes worden door de schoonmaaksters in het water gegooid. Ik wacht maar even met het aansteken van het mijne. Mels merkt dat 1 van zijn aangestoken wierookjes ook al weg is… Als we later het terrein verlaten, staan de hekken al half dicht. En het is nog niet eens 5 uur. Het gaat er allemaal wel wat erg commercieel aan toe hier…

Als we ons bij de ryokan melden, blijken we niet op de gastenlijst te staan. En inderdaad, als we ons hotellijstje checken, blijken we heel ergens anders te slapen: in ryokan Azusa, een halve kilometer verderop. Dat was het alternatief toen bleek dat de 1e ryokan al volgeboekt was. Vergeten te noteren. De aardige gastheer staat al op ons te wachten, maar ryokan Azusa blijkt wel wat aftands, aan de drukke route 33 en naast een drukke spoorlijn. De kamer is 12 tatami’s groot, met eigen wc en wasmeubel en een eigen opgang met portier: een mooie, zachtaardige husky. De karige avondmaaltijd is op de kamer.

Dag 64: Yakimono

In de vroege ochtend probeer ik snel – al staande – de mail te lezen en ga prompt door mijn rug. Maar het valt mee, even liggen en paracetamol doen weer wonderen. Voor het ontbijt moeten we naar de eetzaal op de 2e verdieping. Voor we onze kamer verlaten, schieten we snel de hotelsloffen aan, gehoorzaam als we zijn. Maar bij de ingang van de eetzaal worden we tegengehouden: de eetzaal is schoenengebied en we worden teruggestuurd naar onze kamer om onze schoenen aan te trekken… Op de kamer gaat net de telefoon. Mie Ozaki: of we een taxi kunnen nemen naar de highschool. Daar zal ze op ons staan wachten. Snel ontbijten – voor zover mogelijk in een enorme eetzaal vol mensen en met een warrige biking (=buffet) – en inpakken en dan schieten we een taxi in. Bij de highschool is geen Mie te bekennen. Wel staan overal op het schoolplein kinderen te spelen met allerlei muziekinstrumenten. Mels maakt een rondje rond het hele terrein, maar bij geen van de 3 ingangen is een Mie. Bellen. Ze blijkt met de auto naar het hotel te zijn gegaan, omdat ze bang was dat we teveel bagage bij ons zouden hebben. Een kwartiertje later is ze er gelukkig wel en worden we uitgenodigd in haar huis, vlak naast de school. In de traditioneel Japans ingerichte woonkamer vertelt ze over haar project. Elk jaar neemt ze een ander thema en nodigt dan 5 bloggers uit voor een min of meer gratis reis door Shikoku, op voorwaarde dat ze erover publiceren. Dit jaar zijn bonsai en theeceremonie het thema. Wij vertellen haar over onze keramiekplannen. Misschien kunnen we elkaar ondersteunen.

Met een taxi rijden we achter haar sportwagen (Mercedes 230 SL: 2 zitplaatsen) aan naar een buitenwijk van Marugame, waar we een keramist zullen bezoeken die werkt in de Bizen-traditie. We hebben geluk. Akiyama Wako is bezig met een houtstook. De temperatuur staat inmiddels op 660 graden. Hij stookt zijn noborigama (meerkameroven) 1-2x per jaar, samen met 1 van zijn zoons. We worden hartelijk ontvangen en hij vindt het leuk over zijn werk te vertellen (met Mie Ozaki als tolk), zeker als hij hoort dat we zelf ook keramisten zijn. We drinken koffie aan de tafel naast de noborigama in de grote schuur. En later bezoeken we het atelier op de bovenverdieping, de houtopslag in de tuin en de galerie. Er zijn erg mooie stukken bij en ik twijfel of ik wat kleine wijnbekers zal kopen. Mels waarschuwt: de prijzen kunnen hier onwaarschijnlijk hoog liggen. En keramiek meenemen in de koffer is erg riskant…

De middag brengen we door in Bizen. Als we uit de trein komen zien we al de vele vierkante schoorstenen in het plaatsje. Op maat gezaagde houtblokken liggen hoogopgestapeld in rijen ernaast. Er zouden nog 400 keramisten werken in deze omgeving. Wij beginnen met een bezoek aan het Modern Art and Pottery Museum. De vriendelijke gastvrouw geeft ons alle benodigde informatie en we zullen via de mail contact houden over foto’s voor een later artikel. Nadat we het museum hebben bekeken, bezoeken we nog de ruimte van de lokale keramistenvereniging op de 1e verdieping boven het station, waar een grote toonzaal is met werk van de lokale potters. Ik koop er een setje onderleggers voor stokjes in de vorm van (tempel?)hondjes in typische Bizen-tinten: mat donkerroodbruin. Daarna wandelen we door het plaatsje naar de restanten van een oude noborigama. Overal is keramiek te zien, zelfs de hondjes die altijd bij de ingang van een Shinto-tempel staan, zijn hier van keramiek. Oude dakpannen en ander keramiek zijn verwerkt in tuinmuren, bepleisterd met leem. Oude grèspijpen zijn soms verwerkt in de muur van een schuur. En er zijn overal winkeltjes met Bizen-keramiek. Van de prijzen schrikken we. We weten dat een kommetje van een beroemde Japanse keramist 30 tot 40.000 euro kan kosten, maar in deze winkels blijkt ‘gewone’ keramiek ook erg duur te zijn: Kleine kommetjes staan er voor duizenden euro’s per stuk. Laaggeprijsde keramiek zien we eigenlijk niet. Bij een piepklein kommetje – waarvan je zou kunnen denken: zal ik het aan de kringloop meegeven? – staat een prijskaartje van bijna 1000 euro…
Als we langs een keramiekwerkplaats komen, lopen we nieuwsgierig naar binnen. Er zijn verschillende mensen aan het werk, maar er komt gauw iemand op ons af om te zeggen dat het bedrijf niet toegankelijk is. Mels doet nog een poging door te zeggen, dat wij ook keramisten zijn, maar hij blijft erbij en houdt zijn armen gekruist ten teken dat we weg moeten. Het verbaast ons een beetje, tot nu toe zijn we overal waar we binnen liepen met open armen ontvangen en nu juist hier niet… Na nog wat omzwervingen, gebruiken we het avondeten in een sushirestaurant en gaan dan met de trein terug naar Marugame. In de schemering is de wereld zilvergrijs geworden. In het mooie avondlicht rijden we weer de lange, hoge bruggen over van Honshu naar Shikoku. In het stille wateroppervlak drijven honderden eilandjes. Het drukke scheepsverkeer is stilgevallen. Al van verre is hotel Okura te onderscheiden, een groot gebouw eenzaam aan de rechterkade van de riviermond.

Om 9 uur borrelen we met Mie Ozaki in het restaurant van het hotel op de 12e verdieping, met mooi uitzicht over de riviermond. Het naaldvormige flatgebouw aan de andere zijde van de riviermond is deze avond blauw verlicht, gisteren groen. ‘Dat betekent morgen regen’, legt Mie uit. ‘De kleur wordt aangepast aan de weersverwachting.’ Mie heeft ons al – met foto – op haar blog staan: http:// Muchujin.jp en klik op: 2011/4/30:陶芸家カップルの遍路旅 De tekst kunnen we zelf ook niet lezen… Ze vertelt dat een journalist van de Asahi Shimbun, (de?) grootste krant in Japan, ons in Takamatsu wil interviewen. Door die gemeente zullen we de komende 2 dagen lopen. Ze belt onze komende overnachtingsplaatsen door naar hem.
We liggen weer pas na 12 uur in bed. De regen slaat inmiddels tegen het raam…

Dag 63: Slecht bericht

Vlak voor ons vertrek komt Mels tot de ontdekking dat we vandaag niet 24 kilometer moeten afleggen, met bezoek aan 5-6 tempels, maar 28 kilometer, met bezoek aan 7 tempels. We hadden – net als vorig jaar – willen overnachten bij hotel Toyota. Maar vorig jaar waren ze bij onze aankomst duidelijk al niet blij met ons en dit jaar hebben ze bij het maken van de reserveringen ronduit gezegd dat ze geen buitenlanders willen. Er is nu een hotel gereserveerd door het reisbureau (in verband met de Golden Week hebben we voor de laatste loopweek alle overnachtingen al in Nederland laten regelen) dat een stuk van de route af ligt. Dat betekent extra kilometers. En de laatste tempel moeten we zien te halen voor 5 uur (en liefst voor 4 uur, omdat sommige tempels zijn gesloten om 4 uur of half 5). Ai!
Om half 8 nemen we afscheid van onze gastvrouw. We pakken elkaar steeds opnieuw vast. Ze wijst nog even de weg. En rent weer terug haar huis in. En dan zien we haar weer voorbij rennen, nog even naar de ryokan. Leesbril halen, concludeert Mels. Maar ze komt terug met een zelfgetekende routebeschrijving. En dan houden we elkaar weer even vast. En nog heel, heel lang blijft ze nawuiven. En ik probeer niet op mijn gezicht te vallen, terwijl ik terugwuif.

Zo’n anderhalve kilometer voor de eerste tempel (nr. 71), blijkt dat we toch nog 2-3 hoogtelijnen over moeten. Gelukkig voert het laatste deel van de route over een beschaduwd weggetje, want in de zon is het erg warm. Het tempelcomplex zelf strekt zich over een hele berghelling uit en bevat ook nog heel, heel veel trappen. Mels kon zich dat niet herinneren van vorig jaar, maar telt deze keer elke traptrede: 567 stuks… Langzaam komen we steeds hoger, langs enorme rotsblokken waarop kleine boompjes en soms zelfs grote woudreuzen zich vastklampen. In de steile rotswand zijn beelden uitgehouwen. Om 9 uur zijn we eindelijk bij de bovenste tempel. Voor de Kobodaishi-tempel en het stempelkantoor moeten we weer een paar trappen naar beneden en dan wat andere weer ophoog, de laatste op kousenvoeten: een gladde houten trap binnenshuis. Daarachter zijn oude grotten. Met ‘study in bumping’ staat erbij vermeld: instortingsgevaar.
Als we weer grotendeels zijn afgedaald, komen we langs een winkeltje. De eigenaar biedt groene thee aan. Osettai! In de schaduw van de berg staan lange banken, waar al een autohenro-paar zit. We krijgen ook enkele grote zoete bonenkoeken. En nog een 2e kop thee. Het is er heerlijk vertoeven. De enthousiaste en belangstellende gastheer toont een stapeltje kartonnen stroken met haiku’s, gemaakt door henro’s. ‘This is a haiku-café’, zegt hij. Wij mogen ook op een strook met penseel en inkt een haiku schrijven. We nemen de tijd, ook al hebben we die eigenlijk niet: ‘If in a hurry, take a detour.’ En we laten uiteraard osame-fuda’s en visitekaartjes achter.

De kleine klim naar het volgende dal mag dan eigenlijk geen naam meer hebben. Over een bladrijk en dus verraderlijk paadje dalen we weer af. Door een bamboebos dat vervaarlijk kraakt in de opkomende wind. En daarna is er over kleine asfaltweggetjes nóg 2x een kleine klim. Om 11 uur zijn we bij tempel 72 en om kwart over 12 bij tempel 73. Bij alle 3 tempels komen we dezelfde groep bushenro’s tegen, maar door al het klimmen, beginnen we wat achter te lopen en bij tempel 74 blijken ze al te zijn vertrokken. We zijn inmiddels halverwege het dagtraject. ‘Theoretisch moeten we het nog kunnen halen vandaag’, zegt Mels. Ik begin er ook in te geloven…
Onderweg naar de volgende tempel komen we een vrouwelijke loophenro tegen die we ook al in minshuku Okada zagen. Vlakbij tempel 75 – het is inmiddels half 2 – vinden we een lunchrestaurant. Er blijkt wifi te zijn en ik check even snel de mail. En dan lezen we dat Herman, Mels’ halfbroer, gisteren is overleden aan een beroerte… Het komt hard aan. De wereld staat even stil.

Later lopen we naar tempel 75, een enorm uitgestrekt complex. De geboortegrond van Kukai. Op het grote parkeerterrein staan verscheidene bussen. Het is een feestdag – Green Day, het begin van de Golden Week – en op het terrein lopen hordes mensen rond. Kinderen hangen aan het touw van de grote bel. Overal staan kraampjes met amuletten en etenswaar en er is ook een plantenmarkt. Onverstoorbaar temidden van al het gekrioel staat een enorme boom. Mels steekt een kaarsje op voor zijn broer. De tranen blijven komen. Onderweg praten we over de herinneringen die Mels heeft aan Herman. Hij zal niet bij de begrafenis zijn, dat is zijn besluit, maar het doet zeer…
Om kwart voor 4 verlaten we tempel 76 en moeten dan nog 4-5 kilometer naar de laatste tempel van vandaag. Vlak voor tempel 77 staat een man ons op te wachten. Hij heeft kleine, zelfgemaakte beeldjes van keramiek. Die wil hij ons graag geven als osettai. We nemen de tijd en schrijven ook elk een osame-fuda uit voor hem. En dan komen we eindelijk om 5 over half 5 bij tempel 77 aan. Een monnik is al bezig de offerblokken bij de ingang te legen, maar het stempelkantoor is nog open. Na het stempelen zijgen we eerst neer op een bankje – naast een andere henro die we onder andere kennen van minshuku Okada – en drinken minstens een liter water op. De stempelmonnik komt ook nog eens 2 pakjes ice-groene thee en 2 koeken brengen. Osettai! Dan voeren we strompelend de rituelen uit. We bekijken nog eens de hotelvoucher en komen tot de conclusie dat bij de hotelovernachting geen diner zit inbegrepen. Dat geeft ons genoeg alibi om meteen na de tempel een Joyfull binnen te stappen en snel een friet met steak respectievelijk een pizza naar binnen te werken.

En dan is het nog 6 kilometer naar hotel Okura aan zee. Het wordt inmiddels snel donker. Langs de drukke weg door het stedelijk gebied van Marugame lopen we over een overdekte goot die voortdurend op en neer gaat, niet alleen voor inritten maar zelfs voor elke voordeur. Erg vermoeiend. Maar we houden er flink de pas in.
Als we van de route afslaan naar het hotel, vragen we de weg aan een vrouw die haar hond uitlaat, want het hotel staat niet in ons routeboekje vermeld en Mels heeft alleen op internet kort kunnen kijken waar het ongeveer lag. Ze brengt ons een heel eind op weg, tot we uit de wirwar van straatjes zijn. Daarna lopen we over een smal weggetje langs de riviermond verder richting zee. Een mooie wandeling. Aan beide zijden van de brede rivier zijn overal lichtjes. ‘Nou, jij hebt nu wel je zin’, zegt Mels. ‘Je houdt er toch van in het donker te lopen?’ Ja, dat doe ik zeker. Ik geniet.
We komen op een industriegebied uit. En na nog eens links- en rechtsaf, en wat wijzen door vlaggenmansen die het verkeer bij een groot stadion regelen met behulp van roodverlichte wapenstokken en roodknipperende borst- en rugdelen, zien we in de verte een groot, wit gebouw. Het is uiteindelijk toch nog een paar kilometer verder, waarschijnlijk hebben we vandaag zo’n 30 kilometer afgelegd. Om 10 voor 8 zijn we er. Onze beide koffers, cadeautjes (dasspeld en waaier) en brief van Toyoko en de tickets voor de reis van Shikoku naar Honshu op 8 mei staan en liggen voor ons klaar bij de balie. De kamer op de 8e verdieping (2-persoons bed, bureau met stoel, zitje, badkamer en internet met kabeltje) heeft een riant uitzicht over de riviermond. In de verte twinkelen lichtjes van grote bruggen en flatgebouwen. De uren daarna is Mels bezig met mailen naar familie; ik met plannen en mailen voor het restant van onze reis. We maken voor morgenvroeg een afspraak met Mie Ozaki, presidente van een non-profit organisatie die Shikoku wil promoten – NPO Shikokumuchuji (http:// Muchujin.jp) – en Franssprekend. Morgen nemen we een voorproefje op ons keramiekprogramma later deze reis. We gaan met haar een potter bezoeken en daarna nemen we de trein naar Bizen, een van de Six Old Kilns. Mels ligt al uren te slapen als ik er om half 1 ook eindelijk induik.

Dag 62: Vragenuurtje

Het ontbijt mag dan wel om 6 uur zijn, daarna nemen we nog 2 uur de tijd om nog wat in het dagboek te schrijven en mailtjes voor te bereiden. Ergens halverwege de nacht is het droog geworden. Maar het is bewolkt en fris als we om 8 uur eindelijk op pad gaan. De wolken zien er dreigend uit. Bij het ontbijt hebben we 2 aanstekers cadeau gekregen, maar als we vertrekken is de hele ryokan uitgestorven. We worden niet altijd uitgewuifd…

Er staan 20 kilometer op het programma, met bezoek aan 4 tempels. We beginnen met de vlakbij de ryokan gelegen tempel 67. Tussen wat gebouwen door komen we op een klein tempelterreintje. In een tempel is een dienst aan de gang. Een monnik komt naar buiten rennen uit de hoofdtempel en gebaart ons wat, maar we begrijpen het hele verhaal pas als er een 2e monnik bij komt die een paar woorden Engels spreekt: ‘First front door.’ We zijn via de ‘achterdeur’ binnengekomen en dat hoort niet. We moeten eerst weer terug de heuvel af, om de heuvel heenlopen en dan via de lange trappen aan de andere zijde weer omhoog. Kreun… Maar het geeft wel een beter gevoel om via de voordeur binnen te komen. Bovendien staan er enkele enorme bomen, waaronder een eeuwenoude kamferboom die niet alleen een enorme stamomvang heeft, maar ook met zijn lichtgroene kroon vanuit de verte al een imposante aanwezigheid is.

Als we na het uitvoeren van de rituelen weer alle trappen zijn afgedaald, vervolgen we onze weg naar het noordwesten, over allerlei kleine weggetjes. We merken aan de harde tegenwind dat we weer richting zee lopen. In de grijzige verte zien we af en toe een groepje huizen oplichten als het zonlicht door de bewolking heen piept. We komen via steeds grotere en drukkere wegen in het stedelijk gebied van Kan-onji City.

Pas tegen 11 uur vinden we een restaurant dat geopend is (nou ja, bijna: we moeten 10 minuten wachten tot het open gaat). Er is wifi (zelfs voor Mels’ i-pad op te vangen) en cappuccino met gebak en jazzmuziek. Mels verschiet als ik een 2e cappuccino wil bestellen, ze kosten 6 euro per stuk, maar gelukkig zit ik mijn eigen geld te verbrassen. We blijven hangen voor de lunch en gaan pas om half 2 verder met ons dagtraject.

De verschillende gebouwen van tempel 68 en 69 staan door elkaar op hetzelfde terrein. De stempelmonnik zet meteen voor beide tempels de benodigde stempels. In het midden van het terrein staat een enorme boom met een nog veel grotere basis die zich in allerlei vreemde kronkels heeft uitgespreid. Naast de vreemde, nieuwe hondo van nummer 68 bevindt zich een verrassend mooie tuin: rond een vijver staan tegen de berghelling rijen in bolvorm gesnoeide rododendrons die net in bloei beginnen te komen.

De wind wordt steeds kouder, de wolken steeds dreigender. En sinds de lunch is Mels moeilijk vooruit te branden: moe, zere knieën en voeten… We komen langzaam vooruit. Lange tijd lopen we langs een drukke weg aan een brede rivier. Dan splitst de rivier zich in 2-en en voert een klein weggetje ons tussen beide rivierarmen. Rechts zijn tussen beide dijken grote velden bloeiend koolzaad, afgewisseld met goudbruin riet; links zijn er sawa’s met af en toe een huis. In de verte zien we al de hoge pagode van tempel 70. Een mooi complex met vele fraaie gebouwen en ook weer grote bomen. Ertussen in bevinden zich enkele kopergroene beelden van paardjes.

Rond 4 uur gaan we op weg voor de laatste 7 kilometer, voornamelijk langs de drukke route 11, soms langs parallelweggetjes. We passeren verschillende grote vijvers, uiteraard allemaal in beton gevat. Af en toe zijn er merktekens die de verkeerde kant op wijzen. Soms zijn ze van bedrijven – winkels, ryokans – die op die manier klanten willen trekken en voor ons buitenlanders is het niet altijd makkelijk het juiste onderscheid te maken. Maar ook verdenken we overijverige vrijwilligers ervan ons af en toe een toeristische uitstap te willen laten maken… Ondertussen valt het ook niet mee om te blijven zwaaien naar alle automobilisten die knikken of wuiven, zonder opnieuw onelegant (en ook niet elegant) op mijn gezicht te vallen. Mijn blauwe oog heeft na al die weken bijna weer zijn normale kleur en dat wil ik liever zo houden.

Zo’n 500 meter voor we bij onze overnachtingsplaats komen, begint het toch nog te regenen. Maar met plu en stevig doorstappen bereiken we snel minshuku Chitose. Het is al half 6 en de gastvrouw staat al ongerust te wachten. Een hartelijke, goedlachse vrouw die ons snel naar onze kamer brengt (een groot vloerkleed over de versleten tatami’s groot). Ik drentel in mijn yukata wat door het huis, wachtend tot ik – na Mels – in de ofuro kan, en zie dat er aan de eettafel voor 3 is gedekt. Blijkbaar is er nog een gast. Ik sta me net te wegen (kreun, toch wel erg veel ijs en gebakjes gehad…), als er via de achterdeur 2 vrouwen binnenkomen. ‘Good evening’, zegt de oudste. Ze blijkt Engels te praten en we maken een praatje tot Mels uit bad komt en ik erin duik. Haar man is ook potter, ‘but not so good’, zegt ze…

Als ik later de eethoek binnenkom, blijkt ze daar met Mels te zitten. En als ik aanschuif, blijkt dat zij de 3e gast is. Het dringt tot ons door dat zij niet bij toeval even langs kwam, maar dat haar komst in scène is gezet. Om ons bezig te houden en/of omdat ze zelf graag Engels wil praten met buitenlanders, we weten het niet. De gastvrouw komt er ook bij zitten, maar de etiquette laat niet toe dat zij iets eet of drinkt. Maar ze geniet wel met volle teugen. De wat Engels sprekende vrouw heet Toyoko Maruhashi en zij en de gastvrouw zijn boezemvriendinnen, zij 65 jaar oud, de gastvrouw 67. Samen zijn ze 35 jaar geleden naar Rusland geweest, het enige buitenland dat ze kennen. De Japanse regering vond dat jonge Japanners wel eens kennis konden nemen van een ander systeem en zo konden vanuit Shikoku 100 Japanners op reis naar Rusland. ‘Very strange system’, herinnert ze zich.

Toyoko biedt zich aan als vraagbaak, ze snapt dat wij zelden iets kunnen vragen aan Japanners omdat er bijna niemand Engels spreekt. Of we iets willen weten over het eten? Nou, er zijn andersoortige vragen die ons meer bezighouden. Mels vraagt waarom bijna alle beelden slabbetjes dragen. Ze kreunt en zucht een tijdje. Kinderen die zijn overleden komen in een niemandsland aan een rivier. Moeders kunnen hun kinderen daar alleen maar herkennen aan de geur van het kwijl op het slabbetje. Zo kunnen ze hun kinderen weer terugvinden… Ik wil wel weten of alle beelden langs paden en wegen van boddhisatva’s zijn. Dat levert nieuw gekreun op. ‘Japanese people don’t know much about buddhism’, geeft ze toe. Misschien dat ze dan iets over de Shinto-religie kan vertellen? Er is een riviergod, een berggod, een luchtgod… Maar dat wisten we al…

Maar over het Japanse schrift vertelt ze heel erg graag. Ze is onderwijzeres geweest en tekent met potlood en papier verscheidene ezelsbruggetjes uit. Zo hebben we een heel gezellige avond. Als Mels zegt dat hij een grap heeft gemaakt, rollen ze allebei van het lachen over de vloer. En het schaterlachen van de gastvrouw is erg aanstekelijk. Ze pelt nog maar eens wat citrusvruchten. En wij maken foto’s.

Dag 61: Schuilen bij Kukai

Al om 10 voor 7 staan we voor de ryokan, uiteraard zijn we weer de laatsten die vertrekken. We geven osame-fuda’s en visitekaartjes aan de gastheer en zijn dochter en gaan met zijn allen nog op de foto. Ze lopen nog even een eindje mee om de weg te wijzen en blijven lang staan wuiven. Wat een hartelijke mensen!

Er staan 15 kilometer met 700 meter stijging op het programma, met 1 tempelbezoek. We zullen stijgen van zo’n 250 meter hoogte tot tempel 66 op 1000 meter hoogte en dan aan de andere kant van de berg weer naar beneden gaan.

Eerst lopen we wat verder door het dal, over kleine asfaltweggetjes door de bebouwing. Maar al snel komen we op een pad dat steil omhoog voert. Regen is er niet, wel is het erg warm en plakkerig. In 1,8 kilometer stijgen we 400 meter. Af en toe moeten we op onze tenen lopen om niet achterover te vallen. Zoals veel henro-paden is ook dit pad diep uitgesleten in de loop der eeuwen – net als de Limburgse holle wegen -, ook nog eens dankzij de enorme hoeveelheid water die bergafwaarts een weg zoekt tijdens het regenseizoen. Soms lopen we tussen 3-4 meter hoge wallen, waarover zich kronkelige bomen buigen.

Dan slingert het pad zich een tijdlang rond de berghellingen, voordat het uitkomt op een smalle asfaltweg die verder omhoog – maar heel wat minder steil – de berg op voert. De wind gromt hier door de bomen, alsof er grote turbines staan te draaien. We rusten op een bankje naast een oude kersenboom met een enorme stamomvang; de kersenbloesem torent uit boven de omringende sugi’s. Als we verder lopen, zien we langs de weg nog vele oude kersenbomen, allemaal nog in bloei. Het regent bloesem. Een mier sjouwt een bloesemblaadje mee, op weg naar zijn nest. Midden op de weg ligt een slang, doodgereden.

Al om 10 uur komen we aan bij tempel 65, die bekend is om zijn vele Lakham: levensgrote stenen beelden van de representanten van Boeddha. Het is er erg rustig, tijdens ons hele bezoek zien we slechts een paar kleine groepjes bushenro’s die met de kabelbaan naar boven zijn gekomen. Volgende week zal dat wel anders zijn, dan is het Golden Week, dé vakantieweek in Japan en voor velen het moment om een stukje henro-michi te lopen of te rijden. In de hondo (hoofdtempel) wijst een vrouw me op een bundeltje felgekleurde linten, dat (via het plafond) met een touwtje is verbonden met de handen van boeddha. Als je de linten vasthoudt, gaat het gebed rechtstreeks naar zijn handen. Het emotioneert me als ik de linten vastpak…

We gaan op de foto met een groepje dames-bushenro’s en lopen dan even naar het winkeltje bij het bergstation van de kabelbaan voor water, ijsjes, gedroogde abrikozen en chocolaatjes. En nog eens water en chocolaatjes. Op een bankje ernaast genieten we van het sensationele uitzicht over de kustvlaktes en de zee, dat enigszins belemmerd wordt doordat het erg heiig is. De eilandjes in zee zijn nauwelijks te onderscheiden, Honshu al helemaal niet. In de verte is nog wel steeds de grote schoorsteen vlakbij hotel Mild te zien waar we tot gisteren hebben geslapen. Er drijven donkere wolken over en de wind wordt steeds frisser, daarom blijven we niet al te lang, we willen het liefste voor de regen weer beneden zijn.

We verlaten het tempelterrein aan de andere zijde van de berg en ontdekken nog een heel legertje Lakham. Hoeveel van die beelden staan er hier? Zijn dit de 1000 gezichten van Boeddha? Helaas kan ik geen enkele vrouw onderscheiden tussen al die beelden…

Na een klein betonweggetje komen we op een pad dat over een van de uitlopers van de bergketen richting zee voert. Het daalt niet al te steil naar beneden en is goed te belopen. Ook hier is het pad vaak diep uitgesleten in de berghelling. Links en rechts staan roserode azaleastruiken. Het is een fraaie wandeling en regelmatig zitten we even op een van de vele bankjes langs dit pad om van het uitzicht te genieten: links vooral de kustvlakte met veel meertjes op de voorgrond en verder weg het stedelijke gebied, rechts een vallei met sugi-, dennen- en loofbos. Halverwege de afdaling eten we de onigiri op die we als osettai van de ryokan hebben meegekregen, terwijl we ondergesneeuwd raken door bloesemblaadjes. De zon is weer doorgebroken en het is weer warm, daarom doen we het meteen maar weer wat rustiger aan. Regen verwachten we niet meer.

Vandaag halen we bijna de 1000 kilometer: we hebben nu zo’n 990 kilometer afgelegd, exclusief alle extra kilometers die we hebben gelopen voor winkels, restaurants, postkantoren en hotels of ryokans. Tijdens het lopen mijmer ik over de voorbije maanden. Het is alweer de 61e reisdag (en ik ben in mijn reisdagboek bijna aan de 60.000 woorden…) De ene dag rijgt zich aan de andere. Ik kan me nog heel veel details herinneren, maar ook is er heel veel een blur. Wanneer zijn we ook al weer in dat ene park aan zee geweest, bij welke tempel stond die grote boom ook alweer? Herinneringen vervagen, net als dit blog ooit zal verdwijnen…

Terwijl ik een foto aan het maken ben van een boomstammetje vol houtzwammetjes, hoor ik een kreet. Mels gaat onderuit op een wegrollend steentje. Maar het is gelukkig niet ernstig. Rustig aan gaan we verder naar beneden. Er vallen toch een paar regendruppeltjes, maar voor de rest blijft het droog. Dan, kort voor het einde van het pad, horen we in de verte onweer. We voeren meteen het tempo weer op. Kort daarna komen we op een weg die ons verder het dal in voert richting zee. Zo’n 2 kilometer voor onze overnachtingsplaats gaat het dan toch nog regenen. We schuilen enkele keren en lopen tussendoor verder met de paraplu, want het regent tussen de ergste buien door niet zo erg en we hebben geen zin om de poncho’s aan te doen en onze rugzakken in te pakken, omdat de ryokan vlakbij moet zijn. Al met al worden we met de felle wind in de rug toch nog aardig nat, evenals de fleecejacks en windjacks die half uit de rugzak hangen.

Kort na een lotuskwekerij schuilen we een derde maal, deze keer bij een klein schrijntje. In het midden staat een beeld met ervoor wat bloemen en een offerblokje. Aan de muur hangen foto’s van een echtpaar op leeftijd. We proppen onszelf en onze rugzakken tussen alle parafernalia. Het ziet ernaar uit dat het alleen nog maar harder zal gaan regenen en na veel gedraal besluiten we nu toch maar ons in te pakken tegen de regen. Maar dan stopt er een auto voor ons. Waar we heen moeten: Minshuku Ohira en dat is volgens onze kaart hoogstens 500 meter verderop. Ze beduidt ons achterin te springen. Terwijl de regen steeds harder met bakken naar beneden komt, duiken we de auto in. De minshuku blijkt wel vlakbij, maar toch nog aan de andere kant van een heuveltje te zijn. De wereld is inmiddels grijs geworden. Af en toe draait de vrouw even een raampje open om te kunnen zien waar ze moet rijden.

Even voor 4 uur stormen wij zo de minshuku binnen. Een wat stille, norse vrouw wijst ons onze kamer: 6 tatami’s groot met halletje/kastenwand/tokokoma. Met een kopje groene thee kijken we naar de nattigheid buiten. Het avondeten delen we met 2 autohenro’s in een grote zaal die veel weg heeft van een oude danszaal. Met grote spiegels en gordijnen. Het minshuku-echtpaar houdt zich stilletjes op de achtergrond, maar geniet lachend van de verhalen die worden uitgewisseld. Mels weet heel aardig te converseren in het Japans. Een van de autohenro’s is erg geïnteresseerd in Oranda en in onze wandel- en keramiekactiviteiten. Hij is buschauffeur in Aichi Prefecture op Honshu. Lopen, daar moet hij niet aan denken. Hij gaat liever met de auto langs alle tempels. A busman’s holiday. Ondertussen gutst de regen nog steeds langs de ramen.

Dag 60: Voor aap

Vorig jaar hebben we tempel 65 tot en met 71 vanuit hotel Mild bezocht, dit jaar volgen we de route van tempel naar tempel. Om even voor 8 uur vertrekken we voor een makkelijk dagprogramma: 19 kilometer, wel met enkele flinke klimmen en met 1 tempelbezoek. We zijn allebei wat moe en stijf, zoals wel vaker na een dagje vrij, en het tempo ligt dan ook niet al te hoog. Er is regen voorspeld voor vanmiddag en voor morgen, maar voorlopig schijnt de zon en is het warm, ondanks de wind. We lopen eerst door kleine straatjes naar de bergrug, daarna klimmen we via smalle asfaltweggetjes en paadjes zo’n 300 meter omhoog de berg op naar tempel 65. We ruiken een sterke dierengeur onderweg en speuren heel stilletjes rond naar apen, af en toe half in dekking stilstaand. Maar de enige dieren die we zien en horen, zijn zingende vogels, vlinders en een dood molletje op het paadje. Pas een tijd later ontdekken we dat de dierengeur afkomstig is van een grote kippenfarm. Weer geen apen…

Langzaam klimmen we hoger en wordt het uitzicht steeds breder: in de laagvlakte ligt Mishima, onderdeel van het stedelijk gebied van Shikoku Chuo. Uit de verte vallen vooral de vele hoge schoorstenen op. Het is erg heiig en Honshu is niet te zien, wel enkele kleine eilandjes die vlak voor de kust liggen, alsof ze liggen te zweven in het blauwe niets.

In minder dan 2 uur bereiken we tempel 65. Onderaan de lange trappen naar het complex geeft een taxichauffeur ons een flesje water. Osettai! En ook de 2 dames die hij vervoert, laten zich niet onbetuigd: de een geeft een snoepje, de ander een geurzakje en zegt ‘Welcome to Japan!’ Met zijn allen gaan we op de foto. Tempel 65 is een ‘stille’ tempel met fraaie gebouwen en oude bomen, waaronder een enorme, inmiddels uitgebloeide kersenboom waarvan de lange, dikke takken steunen op palen. De grootste kersenboom die ik ooit heb gezien. Bij het stempelkantoor zie ik een mooie oranje staf staan in het staffenrekje. Dergelijke staffen zijn voorbehouden aan gidsen. Ik verbaas me over de lengte van de staf, een stuk korter dan die van mij. Ik vraag de in smetteloos wit geklede man op het bankje ernaast of de staf van hem is. Dat blijkt inderdaad zo te zijn, 500x heeft hij de tocht al afgelegd, waarvan 10x te voet. (Dat is 490 x 3 weken + 10 x 2 maanden = 1550 weken = 31 jaar, rekent Mels later uit…) Hij geeft een goudbrocaten osame-fuda, wij heel nederig onze witte…

De stempelmonnik rent de lange trap op als we voor de deur van het stempelkantoor staan. Hij spreekt wat Engels. Oranda kent hij van de tulpen en soccer (Johan Cruijff!). Wij strompelen weer naar beneden over de veel te hoge en ongelijkmatige treden om onze weg te vervolgen. Hij staat al lang weer beneden te kletsen. Hoe doen ze dat toch met die korte benen?

Lange tijd lopen we over een smalle asfaltweg die op zo’n 300 meter hoogte rond de berghellingen slingert. Een mooie, schaduwrijke weg door de bossen, met in de diepte een steeds wisselend uitzicht op Mishima. Tussen de enorme rijkdom aan varensoorten die ik op Shikoku heb gezien, ontwaar ik nu ook tongvarens bij een klein beekje. Dan daalt de weg langzaam naar het volgende dal. In een rest hut eten we met enkele andere henro’s onze onigiri op die we van het hotel hebben meegekregen. Een echtpaar uit Osaka loopt de tocht voor de 4e maal, inclusief de bangai-tempels. Van een andere loophenro is de staf zoveel afgesleten dat een deel van de hart soetra-tekst ontbreekt. We vragen maar niet hoe vaak hij de tocht heeft gelopen.

Als we even later verder afdalen en de asfaltweg verlaten voor wat kleinere paadjes, zien we tot onze verrassing een Camino de Santiago-aanduiding: een klein plastic wegwijzertje. Bij een fraaie bangai-tempel rusten we even op een bankje en gaan dan verder via de grote weg die langzaam stijgt naar een volgende pas. Het gaat steeds harder waaien en in de bamboebossen horen we af en toe een dode bamboe met een knal afbreken. Als we weer even rusten in een rest hut, lees ik wat in het gastenboek. En daarin zie ik een sticker van een Camino-groep (Gruppo Dada: Unidos por el Camino, jimmys@osk2.3web.ne.jp). Hebben die de Camino-aanduiding onderweg opgehangen?

De voorspelde regen blijft uit en in de loop van de middag is de temperatuur steeds verder gestegen. Zelfs de wind voelt warm aan. We volgen moeizaam de gestaag stijgende weg. Omdat we vrij vroeg zijn, kiezen we ervoor niet via de weg te blijven lopen die door een lange tunnel naar het volgende dal voert, maar via kleine asfaltweggetjes en paadjes de berg over te gaan. Op het paadje is het echter nog warmer. Het tempo zakt nog verder en er gaat behoorlijk wat water doorheen.

Dan komen we in een intiem dal met een opeenvolging van sawa’s, af en toe wat huizen en links en rechts berghellingen in korstmosachtige tinten grijsgroen en lichtroodbruin van ontluikende loofbomen.

Enkele kilometers voor onze overnachtingsplaats komen we weer op de grote weg. Minshuku Okada blijkt een verzameling gebouwtjes in een klein dorp. Even voor 4 uur komen we aan, samen met verschillende andere henro’s. Het is een populaire ryokan, want de enige voor de enorme klim naar de volgende tempel, die we morgen gaan afleggen. De kamer is 6 tatami’s groot met tokonoma/kastenwand. De vrolijke en aardige gastvrouw reinigt mijn staf en plaatst hem op een klein kussentje in een rieten mandje in de tokonoma. Voor de eerste keer zien we bij een ryokan een bankje buiten staan. Een rokersbankje, maar wij gebruiken hem voor een biertje in de zon. Even worden we onderbroken voor de ofuro. Daarna genieten we weer van de kleine tuin met oude, kronkelige den en rijen bonsaiboompjes. Tegen de tijd dat we moeten opstaan voor het avondeten om 6 uur, is een spin bezig zijn web te spinnen tussen Mels en het kleine tafeltje.

Alle 8 loophenro’s passen precies in de kleine eetkamer, tezamen met gastheer en -vrouw die er duidelijk plezier in hebben om gasten te hebben. De muren hangen vol met fotootjes van eerdere gasten, telkens samen met de gastheer. Hij blijkt 82 te zijn en een ras-performer. Na de maaltijd deelt hij kopieën uit van de route naar tempel 66 en volgende tempels: het dagtraject voor morgen. Met kleurpotloden zijn details geaccentueerd. Tempel 66 ligt op 1000 meter hoogte, de hoogste tempel die we zullen bezoeken. Heel beeldend legt hij uit waar je stevig door kunt lopen, waar verschrikkelijke afgronden zijn, wat je lekker kunt eten, enzovoort. Het verhaal gaat grotendeels aan ons voorbij, maar we genieten van zijn enthousiasme. Lang wordt er ook gepraat over het weerbericht voor morgen: er wordt voor de hele dag regen verwacht. En dat maakt niet alleen de klim hachelijk, maar vooral de afdaling. De gastheer heeft ook stapels boeken om te laten zien: een plakboek vol met osame-fuda’s die hij van gasten heeft gekregen, fotoboeken van wat er onderweg te zien is en een wetenschappelijk rapport van de universiteit van Keio over de arukimasu-henro’s, oftewel de loophenro’s. Alleen de grafiekjes begrijpen we: 70% van de loophenro’s is man, 30% vrouw. Van alle loophenro’s samen is 45% een man tussen de 60 en 70 jaar; 14% is een vrouw tussen de 30 en 40 jaar; daarmee de meest voorkomende mannen- respectievelijk vrouwencategorie.

Mels en ik zitten opgevouwen in een hoekje bij de tafel te wachten tot er beleefdheidshalve opgebroken kan worden. Kramp in de benen, pijn in de voeten… we (vooral ik) proberen zo ongemerkt mogelijk telkens iets te gaan verzitten op ons zitkussentje aan de lage eettafel. Pas om kwart over 8 is de gezellige bijeenkomst afgelopen. ‘Ik zal nooit meer klagen over henro’s die zo ongezellig vroeg van tafel gaan…’, zegt Mels. We duiken meteen het bed in. De gastvrouw – de dochter des huizes – is dan nog uren bezig met opruimen en schoonmaken.

Dag 59: Moshi, moshi!

Om half 9 worden we bij het hotel opgehaald door Yoshitake Tamaoka en een regiomanager van het farmaceutisch bedrijf dat in mijn infuus voorziet. De arts in het ziekenhuis van Shikoku Chuo is verbaasd me na een jaar terug te zien. Ik laat trots mijn ziekenhuispasje zien. En Yoshitake Tamaoka vertelt hem vrolijk dat ik van plan ben de tocht elk jaar te lopen.

Na het ziekenhuisbezoek drinken we nog koffie met gebak bij ‘ons’ koffiehuis. Yoshitake Tamaoka vertelt over de situatie in Tokyo: vooral gezinnen met jonge kinderen vertrekken steeds meer naar andere delen van het land, die verder van de lekkende kerncentrale afliggen. Maar ja, je moet natuurlijk wel de mogelijkheid daartoe hebben…

De zon schijnt uitbundig en de bergen liggen te lonken, maar vandaag blijven we nog even waar we zijn. Terug op de kamer werken we weer verder aan ons keramiek-reisschema en gaan alleen eropuit voor de lunch (in ‘ons’ koffiehuis; we krijgen nu zelfs een stempelkaart) en het avondeten (in ‘onze’ kaiten-sushi). Mels weet per telefoon een afspraak voor elkaar te krijgen met een keramiste. (Of eigenlijk: hij weet in het Japans haar e-mailadres te vragen en weet daarna per mail een afspraak voor elkaar te krijgen…)

Dag 58: Kattensushi

We verlaten de kamer alleen voor het ontbijt in de eetzaal, de lunch met cappuccino in ‘ons’ koffiehuis en het avondeten. Buiten schijnt de hele dag de zon, maar de wind is koud. Wij houden ons voornamelijk bezig met het reisschema voor de laatste paar weken van ons verblijf in Japan, want er moet nog het een en ander worden geregeld, bijgestuurd, etc. De een bezet de enige stoel in de kamer (waarom is er bijna altijd maar 1 stoel op een 2-persoonskamer?), de ander leunt met 1 bil op de bedrand.

Even voor 6 uur melden we ons netjes in de eetzaal van het hotel, maar er is geen enkele tafel gedekt en aan de keukenkastjes hangen yukata’s op hangertjes te drogen. De keuken is net als de eetzaal uitgestorven. We drentelen wat heen en weer en komen dan een van de gastvrouwen tegen. Tot mijn grote vreugde zegt ze dat er geen eten is vanavond. Zo geweldig was het eten hier niet en gisteren zijn we enkele kilometers voor het hotel langs een kaiten-sushi gekomen: een lopende-band-sushi-restaurant. Op de gevel stond kattensushi, maar we gaan ervan uit dat dat een spelfout was… We vragen 2 fietsen te leen en onze gastvrouw weet nóg een kaiten-sushi, die ‘veel dichterbij’, maar wel precies de andere richting uit is. Zo’n 3-4 kilometer later zijn we er. Een levendige zaak, waar we een half uurtje moeten wachten tot er plaats is. Maar dat is helemaal niet erg, want het is een genot om rond te kijken. Later, zittend aan de lopende band, zien we allerlei onbekende dingen voorbij komen. Heerlijk, we komen zo zelden sushi en edamame tegen op Shikoku. Maar we zien ook wat minder geslaagde ‘nieuwigheden’: sushi met kipnugget, rauwvleessushi, sushi met mini-hamburger en mayonaise, maki met mayonaise, diverse vissushi met uiringen en mayonaise. Veel mayonaise. Jammer.

Als we rond half 8 weer vertrekken, is het al helemaal donker. Straatverlichting blijkt er niet te zijn langs de grote weg en het voorlicht werkt slecht, het achterlicht helemaal niet op beide fietsen. Bijkomend probleem is dat voetgangers en fietsers (in beide richtingen) de stoep delen en dat vaak pas op het laatste moment duidelijk is of je elkaar links- of rechtsom passeert. En een stoep op Shikoku bestaat bovendien meestal uit een aaneenschakeling van gaten, kuilen, goten met opwippende dekplaten, schuine kantjes, etc. Lastig als je ook nog eens verblind wordt door de lichten van het tegemoetkomend autoverkeer (en het is erg druk) en bovendien automobilisten weinig consideratie hebben met voetgangers en fietsers als ze in of uit inritten en zijwegen willen rijden. Verschillende voetgangers hebben een zaklantaarn in de hand. Slim. En de grote hoeveelheid neonreclames helpt ook. En af en toe is het: God zegene de greep…

Terug op de kamer werpen we ons weer op het werk.

Dag 57: Zo, de dag is klaar

Na een doorwaakte nacht vanwege pijnlijke voeten, is het toch om 5 voor 7 opstaan voor het ontbijt van 7 uur… De hele nacht heeft het flink geregend en als we op de tv zien dat de buien rond 12 uur voorbij moeten zijn, maken we niet echt veel haast te vertrekken. Eerst nog maar even het internet op… Als we dan eindelijk om kwart over 9 onder het afdak bij de ingang van het hotel staan, zijn we zolang bezig met het friemelen aan onze poncho’s dat het bijna droog is als we daadwerkelijk op pad gaan. De aardige hoteleigenaar schudt onze handen – ‘Ja mata rainen!’ – en blijft heel lang staan zwaaien, zelfs tot we halverwege de lange brug over de rivier zijn. De rest van de dag houden we het aardig droog, ondanks de voorspellingen. De tocht gaat weer verder naar het oosten, zo’n 25-26 kilometer, voornamelijk langs weggetjes die parallel lopen aan route 11. Aanvankelijk lopen we vooral door laag heuvelland, door bossen en langs sawa’s, met af en toe wat huizen. Door de zware bewolking zijn de hoge bergen geheel uit het zicht verdwenen, maar de omringende heuvels ogen heel idyllisch: tussen het massale donkergroen van de sugi’s zijn er de lichte toefjes van bamboe en ontluikende loofbomen. Duidelijk te onderscheiden zijn de kersenbomen: de laatste witte bloesem vermengd met de inmiddels ver ontwikkelde teerroodgroene bladeren. En hier en daar is er het felrood van bloeiende azaleastruiken. Daartussen slingeren zich guirlandes van witte wolkenmassa’s. En overal is er het geluid van water: de regen van de afgelopen nacht heeft zich verzameld in talloze kleine en grotere stroompjes, allemaal netjes ingebed in beton.

In een (met opzet) schots en scheef gebouwd restaurant langs route 11 nemen we koffie en gebak. Ook voor een lunchrestaurant keren we weer even terug naar de grote weg en daarna nog eens voor een overhaast toiletbezoek bij een supermarkt, als de lunch er weer uit wil komen… Zo zigzaggen we soms ten noorden, soms ten zuiden van route 11, de ene keer wat effectiever naar het oosten lopend dan de andere keer. We blijven geluk houden met het weer: tijdens de lunch zien we een behoorlijke bui vallen, maar als we verder lopen is het alweer bijna droog. En later wordt het steeds zonniger en warmer. Door de hoge luchtvochtigheid is het wel kleffer dan ooit. We zweten heel wat af.

Aan de rechterhand komen langzaam de hoge bergen weer tevoorschijn vanonder het wolkendek. Naarmate de middag vordert komen we steeds meer in het stedelijk gebied van Shikoku Chuo en zien we ook in de verte de Japanse Binnenzee weer. Al van verre is de zware industrie te zien, waar onze overnachtingsplaats zich vlakbij bevindt: hotel Mild. Rond 4 uur doen we nog eenmaal een koffiehuis aan langs route 11, niet alleen omdat we allebei wat moe zijn, maar ook wat last hebben van voeten en nekken (wat een empatisch gedrag!) Ik drink er mijn eerste cappuccino sinds onze aankomst op Shikoku (en lekker!)

Om kwart voor 6 arriveren we bij hotel Mild, waar we enthousiast worden onthaald. De hele ploeg kent ons nog van vorig jaar. ‘En we hebben dezelfde kamer voor jullie!’ Dat vinden we nou zó attent in Japan. Net of je thuiskomt.

Bij het avondeten om 6 uur zit de eetzaal vol met een groep luidruchtige bushenro’s. Buiten barst een onweer los. De harde wind smijt de regen tegen de grote ramen. Tussen tv, lachsalvo’s en sterke verhalen die links en rechts volledig langs ons heen gaan, praten wij over evolutie en intelligent ontwerp, inhakend op wat we op het tv-scherm zien: Japanse wetenschappers die botten presenteren van een nog niet eerder beschreven diersoort. ‘Het zoeken naar oplossingen zit ingebakken in de materie’, zegt Mels en daar zijn we het allebei over eens. Maar we praten vooral over de tocht. Waarom doen we deze tocht, dat wordt ons vaak gevraagd, maar wat doet de tocht nou écht met ons? Allebei ervaren we soms kokoro no heiwa, de vrede van het hart. Maar vaak maalt het tijdens het lopen ook gewoon verder in het hoofd: over het verleden, over de toekomst, dingen die nog gedaan moeten worden, enzovoort… Tja, wat doet zo’n tocht met je… het blijft een moeilijke vraag… Evenals de vraag of je een bepaalde geestesgesteldheid ‘moet’ hebben voor het lopen van zo’n tocht. En of je een bepaald doel moet hebben. Of juist niet… Is geen reden de beste reden? Wat is de zin ervan? De zin die je er zelf aan geeft, net zoals aan het leven?

Neale Donald Walsch schrijft in Home With God dat je na je dood beleeft wat je verwacht te beleven: als je een hel verwacht, krijg je een hel, etc. Totdat je door hebt dat je kunt kiezen… Dat de afstand tussen gedachte en werkelijkheid na je dood kleiner is dan tijdens je leven. Ik moet denken aan captain Janeway die in een aflevering van Voyager een van haar crew-leden probeert te redden door een gesprek aan te gaan met de Ouderen, de Hogere Wezens op die planeet. Ze is ervan overtuigd dat ze eerst allerlei testen moet doorstaan voordat ze deze Hogere Wezens te spreken zal krijgen en dus volgt de ene test na de andere, totdat ze doorheeft dat het alleen maar haar eigen verwachtingen zijn…

’s Avonds op de kamer (2 1-persoonsbedden, bureau, badkamer) is er internet met het kabeltje. Terwijl het onweer voortduurt, werk ik weer aan het dagboek, Mels aan de vertaling. ‘Zo, de dag is klaar’, concludeert hij als er weer een dag ‘vertaald’ is. In bed weer lekker lezen in mijn boek, want de koffers zijn er ook weer. We blijven 3 nachten in hotel Mild, want maandag krijg ik weer mijn infuus.

Dag 56: Yukkuri

Vandaag willen we 25-26 kilometer naar het oosten lopen, voornamelijk door het stedelijk gebied van Saijo en later dat van Niiham, de meeste tijd over weggetjes die parallel lopen aan route 11. Maar we beginnen met het bezoeken van 3 tempels die allemaal vlakbij deze weg liggen. Voor tempel 62 moeten we een halve kilometer teruglopen. Van de Lachende Boeddha hadden we gehoord dat het stempelkantoor hier alleen tussen 8 uur ’s ochtends en 4 uur ’s middags geopend is en daarom hadden we gisteren aan het eind van onze tocht geen moeite meer gedaan ernaartoe te lopen. Naar de volgende tempel is het slechts 1,5 kilometer naar het oosten en weer 3,5 kilometer verder ligt tempel 64. Bij alle 3 tempels komen we dezelfde groep bushenro’s tegen. Dat hebben we wel vaker gemerkt: als de tempels 3,5 of minder kilometers uit elkaar liggen, kunnen we een busgroep makkelijk bijhouden… Hetgeen altijd weer leidt tot wederzijds enthousiast lachen en zwaaien.

Bij de laatste tempel komen we ook weer de Lachende Boeddha tegen en de henro die ons gisteravond de rijstballen cadeau heeft gedaan. Ze waren 1 tot 1½ uur eerder dan wij uit de ryokan vertrokken (wij hadden na het ontbijt om 6 uur toch nog even tot 8 uur zitten profiteren van de wifi…), maar ons looptempo blijkt dit jaar op de laagvlakte hoger te liggen dan dat van de meeste Japanse henro’s. (In de bergen is dat allesbehalve het geval…) We lopen een tijdlang gezamenlijk op, maar al snel voeren wij het tempo weer op en laten de anderen achter ons.

Zodra we – na de laatste tempel – de kleine parallelweggetjes volgen, laten we de enorme drukte van route 11 achter ons. We hebben zoveel dagen gelopen langs loeidrukke wegen, waar we niet alleen voortdurend uit moesten kijken vanwege het verkeer, maar waar je ook alleen iets tegen elkaar kon zeggen door heel hard te schreeuwen. Dan is dit wel een verademing! De route voert afwisselend door woonwijken en dan weer langs sawa’s en ander akkerland. En aan onze rechterhand ligt de hele dag de hoge bergketen waar we gisteren nog hebben gelopen, nu gehuld in zware bewolking. ’s Middags regent het korte tijd lichtjes, maar de temperatuur blijft aangenaam om te lopen. Het is een relaxte dag: we doen rustig aan (yukkuri!), omdat de moeheid van de tocht van gisteren nog in onze benen zit, maar toch ligt het tempo hoog en schieten we snel op. We nemen 2x een uitgebreide pauze bij een Joyfull langs route 11. En al om half 5 komen we aan bij onze overnachtingsplaats: hotel Misora. De aardige eigenaar herkent ons nog van vorig jaar. De kamer is westers: 2 1-persoonsbedden met luie stoel en krukje, en een volledige badkamer(tje). En wifi. ’s Avonds eten we weer in een restaurant aan de andere kant van de rivier.

Dag 55: Verlangen naar Shikoku

Ondanks onze goede voornemens staan we pas om half 6 op. We moeten 24,5 kilometer afleggen, waarbij we eerst 800-900 meter stijgen om tempel 60 te bezoeken en daarna weer afdalen naar hetzelfde dal, daar liefst nog 1 à 2 tempels bezoeken en dan doorlopen naar onze overnachtingsplaats. Vorig jaar regende het zo erg, dat we de afdaling niet te voet hebben kunnen doen. Nu is het droog weer. Maar de afstand is deze keer groter, want we hebben gehoord dat het gastenverblijf bij tempel 61 is gesloten en daardoor zijn we gedwongen naar een ryokan te lopen die enkele kilometers verderop ligt. Mijn rugzak en ook een deel van de inhoud van Mels’ rugzak wordt door onze gastheer naar de volgende ryokan gebracht. Osettai!

Het is nog erg stil in Saijo als we vertrekken om 10 voor 7. De zon schijnt en het wordt al gauw warm. Onderweg naar de bergen halen we een andere loophenro in. Hij vertelt dat hij 5 jaar geleden vanaf St. Jean in de Pyreneeën de Camino naar Santiago heeft gelopen; de henro-michi doet hij voor de 2e of 3e keer. De Camino vond hij heel wat beter: een mooie route noemt hij het. Veel mooier dan Shikoku. Waarom, dat wordt ons niet duidelijk: betere weg, mooier landschap of mooi omdat het ‘vreemd’ is zoals wij Shikoku mooi vinden?

Wij doen onderweg nog een supermarkt aan om een lunch in te kopen, en om half 9 komen we aan het begin van de bergweg die steeds verder omhoog voert tussen 2 bergruggen. Tot onze blijde verrassing vinden we al na een kwartier het enige restaurant langs deze weg geopend (maandag, dinsdag, woensdag gesloten). Door het raam zien we een autootje staan. Een autootje??? De restauranthouder blijkt een liefde opgevat te hebben voor de Subaru 360. Een 46 jaar oud exemplaar heeft hij 8 jaar geleden in huis gehaald: de Ladybird. En hij heeft zijn restaurant dezelfde naam gegeven: ten to mushi (insect met punten, oftewel lieveheersbeestje).

Buiten het restaurant komen we weer de henro tegen die we gisteren bij een tempel spraken (met baardje en hoed; we noemen hem inmiddels de Lachende Boeddha). Een tijdlang lopen we gezamenlijk op en we zitten ook samen bij de rest hut bij het begin van het steile bergpaadje naar tempel 60. Ik stel hem toch de vragen die me bezig houden: Nee, hij heeft geen huis. Hij komt oorspronkelijk uit de omgeving van Hiroshima. En waarom hij al 16x dezelfde route loopt? Dat vindt hij moeilijk uit te leggen. Verlangen naar Shikoku, noemt hij het: heartbreak, homesick. Wij vertellen dat we vorig jaar tegen het einde van de tocht steeds de neiging hadden in huilen uit te barsten. En dat we erover dachten om door te blijven lopen. En eenmaal in Nederland hielden we het verlangen om weer terug te gaan naar Shikoku. Dus ja, dat verlangen naar Shikoku kunnen we heel goed begrijpen…

Terwijl we zitten te praten, kijken we naar de drukte bij de plaats waar een bergbeekje uitkomt bij de weg. Het water zou een heilzame werking hebben. Auto’s rijden af en aan. Grote hoeveelheden flessen en jerrycans worden gevuld met water. Een bestelwagen met laadbak staat zelfs helemaal vol met plastic containers.

Langs het beekje klimmen we over het bergpad verder omhoog naar de tempel. Vorig jaar was dit pad een doffe ellende toen de regen met bakken uit de hemel viel, een tijdlang moesten we zelfs tegen een stroompje in ploeteren. Nu lopen we door een idyllische vallei. Het paadje kruist geregeld het beekje, vaak over een degelijke bruggetje, maar ook geregeld over een meer geïmproviseerde constructie van boomstammen.

In anderhalf uur zijn we boven. Bij de tempel eten we snel onze lunch op en beginnen dan aan de afdaling. Eerst over een breed, langzaam dalend pad, dan een tijdje over de weg, maar het grootste deel van de route loopt over een klein bergpaadje dat afwisselend steil afdaalt en dan weer lange tijd rond de berghellingen en over bergkammen slingert. Een enkele keer stijgt het pad als er weer een pasje moet worden genomen. Een echtpaar zit te picknicken. Ze wonen vlakbij en zijn nu voor de 5e x dit jaar naar de tempel gelopen. We krijgen elk een lekkere tomaat te eten. Het uitzicht op de met sugi beboste berghellingen is erg mooi. Daarachter zijn de hoogste, nog besneeuwde bergtoppen te zien. Als we het laatste pasje over zijn gegaan, is er weer de laagvlakte, met op de achtergrond de zee. Vlak naast het pad ligt een lange, dunne slang met felgele tekening te zonnen. Hij schiet weg tussen de stenen. Het laatste deel van de afdaling is erg vermoeiend: het pad gaat voortdurend steil naar beneden, met veel los liggend gesteente. Beneden aangekomen hebben we knikkende en vooral pijnlijke knieën.

Over de weg is het dan niet ver meer naar tempel 61. Een bestelautootje stopt, uit het raam krijgen we elk een blikje koffie aangereikt. Helaas koude koffie – zoals hier overal te koop is – en dat vinden we niet echt lekker… We doneren ze later aan een beeld. Kort daarna bereiken we de tempel. We worden er hartelijk verwelkomd, ze herkennen ons van vorig jaar. We krijgen de indruk dat het gastenverblijf hier helemaal niet gesloten is, maar ja, wij hebben al elders gereserveerd, dus nemen we afscheid.

Om 5 uur komen we aan bij ryokan Komatsu (kleine naaldboom). We zien er vele henro’s terug, waaronder de Lachende Boeddha. Hij deelt goudkleurige osame-fuda’s uit. Het avondeten heeft voor ons geheel nieuwe gerechten in petto: Het hoofdgerecht is een soort fondue met vlees en groenten. En er is ook ‘vleessashimi’: plakjes rauw rundvlees met wasabi en sojasaus. Een henro die we al enkele overnachtingsplaatsen lang hebben gezien, heeft een verrassing voor ons: hij heeft de gastvrouw gevraagd ons enkele speciale rijstballen te geven, die we in de fondue moeten stoppen. Een delicatesse, wordt erbij gezegd. Het is een beetje kleverig en smakeloos. Maar we weten het breed lachend en enthousiast knikkend naar binnen te werken.

De kamer is 6 tatami’s groot, met tokonoma. De ofuro is 1-persoons en is bezet tot na het avondeten. Mels offert zich op als we het aanbod (=opdracht) krijgen met zijn 2-en in bad te mogen. Hij negeert het ½-persoons badje waar inmiddels 10 man in heeft gezeten, rammelt wat met het isolatiedekje op het bad, praat tegen zichzelf – we hebben de ervaring dat we altijd goed in de gaten worden gehouden… – en neemt kort een douche. Ik blijf dankbaar op de kamer achter, profiterend van de onbeveiligde wifi die mijn laptop opvangt.

Op internet – Japan Times – is het volgende te lezen: As of 5 p.m. Tuesday, there have been 408 aftershocks with a magnitude of 5.0 and above, 68 registering 6.0 and higher and five at the 7.0 level or higher, according to the Meteorological Agency, which does not count aftershocks smaller than those with a magnitude of 5.0.

Dag 54: Geen handdoekjes

Op het programma staan 23 kilometer, met bezoek aan 1 tempel. We vertrekken pas om half 9, want na de dienst in de tempel en het ontbijt moeten we nog even de koffers herpakken en weer opsturen. We worden uitgewuifd door het voltallige team. De priester vertelt nog dat hij probeert de pelgrimsroute op Shikoku op de Werelderfgoedlijst geplaatst te krijgen en dat dat ook voor de Camino naar Santiago de Compostella wordt geprobeerd. ‘Come again’, klinkt uit alle monden. En wij zeggen: ‘Ja mata rainen!’
We dalen langzaam weer af via het mooie valleitje, genietend van alle mooie bomen, planten en beelden. Daarna nemen we een volgend pad door de bossen, dat afdaalt naar een volgende vallei. Overal staan bloeiende paarse azaleastruiken. Af en toe blijven we even staan om te genieten van het mooie uitzicht over de Japanse Binnenzee en de grote bruggen. Het is zonnig als we vertrekken en al gauw trekken we onze jassen uit, maar naarmate we verder de laagvlakte intrekken, komt er steeds zwaardere bewolking. We houden het echter droog. We komen steeds meer in het stedelijk gebied van Imabari. We drinken koffie in hetzelfde (dure) koffiehuis als vorig jaar, met een nog even zwijgzame (maar aardige) eigenaar. Een kilometer verder is tempel 59, waar vlakbij een atelier voor het borduren van handdoeken is. Vorig jaar kregen we elk een handdoekje met een door ons uitgezochte tekst erop geborduurd: Fu do shin, geen weg zonder hart. De afgelopen dagen heeft Mels zich al afgevraagd wat hij er dit jaar op zal laten zetten. Ichi go, ichi e heeft hij gisteren besloten: een uniek moment van samenzijn. Maar het fabriekje blijkt gesloten te zijn en het zal dus voor een ander moment moeten zijn… Bij de tempel staat een loophenro de soetra’s te zingen. Mooie stem. Hij had al even naar ons gezwaaid toen we zaten te koffiedrinken: een Japanner met baardje en flamboyante hoed; een zeldzaamheid – en bij het stempelkantoor praten we even met elkaar. Hij vertelt dat hij voor de zestiende keer de tocht loopt. Meestal kampeert hij en als het niet anders kan, neemt hij een ryokan. We durven hem niet te vragen of hij nog een vrouw en huis heeft… Bij het lunchrestaurant even verderop komen we hem weer tegen. We horen hem informeren naar wat er aan ‘service’ is.
Kort daarna komen we langs een atelier in lakwerk. Achter de grote toonzaal is een serie kleine atelierruimten, waar het werk door de grote ramen gevolgd kan worden. Een jongeman is bezig met het lakken van een kom. Veel is er niet te zien: het is een langzaam proces, met vele laklagen.
Door wat heuvelland komen we bij de volgende laagvlakte. Hoog in de lucht cirkelen er weer enkele buizerds. Op het pasje zien we de bergketen aan de andere kant van de vlakte: de 2000 meter hoge toppen nog witbesneeuwd. Morgen moeten we dat bergland intrekken… Onze overnachtingsplaats is aan de overkant van de vlakte en de bergen erachter lijken vlakbij, maar toch doen we er nog bijna 3 uur over om bij de ryokan te komen, lopend langs sawa’s (waar de rijst al aardig volgroeid is), industrie (met de zoveelste betonfabriek) en later door de stedelijke bebouwing van Saijo. Inmiddels is de zon weer doorgebroken en neemt de temperatuur ook weer toe. Op een bankje voor een supermarkt eten we een ijsje. Naast ons zitten 2 dove vrouwen te converseren met gebarentaal. Ze hebben de grootst mogelijke lol. Als we weggaan, worden we hartelijk uitgezwaaid.
Een paar keer worden we van de route afgeleid door henro-route-bordjes die ons telkens doodlopende straatjes inleiden die uitkomen bij Shinto-tempels. Blijkbaar is hier een vrijwilliger aan het werk geweest die houdt van toeristische uitstapjes… Maar al om kwart voor 5 arriveren we bij ryokan Sakaeya, waar we vorig jaar ook al zijn geweest. We krijgen dezelfde kamer: 6 tatami’s groot met kastenwand en tokonoma. Om 6 uur eten samen met 2 henro’s die we al in de vorige overnachtingsplaats tegenkwamen. Op de televisie wordt weer een aardbeving gemeld. Metro- en treinverkeer in Tokyo is lange tijd onderbroken geweest, waardoor in het centrum een file van 1100 kilometer ontstond. Ik geloof dat in heel Nederland de langste – bij elkaar opgetelde – file aller tijden 1100-zoveel kilometer was…

Dag 53: There is time 

Al om 5 uur is het hele huis in rep en roer, want om 6 uur begint de dienst in de tempel. Als we binnenkomen is de tempelruimte al gevuld met 2 rijen dicht opeengepakte bushenro’s, allemaal op de knietjes. Na een gezellig onderonsje – waar de priester ons ook bij betrekt – is er de dienst. De hoogbejaarde gids van de busgroep spoort iedereen voortdurend aan naar voren te komen om zijn deel van het ritueel uit te voeren – wat wierookpoeder op het gloeiende houtskool gooien – waardoor het binnen de kortste keren meer op een wriemelende mierenhoop lijkt. Na het reciteren is er de preek die tot 7 uur voortduurt. Een westers uitziende vrouw komt er een tijdlang bijzitten en maakt opnamen met haar fototoestel, maar we krijgen geen kans haar te spreken; ze is voor het einde van de preek alweer verdwenen.
Bij het ontbijt zegt 1 van de andere loophenro’s dat hij ons eerder gezien heeft: op 2 april in hotel Orenji (Orange). Hij heeft zijn dagboek erop nagekeken. Onze dagtrajecten zijn korter dan die van hem, maar hij gaat na elke 4-5 dagen lopen weer naar zijn huis in Tokyo. Een vrouw tikt me op de schouder. Ook een loophenro, maar bij zware trajecten gaat ze met een busgroep mee: goedkoop en makkelijk, zegt ze. Het uitzicht is dramatisch. ‘s Nachts heeft het weer flink geregend, maar nu schijnt de zon. Grote wolken drijven voorbij;  waar de zon er tussendoor komt, zijn felschitterende, zilvergrijze vlekken op het donkere zee-oppervlak. Wij gebruiken de rustdag voornamelijk voor de gebruikelijke klusjes: wassen, reserveringen maken, mailtjes, belastingformulieren, nieuwe website KLEI… Er is wifi, maar helaas krijgen we het wachtwoord niet. Heet zoiets virtueel internetten?
We weten van de vorige keer dat er een houtoven in de buurt moet zijn en hebben ernaar geïnformeerd na het ontbijt. Korte tijd later staat de lokale potter al op ons te wachten en worden we uitgebreid rondgeleid langs de keramiekovens achter het tempelcomplex. Onder een afdak staat een (relatief kleine) noborigama (een Japanse meerkameroven) – die 1 à 2x per jaar wordt gevuld met keramiek en op naaldhout in 7 uur opgestookt – en een nog kleiner houtoventje. Binnenin zijn atelier staat – tot onze verrassing – een grote, moderne gasoven. Hij neemt ons ook mee naar een houtoven even verderop, waar houtskool wordt gestookt, voor gebruik in de keuken. Zijn huis is nog traditioneel ingericht en hij toont ons de vuurplaats waar het houtskool voor gebruikt wordt, voor de verwarming van het huis en om een ketel boven te hangen. Door de priester, de monniken en allerlei andere medewerkers wordt de hele dag druk gewerkt in het gastenverblijf. Alle kamers moeten worden schoongemaakt en het eten voorbereid voor ‘s avonds. De koffiepauze is in de gang, zittend op de vloer. Wij worden erbij uitgenodigd. De priester vertelt dat hij de noborigama zelf heeft gebouwd. Hij boetseert; zijn bronzen beelden staan uitgestald in de eetzaal en een levensgroot vrouwelijk naakt staat in het trappenhuis. De 89-jarige vrouw en het jonge meisje die vorig jaar zo hartelijk waren, zijn er niet. We informeren naar hen. De oude vrouw blijkt zijn moeder te zijn. Hij vertelt dat zij de plafondschilderingen heeft gemaakt in de grote zaal en ook dat ze vorig jaar 3 maanden lang op haar eentje per schip over de wereld is gereisd. Net als vorig jaar, valt op hoe warm de mensen hier met elkaar omgaan. ‘Deze tempel heeft een warm en liefdevol hart’, zeggen we tegen de priester. Omgekeerd prijst hij onze ‘langzame’ pelgrimstocht, dan is er ook tijd voor ervaren en ontmoeten. ‘You have time…’, zegt de jonge vrouwelijke monnik naast mij. Mels vraagt haar wat ze zoal de hele dag doet als monnik in training – mediteren, bijvoorbeeld? – waarop ze antwoordt: ‘Ik zou wel willen mediteren, maar daar heb ik geen tijd voor. Ik moet werken en daarna ben ik te moe…’ Terug op de kamer vermaakt Mels zich met het Engels-/Japanstalige boekje dat we te leen hebben gekregen van de jonge monnik: een Q&A-list over het boeddhisme. Over de 8 hete en de 8 koude hellen. Met alle mogelijke martelingen levendig beschreven. De hemel bestaat uit eindeloze lessen van Boeddha en ligt 10.000.000.000.000 boeddha-werelden naar het westen. Hmmmm…
Tegen 12 uur eten we wat rijstballen en misosoep in een koude eetzaal. Overal staan de hele dag alle ramen open om goed door te luchten en het is best koud. Halverwege de middag valt er een flinke bui en daarna is er een schitterende regenboog boven de Japanse Binnenzee. Om 4 uur word ik geroepen voor de ofuro. Mels mag niet mee en we worden allebei gecontroleerd: ik of ik wel in bad zit, Mels of hij wel op de kamer zit…  Om 6 uur is er avondeten, nog steeds in een wat koude eetzaal. Buiten waait het flink. De wind fluit om de eetzaal, de hoge bamboe voor de grote ramen zwiept flink heen en weer en op de achtergrond zijn zware, donkere wolken tegen een geelgroenige avondhemel te zien. Het is veel minder druk dan gisteren. We zitten met enkele loophenro’s aan tafel. Erg gezellig. Mels maakt grapjes in het Japans – over ame to mame (regen en blaren; de typering van onze pelgrimstocht vorig jaar) – en legt uit waarom wij deze pelgrimstocht lopen. ‘Kokoro no heiwa (vrede van het hart)’, zegt hij. Als een oudere loophenro vraagt of wij christen of boeddhist zijn, geeft Mels een demonstratie met zijn eetstokjes: wij pikken uit elk kommetje wat we lekker vinden. 
Wij bestellen een tweede sakekruikje, maar we zijn weer eens de laatsten: om kwart voor 7 zitten we met zijn 2-en in een totaal verlaten eetzaal, op 1 loophenro na die een draad zit te rijgen door zijn enorme blaar. We trakteren hem op een borrel. Simply joy is mine If I but slow my pace
Danaan Parry 

Dag 52: Mama-san

Er is regen voorspeld en ‘s ochtends tijdens het ontbijt valt er inderdaad een bui, maar het is al weer droog als we om 8 uur vertrekken. Van de gastvrouw krijgen we elk 2 handdoekjes cadeau. En we worden uitgezwaaid. Er staan 16 kilometer op het programma, met bezoek aan 5 tempels die elk zo’n 3 kilometer van elkaar verwijderd zijn, waarbij we slapen in de laatste. Het traject loopt door het stedelijk gebied van Imabari, naar het oosten en zuidoosten toe, maar grote delen ervan gaan over beboste heuvels en langs sawa’s.
Het is een makkelijk programma en – zoals elke dag – nemen we de tijd om af en toe een praatje te maken. Zoals bij de eerste tempel – tempel 54 – met een 87-jarige man; elke dag komt hij hier, de vele trappen met hobbelige treden trotserend. In het stempelkantoor toont de monnik een mooi houten beeldhouwwerkje: 2 schildpadjes op een grondoppervlak van donker, glad gepolijst hout. Versteend hout, vertelt hij erbij. Een klein stukje van hetzelfde versteende hout doet hij cadeau. In het kraampje ernaast informeren we naar een plastic regenkapje voor mijn henrohoed, want gisteren is het mijne stiekem weggewaaid in de harde wind. Die zijn niet los te koop, maar we krijgen wel 2 sinaasappels cadeau. We eten ze gelijk op en maken een praatje. Onderweg naar de volgende tempel, moeten we een kleine heuvel over en dan over een honderden meters lange begraafplaats weer langzaam het volgende dal in. Vlak voor de heuveltop horen we een snel dichterbij komend onweer. Een café zou leuk zijn, maar ja, daar is de omgeving niet naar… Al voor we het eind van de begraafplaats hebben bereikt, begint het flink te regenen. We schuilen onder een afdak, in het eerste straatje dat we daarna tegenkomen. Schuin ertegenover komt een vrouw net thuis en vraagt of we soms mee naar binnen willen. Tegelijk met enkele harde donderslagen schieten we door de geopende tuindeur de tuin en dan het huis in. Ze komt met zitkussens aanzetten, zodat we onze schoenen niet uit hoeven te doen en in de hal kunnen gaan zitten, op de grens van schoenen en sloffen. En even later is er koffie. Gezellig! Wij geven Delftsblauwe klompjes en visitekaartjes. Het is al bijna droog als we vertrekken.
Bij tempel 55 was vorig jaar een grote verbouwing aan de gang. Van de monnik in het stempelkantoor horen we dat in november de inwijding was. Buiten bij de hoofdtempel hangt een fotoreportage ervan. Een oudere monnik – die we vorig jaar hebben ontmoet – komt met 2 cakejes aan en een Duits boek over de henrotocht. Of we daar iets in zouden willen schrijven. Het hele boek blijkt vol te staan met buitenlanders die de pelgrimstocht hebben gelopen, waaronder verschillende Nederlanders. Ook wij schrijven erin. De regen blijft zachtjes aanhouden, maar ik heb geen zin mijn paraplu op te steken; dat geeft wat teveel last met mijn schouder. Plotseling hoor ik achter me roepen. Een man komt luid gebarend met een paraplu aanlopen. Ik wijs op het pluutje dat aan mijn rugzak hangt, maar dat maakt geen verschil. Even later loop ik toch met zijn plu boven mijn hoofd. Resistance is futile…
Bij tempel 56 rusten we een tijdje uit op de bankjes onder het afdak bij het stempelkantoor. We eten onze voorraad koekjes en snoepjes op die we de afgelopen tijd hebben gekregen. Het is een beetje koud, maar gelukkig waait het niet. De monnik stempelt de boekjes; links en rechts van hem ligt een klein, wit hondje, elk op een zitkussentje. Net de waakhondjes die de ingangen flankeren bij Shinto-tempels. We zwaaien bij het weggaan. Langs een wat grotere en drukkere weg vinden we tegen 1 uur eindelijk een lunchrestaurant. De gastvrouw komt een praatje maken. Ze vindt alles wat we doen geweldig. Als we het routeboekje laten zien, besluit ze ons de weg naar de volgende tempel uit te leggen. Mels zegt, dat dat niet nodig is, we weten de weg. Maakt niet uit. ‘Ze nemen verdomme ook altijd alles over’, zegt Mels. ‘Net je moeder?’, vraag ik. Bijna 2 uur later – we zijn haar inmiddels wat Nederlands aan het leren – dringen we erop aan nu toch eindelijk te vertrekken. We herpakken onze spullen een beetje, want de jassen mogen voor het eerst in tijden wel weer aan. Zij komt met 2 handdoekjes aan. Ichi go, ichi e heeft ze erop geschreven: een uniek moment van samenzijn. Dankjewel. Ze blijft lang, heel lang nazwaaien.
Al snel zijn we bij tempel 57. In een winkeltje vlakbij vind ik toch nog een nieuw plastic kapje voor mijn hoed en daarna gaan we op weg voor het laatste traject. De regen is inmiddels opgehouden en de zon breekt door. Het is meteen een heel stuk warmer. Eerst lopen we tussen wat sawa’s door, later over een pad door de bossen en langs wat stuwmeertjes met mooie, zanderige oevers in okertinten. We moeten een paar honderd meter stijgen voor de volgende tempel. Als het pad de gewone weg kruist, blijft een auto staan. Een man met een groot, ouderwets fototoestel komt eruit. Of hij een foto van ons mag maken? Uiteraard. Hij wil ons graag met wat bloemen op de achtergrond fotograferen, maar die zijn er niet, dus gaan we maar bij een routebordje staan. Kort daarna houdt het pad op en gaat het via de weg verder omhoog. Een auto stopt. Een man die we kort even gezien hadden bij de vorige tempel, komt ons achterna rennen en stopt ons een grote mandarijn en 500 yen in de hand.
Als we wat verder zijn doorgelopen, is daar weer die man met zijn fototoestel. Of we toch nog even willen poseren, want hier zijn volop bloeiende struiken die een leuke achtergrond vormen. Eerst gaan we samen met een roodbloeiende camelia op de foto, dan met enkele paarsbloeiende azaleastruiken waarmee de berghellingen hier mee bezaaid zijn. Kort daarna komen we bij de poort van tempel 58, maar daarna is het nog een hele klim naar de top van de berg, door een idyllisch valleitje, over een paadje langs een kabbelend beekje. Overal staan rododendrons, waarvan er enkele al in bloei komen, en groenbladige Japanse esdoorns, met teergroen blad en zachtrode bloemknopjes. Hele oude bomen zijn er ook. Indrukwekkend. Kwart voor 5 komen we in het eigenlijke tempelcomplex. We voeren nog de rituelen uit en melden ons dan bij het gastenverblijf. Voor de ingang staat in de mooie kleine tuin een treurkers, nog volop in bloei. Het uitzicht op de Japanse Binnenzee en de grote bruggen die Shikoku met Honshu verbinden, is wat belemmerd door de bewolking.
We krijgen dezelfde kamer als vorig jaar: 12 tatami’s groot met halletje en kastenwand/tokonoma. En uitzicht. We zullen hier 2 nachten blijven, dus onze koffers zijn er ook weer. De eetzaal puilt uit; er is ook een groep bushenro’s aangekomen. Wij zitten aan tafel met enkele loophenro’s en de buschauffeurs. ‘s Avonds oefent een groep volwassenen en kinderen karate onder leiding van de priester.

Dag 51: Joyfull

Het zat nog wel in ons geheugen hoe goed het eten was in deze ryokan, maar wat we ons niet meer herinnerden, was hoe smerig het hier was… ‘s Nachts probeer ik niet tegen de muur aan te liggen waar vele druipsporen langs lopen, en ‘s ochtends tijdens het douchen probeer ik ver verwijderd te blijven van de wand die van bad tot plafond beschimmeld is. En het is nog een van de duurste overnachtingsplaatsen ook…
Om half 8 bel ik via Skype met Swanica. We praten onder meer over Mashiko, het pottenbakkersdorp ten noorden van Tokyo dat zwaar getroffen is door de aardbeving. Bijna aan het eind van onze reis zullen we er een bezoek aan brengen en we praten erover hoe we het dorp zouden kunnen helpen. Om half 10 vertrekken we met bewolkt weer voor een tocht van 20 kilometer, eerst verder naar het noorden, dan naar het oosten, langs de noordkant van Shikoku. Via een pasje snijden we een landtongetje af en na door wat bebouwing te zijn gelopen – met koffie in een restaurant waar we elk een gekookt ei en wat sinaasappelschijfjes bij krijgen – komen we weer langs de zee, nu langs de drukke route 196, de meeste tijd met een goed voetgangersgedeelte. Er staat een straffe, frisse zeebries waar we ons tegenin moeten worstelen. Schuimkoppen staan op het water. We lopen inmiddels langs de Japanse Binnenzee, een druk bevaren route tussen Honshu en Shikoku. Vanuit de verte lijkt de eindeloze bergketen van Honshu een onbewoond eiland. We lunchen in een restaurant aan zee, waar we vorig jaar ook al zijn geweest. Af en toe vliegt er een aalscholver voorbij, soms wat meeuwen. We zien hier ook weer buizerds. We zijn blij als we weer tussen wat bebouwing door lopen, ook al houden we de wind flink tegen. Kikuma is bekend vanwege zijn dakpannenfabriekjes. We lopen door de kleine straatjes, in de hoop een fabriekje te kunnen bekijken. Maar het is zondag en alles is uitgestorven. Overal staan pallets met opgestapelde dakpannen en hier en daar zijn display’s met het assortiment aan producten. We ontdekken dat de gebruikte klei eigenlijk rozebakkend is en dat er een matzwarte sinterengobe gebruikt is.
We komen steeds meer in een havengebied terecht, met grote scheepswerven, een enorme olieraffinaderij en dorpjes die in het niet lijken te vallen bij de grote hijskranen op de achtergrond. Om half 5 komen we aan bij Hotel New Sugano in Onishi. De kamer heeft 2 1½-persoons bedden en een zitje, plus badkamer. De hartelijke gastvrouw beveelt de grote ofuro aan, we kunnen er met zijn 2-en in. En voor de zoveelste maal tijdens deze reis zitten we 3-dubbel opgevouwen met zijn 2-en in bad… Maar het hotel is schoon en niet duur.
Eten is er niet bij, dus we lopen een halve kilometer terug op onze route voor steak met friet bij Joyfull, een soort Japanse McDonalds, maar wel met het aantal calorieën op het menu vermeld bij elk gerecht. Een druk bezocht familierestaurant met héél veel kinderen. Daarna – met volle maan – weer een halve kilometer lopen naar het hotel. Goed voor de calorieën…
We zijn best wel moe – door het worstelen tegen de wind in, maar ook door het gedruis van het drukke verkeer de hele dag lang – maar lang niet zo moe als gisteren…

Dag 50: Wuiven naar Maria

Het is bewolkt als we om 8 uur op stap gaan. Er staat een tocht van 22-23 kilometer op het programma, met bezoek aan 2 tempels. Een groot deel van de dag zullen we verder trekken door Matsuyama, eerst naar het westen, dan naar het noorden ervan. We worden voortdurend gedag gezegd, of mensen zwaaien vanuit de verte naar ons. En dat voor een stad met een half miljoen inwoners! Op een 4-5-verdiepingen hoog gebouw, vlakbij een kerkgebouw, staat een groot, wit Maria-beeld. Mels zwaait naar haar. Maar ze staat met de rug naar ons toe. Wel wuift een toevallig passerende bus vol vrouwen terug.
Na anderhalve kilometer vinden we een bakker met koffiehoek. Geen wifi. We blijven evengoed een uur hangen en ontbijten met diverse interessante broodjes. Buiten regent het kersenbloesem. De wind dwarrelt de blaadjes rond. Hier en daar is het plaveisel getooid met een tapijtje van afgevallen bloemblaadjes; in kleine riviertjes dabberen tapijtjes op en neer. Een tijdlang lopen we op een stoep lange een drukke 4-baans weg. Door industriegebied, langs grote winkels en af en toe wat woningen. We lopen al een tijdje naar het noorden, als er bij een splitsing eindelijk een bord komt met wegnummers. We blijken veel te ver naar het noorden te zitten, vlakbij tempel 53, terwijl we tempel 52, ten westen ervan, nog moeten bezoeken. Gek genoeg hebben we onderweg toch af en toe een rode pijl van de henro-route-aanduiding gezien, steeds ‘rechtdoor’ wijzend…
We maken een doorsteek naar het westen, via kleine weggetjes langs sawa’s en andere akkertjes. Af en toe is er een woonwijk. In een meertje steken allemaal kleine kopjes uit het water: schildpadden, opgeschrikt door ons voorbijgaan. Bij een schuurtje, vlakbij een sinaasappelboomgaard, zit een bejaard echtpaar in de berm. Ze beduiden dat we uit een kratje wat sinaasappels mogen pakken. Wij geven osame-fuda’s. En nemen foto’s. Ze schaterlacht. Hartelijke mensen. We zwaaien. Vlak voor tempel 52 moeten we toch nog wat stijgen. En na het poortgebouw loopt de weg nog verder omhoog en daarna komen er nog wat trappen. Een winderig tempelcomplex. Terwijl ik naar het toiletgebouw loop, komt Mels in gesprek met een andere loophenro. Een sportleraar op een middelbare school in het getroffen gebied. Met een erg onzekere toekomst. Hij loopt, desondanks of juist omdat?
Als we weer naar beneden afdalen, leggen we aan bij een kleine theetuin. Er is helaas geen lunch, wel koffie met koekjes. En het is er erg gezellig, met andere bezoekers, waaronder 2 autohenro’s, en de beide gastvrouwen. De bejaarde vrouw en haar dochter zijn uiterst hartelijk. Als ze horen dat we in keramiek geïnteresseerd zijn, opent de dochter de binnenveranda. Het blijkt een winkeltje met kleding, tasjes én keramiek. Ik koop een klein onderzettertje (8 euro!) dat van hetzelfde materiaal is gemaakt als de dakpannen in Japan: matzwart gesinterde keramiek. Via een 2-baans weg lopen we weer naar het oosten voor een bezoek aan tempel 53. Al lopend eten we wat cake-achtig brood, om geen tijd meer kwijt te raken aan de lunch. In een rivier zie ik weer allemaal schildpadden, zonnend op wat stenen die uit het water steken. De weg voert enige tijd door een industriegebied met betonfabrieken en andere zware industrie. Plotseling schiet er een kastanjebruine Japanse marter over de weg en verdwijnt tussen het hoge gras.
Bij tempel 53 rusten we even uit op een bankje. Het is 3 uur en we moeten nog 11 kilometer. Ik herinner me van vorig jaar dat het laatste deel van deze dagtocht erg vervelend was, lopend op een overdekte goot met schots en scheef liggende dekplaten, die bovendien voortdurend op en neer ging vanwege alle inritten bij huizen en bedrijven. ‘Maar vorig jaar moesten we 8 kilometer verder lopen voor onze overnachtingsplaats’, zegt Mels. ‘Daarom waren we zo moe aan het eind van de dag. Ik heb nu een ryokan uitgezocht die veel dichterbij ligt. En deze keer lopen we ook een andere route, langs de zee.’ Ik ben dankbaar. Vanaf tempel 53 voert de drukke weg al snel weer langs de zee, deze keer langs de noordwestelijke kust van Shikoku. Lange tijd loopt de weg direct langs het water, op zo’n 10 meter hoogte. Op het water drijft een dichte drab van bruin zeewier en groene algen. Een blauwe reiger is aan het pootjebaden. Af en toe komt er een aalscholver of een meeuw voorbij vliegen. In de mistige verte zijn eilanden te ontwaren, en schepen, klein en groot. Vaag is het ronken van scheepsmotoren te horen. Het is een mooie weg, zo langs de zee.
Daarna loopt de weg wat verder van de zee af, langs scheepswerven en andere industrie, soms een restaurant of een hotel, later steeds meer langs huizen. Het is moeizaam lopen. Voortdurend moeten we hinken, stappen of springen over richels, schuinliggende dekplaten, gaten en gootjes. En dan ook nog het drukke verkeer in de gaten houden. Het is een kunst om niet te vallen, vooral als je ook nog voortdurend iedereen gedag wilt zeggen. Boeddha mag vele gezichten hebben, er zijn vandaag ook vele mogelijkheden om te struikelen op het pad naar Verlichting! Naarmate de kilometers (heel langzaam) vorderen, krijgen we toch het gevoel dat we dit allemaal eerder gezien hebben. Op en neer gaat het, langs vele, vele inritten, telkens maneuvrerend over schots en scheef liggende dekplaten. We nemen nog maar eens een ijsje bij een supermarkt. (Ik kan zo onderhand geen ijs meer zien…) Geen bankje te bekennen, dus we lopen maar door of hangen een enkele keer tegen een hek aan. ‘Als de weg even naar links en dan naar rechts gaat, dan zijn we er’, zegt Mels. Was dat vorig jaar ook al niet zo? De weg duurt eindeloos. Kloppen de kilometers in het routeboekje wel?
En ja, dan komen we toch heel langzaam tot de conclusie dat we dezelfde overnachtingsplaats hebben uitgezocht als vorig jaar. Ik kreun, want ik herinner me dat we in de ryokan zelf ook nog eens 2 trappen op moeten… We zijn erg moe – waarschijnlijk vooral door het moeizame lopen, het voortdurend moeten opletten – en onze voeten doen behoorlijk pijn; mijn schouder ook steeds meer sinds de valpartij enkele dagen geleden. Bij een supermarkt zit een jongen op een brommer, te wachten op zijn vrienden. Hij grijnst breed: ‘Good luck!’ En steekt een duim omhoog. Dat geeft weer wat energie!
Om 5 uur zijn we er dan toch: ryokan Ota-ya (vet rijstveld). De voorzijde versierd met allemaal witte lampionnetjes. De gastvrouw kent ons nog en we krijgen dezelfde kamer: 2 1-persoonsbedden, 1 stoeltje en tafeltje, badkamer met wc. Als Mels informeert naar wifi, krijgen we niet alleen een wachtwoord, maar ook een klaptafeltje met -stoeltje voor de laptop. Bij het eten ontmoeten we 2 vrouwelijke loophenro’s. Een van hen heeft ons eerder gezien: de rugzakkers met tulp, in de zithoek van het stempelkantoor bij tempel 12. Ze vertelt dat ze haar voet heeft moeten laten behandelen in het ziekenhuis en morgen naar huis gaat. De andere vrouw doet niet alleen de 88-tocht, maar neemt ook de bangai-tempels erbij. Ze eindigt bij Otakiji, bangai nr. 20, want dat is een niveau hoger dan tempel nr. 1, volgens haar. Ze heeft ook een verhaal over tempel 36, die getroffen zou zijn door een tsunami, maar dat zou gebeurd moeten zijn een dag voordat wij die tempel bezochten. Daar hebben wij helemaal niets van gemerkt. We snappen er niets van…

Dag 49: Een zak vol goudbrocaat

Er staan 17 kilometer op het programma, met bezoek aan tempel 47 tot en met 51. Het is bewolkt als we om 10 voor 8 vertrekken. Langs tempel 46 vervolgen we de pelgrimsroute, die hier langs sawa’s en andere akkerlandjes voert, met hier en daar wat huizen. Af en toe is er een uitbundig bloeiend koolzaadveld. Het is stil. Tempel 47 is slechts een kleine kilometer verder. Een kawai (schattige) tempel, met op de achtergrond Matsuyama, de grootste stad op Shikoku, uitgestrekt in het laagland langs de zee. We vinden op het tempelterrein ook een bouwseltje in de vorm van 2 tunneltjes. De ene tunnel verbeeldt de hel. Op de muren staan heftige schilderingen. Het pad bestaat uit scherpgepunte, rechtopstaande steentjes, die vlammen moeten voorstellen. De andere tunnel is uiteraard de hemel. Ik wist niet dat het boeddhisme hemel en hel kende? Onder de hoofdtempel is er bovendien een catacombe-achtige ruimte met duizenden zittende boeddha(?)-beeldjes. Vanaf tempel 47 lopen we steeds verder de stad in. We passeren verschillende andere tempels, Shinto en boeddhistische bangai. Bij een huis zien we een hele binnentuin vol met grote zuilcactussen. Daar valt weinig meer in de tuin te kuieren. Hier en daar is een rijstveldje dat al bijna tot volle wasdom is gekomen. Vroege rijst?
Bij tempel 48 rusten we even op een bankje bij de poort, naast een postbus voor haiku-post. Op weg naar tempel 49 passeren we een grote brede rivierbedding. Geen spoortje water te zien. Is het zo droog geweest de laatste tijd? Aan de overkant van de rivier ligt een groot golfterrein. Enkele mannen slaan op kleine, geheel omgaasde veldjes een balletje. Een van hen herkent ons: we zijn elkaar gisteren tegengekomen! Het autohenro-echtpaar in de rest hut? We komen ook langs een ziekenhuis. Achter enkele ramen is een gezicht te zien. We zwaaien. De wereld van de gezonden en de wereld van de zieken. Twee gescheiden werelden…
Even later is er een restaurant. Net & coffee staat er op een uithangbord. En ja, met een wachtwoord kunnen we prima wifi ontvangen. Eindelijk even de blog uploaden. Er is regen voorspeld voor vanmiddag, maar we zijn meteen het hele weerbericht vergeten. Anderhalf uur blijven we hangen, koffie- en lunchpauze aaneenrijgend. Bij het weggaan krijgen we van de medewerksters elk een zakje koekjes. En we worden hartelijk uitgezwaaid. Langzamerhand komen we steeds meer in de bebouwde kom van Matsuyama. Lange tijd lopen we op een drukke 2-baansweg waar geen enkele uitwijkmogelijkheid is voor voetgangers. Erg vervelend lopen. Vlak voor tempel 49 houdt een man ons staande. Hij houdt een lang verhaal in het Japans. Het enige wat we begrijpen is dat het beeld van Kukai is verdwenen uit de tempel. Hij blijft praten, maar na het verhaal enkele keren gehoord te hebben, nemen we afscheid. Op het tempelcomplex staan uitbundig bloeiende kersenbomen in mooie treurvormen. Bij de hoofdtempel geeft een vrouw me een osame-fuda van goudbrocaat; 114x staat er achterop. Ze roept een andere vrouw erbij, die geeft een goudkleurige osame-fuda. Ik geef visitekaartjes. De eerder ontmoette man komt er weer bij. Met een blikje bier in de hand. Dronken dus. Hij neemt ons mee langs de tempelgebouwen om te laten zien dat het beeld van Kukai er echt niet is; we proberen beleefd te blijven en na enkele gebouwen nemen we weer afscheid. Maar als we bezig zijn de hartsoetra te reciteren, komt hij er doorheen brallen. We zwaaien hem weer beleefd weg en gaan stug door. Hij gaat bij een zijtempel op de treden zitten wachten. Gelukkig is hij verdwenen als we terugkomen van het stempelkantoor.
Voor tempel 50 moeten we een kleine klim maken. De zon prikt steeds meer door de wolken en het begint warmer te worden, een beetje drukkend. De regen blijft uit. Vanaf het tempelcomplex is er een mooi uitzicht over Matsuyama. Langs het laantje naar de ingang staan aan weerszijden bloeiende kersenbomen in allerlei tinten roze en wit. Maar eigenlijk staan momenteel bijna overal wel bloeiende kersenbomen, waar je ook kijkt. Het is één groot lentefeest. Vlak voor tempel 51 passeren we een rivier, waarin niet alleen gewone karpers zwemmen, maar ook felgekleurde koivissen. Ik strek mijn arm uit boven het water. Meteen begint het in het water te wriemelen. De vissen zijn duidelijk gewend gevoerd te worden.
Tempel 51 is het meest vreemdsoortige tempelcomplex dat we hebben gezien in Japan en deze keer doen we nog wat meer ontdekkingen. Naar de poort toe is er een overdekte galerij met links en rechts souvenirkraampjes, waar je in kunt komen door eerst over een piepklein, rondgebogen bruggetje en vervolgens over wat grote keien te struikelen. De kooplieden prijzen hun waar fanatiek aan, iets wat we normaal niet tegenkomen hier op Shikoku. Eenmaal door de poort is er rechts een fraaie pagode, waar wat beenderen van boeddha in bewaard zouden worden, en een fraai oud gebouw waar wat henro-koopwaar is en ook het stempelkantoor. Op de overdekte galerij ervoor hangen grote, rode lampionnen. Tussen pagode en stempelkantoor staan grote houten rekken met duizenden slingers van gevouwen kraanvogels. Erachter leidt een pad via een rond bruggetje naar een klein museum met enkele tempelschatten – beelden en maskers, schilderingen, een draagstoel en een klein tempeltje om mee te dragen in een processie – en een binnentuin met grote beeldhouwwerken waarin scènes worden uitgebeeld van onder meer een veldslag, een ascetisch leven en een erotisch tafereel. Het leven van boeddha misschien? Tegenover het poortgebouw zijn verschillende tempels, enkele met mooie schilderijen, en ook wat vreemde bouwsels met langgerekte, houten beelden die zo bij de Xenos vandaan gekomen zouden kunnen zijn. En tot onze verrassing is daarachter in de bergwand een tunnel te vinden. We gaan op verkenning. De smalle tunnel – maximaal 2 man breed – blijkt honderden meters lang. Hier en daar is wat verlichting. Elke paar meter staat een klein beeld, een enkele keer zelfs een metershoog beeld. We komen aan de andere kant van de berg uit. Voor de uitgang staat een vreemdgevormde rots. In de omgeving staan metershoge beelden. Er blijkt vlakbij een wat verwaarloosde tuin te zijn. Met nog meer grote beelden. Vreemde beelden, zoals een mensfiguur met een wat laag geïmplanteerd olifantshoofd. Er staat ook zwart bamboe (met zwarte stammen), dat we wel vaker zien in Japan. Achterin de tuin is een groot, bolvormig, goudkleurig paviljoen, ondersteund door enorme, goudkleurige leeuwen. Erbinnen blijken honderden langgerekte, houten beelden te staan, met ertussen roodpluchen fauteuils.
Als we weer zijn teruggekeerd op het tempelterrein en de rituelen hebben uitgevoerd, lopen we naar de linkerzijde van het poortgebouw. Het brede pad is aangeharkt in spiraalvormige cirkels. Even verderop staat een groot vierkant gebouw, ook met allerlei vreemde architectonische elementen en met grote Thaise teksten, en ertegenover een soort openluchttheater met decorstukken in de vorm van grote olifanten. Het is een sfeervol, maar ook vreemd tempelcomplex, waarvan je je afvraagt wat voor fantasieën de leidende priester heeft. Het is nog een paar kilometer verder naar onze overnachtingsplaats, over de drukke 2-baansweg. We komen uit bij de Dogo Onsen, het oudste openbaar badhuis in Japan, maar liefst 3000 jaar oud. Voor het fraaie, oude gebouw flaneren mensen in yukata. Het ene groepje in blauwwit, een ander groepje in donker- en lichtgroen, een derde groepje in gele tinten, afhankelijk van het hotel waar ze logeren. Elk hotel deelt zijn eigen kleuren yukata’s uit. Iedereen loopt met een piepklein mandje, waarin je je persoonlijke spullen kunt bewaren als je naar de onsen gaat. Ik vraag een groep mannen in yukata te poseren voor een foto. Geen enkel bezwaar.
Via de overdekte winkelpassage tegenover de Dogo Onsen lopen we naar onze overnachtingsplaats. Leuk, dat ons hotel in deze levendige buurt ligt, zeggen we tegen elkaar. Maar we moeten toch nog iets verder lopen… en komen in de rosse buurt terecht, langs neonreclames als ‘Sexy Gals Theater’ en mannen in pakken die mannelijke automobilisten aanroepen om ze in hun besloten clubs binnen te loodsen. Maar Business Hotel Sakura – waar we om half 6 aankomen – blijkt toch een serieus hotel. De kamer heeft 1 2-persoons bed, zitje en bureau, een wc, een badkamer, een wasmeubel en een halletje. Helaas geen wifi. ‘s Avonds gaan we uit eten tegenover de Dogo Onsen – die mooi is verlicht, met bovenop een roodverlichte ruimte waarin een grote trom, en er helemaal bovenop een grote witte zwaan – en flaneren daarna nog wat door de overdekte winkelpassages. Verschillende winkels blijken grote verzamelingen Tobe-keramiek te herbergen: een wat volks, beetje dikwandig keramiek, voornamelijk met blauwe tekening op witte ondergrond. Enkele theekommetjes kosten zo’n 250 euro. We lopen er niet echt warm voor. Vlakbij het kleine, oude, stationnetje – een fraai houten gebouw in Victoriaanse stijl – vinden we een café, dat weliswaar geen cappuccino, maar wel koffie met opgeklopte warme melk heeft. Vanuit het hotelraam op de vijfde verdieping hebben we een mooi uitzicht over het nachtverlichte Matsuyama.

Dag 48: Lopen met compassie

Al om kwart over 8 zitten we op een klein muurtje (beetje fris, ondanks de zon) bij het akkerlandje waar we 2 dagen geleden een wifi-signaal opvingen. Even snel e-mails versturen en ontvangen voor we vertrekken voor onze dagmars. Een mailtje van Swanica, die voor ons een uitgebreid programma heeft voorbereid in het plaatsje Mashiko. Samen met Euan zou ze ons rondleiden langs verschillende keramisten. Ze bericht dat er borstkanker is geconstateerd bij haar. Klote. Ze is in mijn gedachten als ik loop, net zoals ik andere mensen over wie ik zorg heb, in gedachten meeneem tijdens mijn pelgrimstocht. Ook de slachtoffers in Japan. Lopen met compassie. ‘Eén weg, twee mensen’, is het credo voor de Shikoku-pelgrimstocht. Daarmee wordt bedoeld dat Kukai in gedachten meeloopt. Maar voor mij heeft deze tocht, dit credo een nieuwe dimensie gekregen sinds de ramp. Lopen met aandacht. Lopen met compassie.
Ik moet denken aan een film (ik weet de titel niet meer) die ik eens zag over het Iberisch Schiereiland dat afgebroken was van Europa en richting Atlantische Oceaan dreef. Enkelen beginnen een tocht (ik weet niet meer waarom) over het Iberisch Schiereiland, verschillende mensen sluiten zich bij hen aan. Soms is er vrolijkheid, soms is er ernst. Maar vooral is er een surrealistische sfeer en ook een gevoel van doem op de achtergrond. Het typeert naar mijn gevoel onze tocht deze keer. Rond 9 uur vertrekken we voor een dagtocht van 18 kilometer, inclusief een pas en bezoek aan 1, misschien 2 tempels. Even verderop kopen we een sushi-lunch. We vragen of de Starbuck’s koffie uit de koeling opgewarmd kan worden, maar dat is niet mogelijk. Wel kunnen we een pakketje instantkoffie met kartonnen bekertjes, melk en suiker kopen en in het hoekje bij de geldautomaat heet water tappen uit de waterkoker.
Rond 10 uur gaan we dan eindelijk echt op weg. We volgen eerst route 33 die over een afstand van 7 kilometer langzaam 200 meter stijgt tot een pas op 702 meter hoogte. Op verschillende berghellingen vindt op grote schaal houtkap plaats en ook zijn er enkele grote steengroeves waarbij een heel stuk berg afgegraven wordt. Halverwege trekken we onze fleecejacks uit en terwijl we daarmee bezig zijn, worden we ingehaald door 2 henro’s. Ze zijn erg geïnteresseerd. De een (hij spreekt een klein beetje Engels) loopt de tocht voor de 3e keer; de ander heeft de tocht 205(!)x gedaan, meest per auto en 2x te voet. Hij is ermee begonnen toen zijn vader 10 jaar geleden ziek werd. Hij geeft ons 2 goudbrocaten osame-fuda’s, waar achterop het getal 205 staat. Wij geven – een beetje timide – elk een witte osema-fuda terug. En visitekaartjes. We zien elkaar later weer als we allemaal even uitrusten bij een rest hut. Er komt nog een autohenro-echtpaar bij. Het is een gezellig bijeenzijn. Mels laat zijn Japanse lessen op de i-pad zien.
Als we weer verder lopen, zegt Mels: ‘Er was een fijne sfeer, eens geen mannen-gedoe.’ Wat is mannen-gedoe? We horen vaak andere henro’s vertellen hoeveel kilometer ze per dag lopen (Wel 40? Dan wordt er geapplaudisseerd!) of hoe vaak ze al de pelgrimsroute hebben gedaan (Het geeft status een goudbrocaten osame-fuda weg te geven, dan laat je ook zien dat je hem al minstens 100x hebt gedaan.). (Bij de vele vrouwelijke loophenro’s die we dit jaar tegenkomen, zul je dat soort opschepperij nooit tegenkomen overigens.) Maar dat is meer een kinderlijk soort opscheppen, hoewel we allebei soms wat moeite ermee hebben. (Het is toch geen race? En wat is de zin van 100 of 200x dezelfde route te gaan?) Maar we voelen allebei aan wat ‘mannen-gedoe’ is: hanengedrag dat denigrerend is naar ons toe of naar anderen. Kort daarna bereiken we de pas. Aangezien de weg vanaf hier zo’n 20 kilometer de (voor ons) verkeerde kant uit gaat, nemen we hier een paadje dat ons in 3 kilometer zo’n 600 meter lager zal brengen. Een jezuspaadje, het moet wel die naam hebben, aangezien ik, elke keer als ik uitglijd over rollende stenen, wegglijdend bladerdek of gladbemost asfalt, ‘Jezus!’ kreun… Het uitzicht is weer adembenemend: in de diepte ligt het brede dal waar we naartoe moeten, omringd door hoge bergen die zijn bebost met sugi, met hier en daar een toef wit kersenbloesem. Het is er stil, alleen het gezoem van insecten is te horen. In de diepte is er het bruisen van een rivier. We lunchen samen met de andere 2 henro’s die we eerder tegenkwamen in een rest hut aan een klaterend beekje, onder uitbundig bloeiende kersenbomen. Een van hen (degene die wat Engels spreekt) zegt: ‘The nice thing about travelling is meeting other people. I like the company today!’ En zo voelen wij dat ook. Hij leent me zijn staf, dan kan ik met 2 staffen tegelijk sneller naar beneden lopen.
Ik probeer de staf uit, maar even later gaat het paadje al over op een langzamer dalend weggetje en is de staf eigenlijk niet meer nodig. Hij is bovendien 2x zo zwaar als mijn eigen staf en ik houd geen hand vrij om foto’s te nemen, water te drinken of wat dan ook… Mels is zo sportief hem tijdelijk over te nemen. Via nog wat weggetjes dalen we verder het dal in. Ook hier zijn weer veel mooie, oude huizen van hout en leem, met pannendak. Opvallend in deze streek zijn de zwartgeblakerde planken waarmee de huizen zijn betimmerd; blijkbaar is het dichtschroeien van de planken een conserveringsmethode hier.
Bij een huis staat een man naast de reling langs een riviertje. De koffie is bijna klaar, van enkele boomstammetjes zijn stoeltjes gemaakt, een uitbundig bloeiende blauwe regen staat in een pot ernaast. We nemen de uitnodiging graag aan. Zijn zoon blijkt potter te zijn. Als we de koffie op hebben, zegt hij ‘Gambatte!’ Het is niet de bedoeling dat we blijven plakken. Wij geven elk een osame-fuda en worden nagezwaaid. Al voor 3 uur zijn we bij onze overnachtingsplaats, ryokan Cochin-ya, tegenover tempel 46. De kamer is 12,5 tatami’s groot, met kastenwand en (lege en hete) binnenveranda, hal en eigen wc. Nadat we onze rugzakken in de kamer hebben gezet, gaan we de tempel bezoeken. Een fraai, idyllisch tempelcomplex met in het midden een meer dan 1000 jaar oude boom. Na het uitvoeren van de rituelen gaan we even op een bankje in het zonnetje zitten. Wat een verschil met vorig jaar, toen we hier in de stromende regen stonden!
In de ryokan is ook een grote winkel. Terwijl we een ijsje eten, kijken we rond: henro-kleding, henro-tasjes, stempelboeken en -rollen, amuletten (voor alle doeleinden!) en zelfs een speciale henro-stappenteller. Bij het eten om 6 uur is het erg gezellig. We worden getipt dat er komend weekend een keramiekfestival is in Tobe, een plaatsje op Shikoku dat bekend staat om zijn keramiek. Tobe ligt vlakbij tempel 46, maar over 2-3 dagen zitten we weer een stuk verder en we zien geen kans om het in ons loopschema in te passen. We hebben voor de komende week alle overnachtingen al gereserveerd en we willen het lopen niet onderbreken, tenzij in noodgevallen. Jammer, maar helaas. Het Japanse nieuws (met Engelse knop) maakt niet vrolijk:
Het kan 2 tot 3 maanden duren voordat de koelproblemen in de kerncentrale opgelost zullen zijn. Het opruimen zal in ieder geval 10 jaar of langer duren.
Sarkozy komt op bezoek om Japan een hart onder de riem te steken. Een Franse journalist stelt dat er veel overeenkomsten zijn tussen de Franse en de Japanse situatie: Een van de oorzaken van deze ramp, is volgens hem de onderlinge verbindingen tussen de Japanse regering en de energiemaatschappijen. Wij hadden ons al afgevraagd: hoe kan het zijn dat je een kerncentrale bouwt die berekend is op een tsunami is van 8 meter hoog, terwijl je weet dat er regelmatig tsunami’s komen van 30 meter hoog? En iets anders wat we ons ook al afvroegen: Waarom gooien ze er geen beton op? Waar wachten ze op? Is dat om niet toe te hoeven geven dat er gefaald is?
Er is weer een aardbeving geweest vandaag; er zijn weer doden en gewonden gevallen.
Een van de fracties in de gemeenteraad van Tokyo stelt voor de vending machines gedurende de zomerperiode 4-5 uur per dag uit te zetten; 2 vending machines gebruiken evenveel energie als 1 Japans huishouden. Japan is het land met de meeste vending machines per inwoner in de wereld.
Het toerisme is in Japan met 73% gedaald sinds de ramp.
En dan komt er ook nog een nieuwsitem over Tsjernobyl: het is dit jaar alweer 25 jaar geleden dat deze tot 2011 toe grootste kernramp plaatsvond. Op die kerncentrale is 6 maanden na de ramp beton gestort. Maar dit betonnen omhulsel was allesbehalve adequaat. Nu begint het ook nog eens te eroderen. Er lekt steeds meer straling naar buiten. Een nieuw actieplan is opgesteld… maar dat wordt niet uitgevoerd, want er is geen geld…
Ander nieuws is er overigens überhaupt niet op de Japanse tv. Niets over de opstanden in het Midden-Oosten. Wat dat betreft bestaat het isolationisme nog steeds.

Dag 47: Rotsen met pruiken

Nadat we wat broodjes hebben gehaald bij de bakker in het winkelcentrum, gaan we kwart over 8 op pad voor ons bezoek aan tempel 44 en 45, een totale tocht van 22 kilometer. Omdat we aan het eind van de dag weer zullen terugkeren naar dezelfde ryokan, kunnen we onze bagage voor een groot deel thuis laten. Tempel 44 is maar 1 kilometer verwijderd van de ryokan, maar we moeten er wel eventjes voor klimmen. Het hele tempelcomplex, dat zich tot hoog op een berghelling uitstrekt, ademt een mystieke sfeer. Bij de voet van het tempelcomplex staan enorme sugi’s, net als op Kõya-san 1000 jaar oud. Kleine stenen met boddhisattva’s staan er in groepjes bij. Hier en daar ligt een hoopje stenen. Voorbijgangers zoeken een kiezelsteen en leggen die erbij. ‘Ik heb een steen verlegd…’, gaat een gedicht. Na het uitvoeren van de rituelen klimmen we via een paadje verder de berg op. Na het passeren van de pas komen we op de noordelijke route naar tempel 45, die we vorig jaar ook hebben gelopen. Het pad loopt langs sawa’s en door bossen. Steeds gaat het op en neer. Enkele kilometers voor de tempel nemen we een pad dat op de zuidelijke route uitkomt. Een route die over een bergkam loopt; het hoogste punt op 785 meter. We lopen langs diepe afgronden. Soms gaat de bergwand loodrecht naar beneden; een enkele keer lopen we zelfs op een overhangende rots, beneden is het niets… De vergezichten zijn adembenemend: de omringende bergen zijn indrukwekkend.
Kort voor tempel 45 moeten we behoorlijk afdalen. Vorig jaar moesten we juist vanuit het dal enorm klimmen voor deze tempel, maar nu zitten we een stuk hoger. De afdaling is tussen enorme sugi’s en andere bomen. Die moeten ook minstens 1000 jaar oud zijn. Ze doen denken aan de reuzensequoia’s in de Verenigde Staten. We komen langs enkele kleine tempeltjes en tot slot ook bij tempel 45 die onder een overhangende rots gekleefd zit. Als we de rituelen hebben uitgevoerd, komt een man op ons af. Hij geeft ons elk een goudbrocaten osame-fuda, aan de achterkant staat vermeld dat hij de tocht 108x heeft gedaan. We lopen ook nog even de pikdonkere tunnel in de rots onder de hoofdtempel in. Het is er deze keer wel erg donker… Buiten op een bankje in de zon eten we onze lunch op en houden krijgsberaad. We hebben er 4 uur over gedaan van tempel 44 naar tempel 45 – een afstand van zo’n 9 kilometer – en het is inmiddels 2 uur. We wilden voor de terugweg de hele zuidelijke route volgen, maar die is 2 kilometer langer en loopt voortdurend hoog door de bergen. Daarvoor moeten we weer behoorlijk klimmen. We komen in tijdnood. Daarom besluiten we via de noordelijke route terug te lopen, die is ook iets langer, maar ook makkelijker. En het is evengoed een mooie route, over een klein weggetje, langs spichtige, Meteora-achtige rotsen, getooid met pruiken van bomen en struikgewas, en met een uiterlijk waar een gatenkaas jaloers op zou zijn. De ondergrond lijkt hier sterk op de Drentse keileem, vol grote rolkeien. Vervolgens lopen we via het paadje door de bossen, dat we ook al op de heenweg hebben gevolgd. Voor een deel gaat het via route 12, inclusief 2 tunnels, de laatste 621 meter lang en zonder stoep of verhoogde overdekte goot.
Om kwart voor 6 zijn we terug bij de ryokan, de ofuro staat al klaar. We zijn best wel moe. Dat verbaast Mels niet: ‘Weet je dat we vandaag bijna evenveel hebben geklommen als bij de pelgrimshel?’ En ik dacht nog wel dat het een makkelijke dag zou worden, zo zonder rugzak even op en neer naar tempel 45… Uit het internationale nieuws is de tsunami verdwenen; ook de kranten op internet hebben geen apart kopje meer ervoor. Wat iedereen geheel ontgaat, is dat er weer 5 dorpen (gedwongen) worden geëvacueerd (buiten de zone van vrijwillige evacuatie!) vanwege de lekkende kerncentrale, hoewel het woord ‘evacuatie’ de lading niet dekt: de bewoners zullen nooit meer terug kunnen keren naar hun huizen…

Dag 46: Spionnen op pad…

‘s Ochtends kan ik zelfs een warme douche nemen. We ontbijten pas om 8 uur en gebruiken de rest van de dag voor klusjes en internetpogingen. Mels informeert naar een schoenmaker: zijn bergschoenen waren na 400 kilometer voorwandelen al afgesleten onder de hakken en zijn voor ons vertrek nog gerepareerd door de schoenmaker, maar nu zijn ze alweer afgesleten. Een schoenmaker is er echter niet; zowat iedereen loopt hier op sloffen of gympen. Hij besluit voorlopig toch op dezelfde schoenen door te blijven lopen. ‘Nog maar 20 loopdagen’, zegt hij. Maar dat wil ik helemaal niet weten, dat is me veel te snel… Tegen de middag gaan we gewapend met laptop en i-pad de stad in. Eerst even lunchen bij een restaurant even verderop. De rijst met curry blijkt een vieze, bruine brij die veel en veel te zout is. We krijgen er koude udon-soep bij. Het is verreweg de smerigste maaltijd die we ooit in Japan hebben gegeten. De rest van de middag spelen onze magen op. In het restaurant vangen we enkele wifi-signalen op, waarvan 2 onbeveiligd. Maar onvoldoende om veel mails te kunnen binnenhalen of versturen. We gaan naar de bibliotheek, bijna tegenover de ryokan. De schoenen moeten uit bij de ingang. De bibliothecaris wil echter een bibliotheekkaart zien voor we het internet op mogen. Die hebben we uiteraard niet. We kunnen hem wel aanvragen. Mels vult het betreffende formulier in. Maar dan blijkt dat je alleen zo’n kaart kunt nemen, als je een vast woonadres in Japan hebt. De man begint steeds meer te sissen. Hij komt met een roze formulier aan. Of Mels dat dan wil invullen. Maar we snappen niets van het formulier. De bibliothecaris kan nog maar 1 ding doen: ons gewoon achter de laptop van de bibliotheek zetten. Maar… hij heeft nog wel voorwaarden: uiterlijk een half uur, de eigen laptop mag beslist niet op het kabeltje en een usb-stick kan er sowieso niet worden ingestoken. De man gaat steeds méér sissen. De bibliotheek-laptop staat op een tafeltje vlak naast zijn eigen bureau en met kromme tenen zit ik naar het internetkabeltje te kijken. Alle mailtjes en documenten die we hadden voorbereid, kunnen we niet kwijt… We zoeken met de bibliotheek-laptop op internet wat informatie op over de Iya-vallei op Shikoku die we misschien nog willen bezoeken en ik ga nog snel even naar de webmail, maar dan is de tijd al op (ook al zijn we de enige bezoekers…) Maar omdat we henro’s zijn, heeft de man nog wel een interessant boek om ons te laten zien: een boek uit de 60-er of 70-er jaren met wat zwart-wit foto’s en vooral veel Japanse tekst. Helaas kwamen we daar niet voor… Ook bij het gemeentehuis vangen we bot, evenals bij het postkantoor. Iedereen wil heel erg graag helpen, maar helaas.. En een koffierestaurantje vinden we ook al niet. We gaan in een bushokje voor het gemeentehuis zitten in de hoop een wifi-signaal op te vangen. Maar dan is toch echt de accu van mijn laptop leeg… Terug op de kamer blijken er lekkere cakejes te zijn neergelegd. We nemen maar eens een kopje thee. Om 4 uur gaan we nog eens met de laptop op stap, want ik heb ontdekt dat er toch een paar mailtjes zijn verstuurd terwijl we aan het lunchen waren. We proberen verschillende bankjes buiten en binnen in de supermarkt naast het restaurant. Ik loop zelfs de toiletruimte binnen en vervolg dan mijn weg met geopende laptop door de gangen van het overdekte winkelcentrum, bij de bakker naar binnen, dan weer even zittend op de bank voor een artsenpraktijk, dan weer lopend door een andere gang. Mensen kijken ons wat bevreemd aan. Uiteindelijk gaan we weer naar buiten, een straatje achter het winkelcentrum in. We komen tussen huizen en wat kleine groentetuintjes. Op een muurtje, aan de rand van een groentetuintje, zet ik de laptop in het stro. Mijn benen links en rechts van een gootje waardoor snelstromend water loopt. We raken aardig verkleumd. En dán kan ik eindelijk mijn mailtjes versturen… Op de televisie horen we dat door de Japanse regering en het Internationaal Atoomgenootschap de ramp met de kerncentrale is opgeschaald naar categorie 7. Daarmee is het de ergste kernramp uit de geschiedenis van de mensheid…

Dag 45: Doodlopende weg

‘s Ochtends is de kou binnengetrokken op de gang; de mooie ornamenten in de muur zijn een open verbinding met de buitenlucht. We vertrekken om kwart over 8 voor een tocht van 18 kilometer, met enkele passen door de bergen. Buiten blijkt het warmer dan binnen; de zon schijnt. We lopen langs route 380 die steeds steiler stijgt. In de sugi-bossen horen we de motorzagen van de houthakkers. Er is weinig verkeer op de weg; een enkele maal passeert een grote vrachtwagen met oplegger met boomstammen. Slechts af en toe is er wat bebouwing. Opvallend afwezig zijn buizerds; op Shikoku houden ze zich blijkbaar liever bezig met zeevissen (al dan niet met behulp van vissers).
We kopen een extra flesje water bij een vending machine. Koffie zit er waarschijnlijk niet in vandaag, zeggen we tegen elkaar. Al om half 10 komen we bij de shinto-tempel waar het bergpad begint dat we moeten volgen over de eerste pas. We rusten uit op de treden van de hoofdtempel en bewonderen de oude schilderijen die er hangen; eentje beeldt waarschijnlijk de Japans-Russische oorlog uit. Via een steil paadje stijgen we snel omhoog. Af en toe is het even twijfelen bij splitsingen, maar het gaat goed totdat we op een doodlopend weggetje terechtkomen. Boven een kleine vallei vol bloeiend koolzaad is een huis; een man – buiten aan het werk – roept zijn vrouw. Ze staan ons lachend op te wachten. We hadden eerder af moeten slaan, maar we mogen ook door hun tuin lopen, geen probleem. De vrouw komt met 4 citrusvruchten aanlopen en vraagt of ik van het toilet gebruik wil maken. Graag zelfs. Als ik weer buitenkom, staat de koffie klaar, met enorm grote taartpunten, nog warm van het bakken. Met zijn vieren zitten we op het terras in de zon, bij een paarsbloeiende magnolia, uitkijkend over de donker beboste berghellingen. Het leven is goed. De man vertelt dat hij de kost verdient met het enten van boomstammetjes met mycelia van shiitake en met het kappen van sugi’s. Het huis is zo’n 50 jaar oud en ligt op 530 meter hoogte; in de winter ligt er normaal 90 centimeter sneeuw. Een dag eerder is een Fransman langsgekomen. Dat moet degene zijn die wij ook zijn tegengekomen. Later krijgen we ook nog groene thee en zoete bonengebakjes. Wij geven osame-fuda’s, visitekaartjes en Delftsblauwe klompjes. ‘Volgens mij hebben ze stiekem een richtingaanwijzer weggehaald’, zegt Mels. ‘Ze vinden het leuk mensen te verwennen!’ Langzwaaiend lopen we verder, tot we een eind hoger gestegen zijn. Daar staat een man hout te hakken; de broer van de vrouw. Ook daar praten we even mee. Wat een aardige mensen! Via de weg stijgt het nog wat verder, tot we bij een tunnel zijn (710 meter lang; met overdekte goot), daarna daalt de weg langzaam het volgende dal in. De wind kan af en toe aardig koud zijn, maar over het algemeen is het een aangename wandeltemperatuur. Op een bankje gebruiken we de onigiri die we klaar hadden laten maken door de ryokan en we eten ook de heerlijke citrusvruchten op. Plotseling begint er uit luidsprekers hoog boven onze hoofden ‘Edelweisz’ te spelen. Het is 12 uur. Wij deinen mee. Dan horen we een belletje onze kant uitkomen. Een henro die de route tegen de klok in loopt. Hij zwaait enthousiast; is ons al tegengekomen bij tempel 29. Hij toont ons zijn stempelboek: helemaal rood van de stempels! Hij vertelt dat hij de tocht al 120x heeft gedaan! Het wordt niet duidelijk of hij dat elke keer lopend heeft gedaan, wel begrijpen we dat hij 67 jaar oud is en dat hij in ieder geval elk voorjaar de tocht loopt. Hij zet zijn staf naast de mijne: die van hem is veel korter, duidelijk een heel stuk afgesleten. We zijn er een beetje beduusd van. Zwerfhenro’s komen vaak sociaal geïsoleerd over, duidelijk buiten de maatschappij staand. Dat heeft deze man niet. Hij staat middenin het leven en tussen de mensen. We vragen ons af wat zijn verhaal is, maar ons Japans is ontoereikend… Hij geeft een armbandje cadeau, afkomstig van Kõya-san; ik geef hem een visitekaartje; hij een telefoonkaart met info over kakeimon-keramiek. We zwaaien hem lang na. Na de lunch gaan we de volgende berg op, eerst via de weg, dan via een breed bergpad, pas het laatste eindje snel stijgend. Na de pas op 653 meter hoogte, daalt het pad weer snel naar beneden. We wijken nog eenmaal van de weg af, in de verwachting via een paadje een bocht af te kunnen snijden, maar onverwacht moeten we weer klimmen en een pasje over. (En die stond toch echt niet in het routeboekje aangegeven!) Via een breed pad komen we in een dal, waar veel houtverwerkingsbedrijven zijn gevestigd. Het is dan nog maar 1-2 kilometer naar onze overnachtingsplaats, maar het is pas 3 uur en daarom gaan we maar even een ijsje eten op een bankje in de zon, voor een supermarkt. Kort daarna komen we aan bij ryokan Fuegataki in Kuma. Het blijkt een uitstekende ryokan te zijn. We krijgen een aparte vleugel voor onszelf: een kamer van 12 tatami’s groot met grondstoeltjes en een kaptafel met krukje. Maar we hebben ook een eigen ofuro, wc, wasmeubel, wasmachine en een gang vol mooie, antieke spullen. En het is er schoon en netjes! ‘s avonds is het eten heerlijk. We boeken gelijk een nacht bij! Niet alleen hebben we morgen onze rustdag, we kunnen (overmorgen) vanuit deze plaats ook op en neer gaan naar tempel 45. Tot onze verrassing zijn onze koffers ook gearriveerd. Vandaag is het een maand geleden dat de verschrikkelijke aardbeving en tsunami plaatsvonden; de grootste ramp in de geschiedenis van Japan. Op de televisie zijn herdenkingsbijeenkomsten te zien. Er is ook weer een aardbeving geweest vandaag, 7 op de schaal van Richter. De elektriciteit in de lekkende kerncentrale is uitgevallen. Het gebied voor gedwongen evacuatie is uitgebreid naar het noorden toe.

Dag 44: Op onze lippen

Het is mistig als we vertrekken om 8 uur, maar al gauw prikt de zon erdoorheen en wordt het steeds warmer. Met mijn pols gaat het gelukkig een stuk beter. Er staan 27 kilometer op het programma, met sightseeing in Uchiko, een mooi, oud plaatsje. Vorig jaar hebben we vanaf ryokan Furusato de pelgrimsroute verlaten en vanuit Matsuyama telkens alle tempels in de omgeving bezocht, tot en met tempel 51. De komende dagen lopen we dus voor een groot deel door onbekend gebied. We verlaten Ozu in oostelijke richting, langs route 56. Als we de stad met alle industrie achter ons hebben gelaten, lopen we al gauw langs parallelweggetjes door een steeds meer bergachtig wordend landschap. Overal staan kersenbomen in bloei, in allerlei tinten roze en wit. Hier en daar is ook het felgeel van de forsythia of het wit, rose, paars of rood van de magnolia. Het blad van de Japanse esdoorns begint uit te lopen in tere tinten roodgroen. Langs de weg staan grote groepen uitbundig bloeiend koolzaad, het geel soms gemengd met het paars van judaspenning of het blauw van maagdenpalm. En overal vliegen vlinders, in allerlei kleuren en afmetingen.
Al gauw wijken we van de weg af en volgen een tijdlang een fraai pad door de bossen en langs een moerasje. We zien regelmatig wroetsporen en pootafdrukken van wilde zwijnen op het pad. Als we – samen met 2 Japanse loophenro’s – de bewoonde wereld weer inlopen, is er nergens meer een merkteken van de pelgrimsroute te vinden. Na veel vragen vinden we onze weg. We komen in Uchiko, een plaats rijk geworden door de productie van papier en was (van de besjes van de wasboom), met goed bewaard gebleven koopmanshuizen uit de 18de en 19de eeuw. Een van de loophenro’s loopt helemaal met ons naar de andere kant van de plaats om ons het beroemde Kabuki-theater te wijzen. We nemen uitgebreid de tijd om binnen rond te kijken en daarna bezoeken we ook nog allerlei andere huizen en tuinen in het plaatsje. (Schoenen uit, schoenen aan, schoenen uit, schoenen aan…) Bij een restaurant lunchen we snel (pilav met stokjes!), want de tijd begint te dringen. Het is al 1 uur en we hebben nog maar 4 uur voor de ‘laatste’ 20 kilometer als we om 5 uur binnen willen zijn. Maar eerst lopen we nog wat verder door het mooie plaatsje. Een man komt op ons af. Hij is leraar en heeft 3 jaar in Utrecht gewoond: ‘Goedemiddag!’ Na nog wat omtrekkende bewegingen rond het ingewikkelde verkeersstelsel buiten de dorpskern, komen we eindelijk weer op onze looproute. Nog minder dan 4 uur over… Het is erg warm in de zon, maar we vorderen gestaag. We volgen route 379 naar het oosten; de weg golft langzaam op en neer, maar stijgt gemiddeld genomen ook gestadig, steeds verder het berglandschap in. De weg loopt langs een snelstromende rivier, door mooie valleien. Viermaal is er een tunnel, maar altijd met stoep. We komen nog langs en door verschillende andere plaatsjes. Uchiko staat dan wel bekend vanwege zijn mooie huizen en is daardoor een toeristische trekpleister geworden, maar deze plaatsjes herbergen ook tal van mooie, oude huizen. Het is duidelijk een welvarende streek. Langs de weg zien we ook een heel modern huis, met als basis 2 oude silo’s, een erg fraaie combinatie van modern en oud. Als we even rusten bij een rest hut middenin een gehucht, komt een vrouw 2 grote sinaasappels brengen. Helaas zijn ze niet lekker…
Het laatste stuk gaat langs de smalle en soms wat drukke route 380, langs een zijrivier, steeds verder stijgend. De zon is uit het dal verdwenen en de kilte van de bergen trekt op. De laatste kilometers lopen we zowat op onze lippen. Ik krijg visioenen van een ongeruste ryokaneigenaar die met de auto naar ons op zoek gaat en ons oppikt. Een auto stopt. Een echtpaar vraagt behulpzaam wat onze overnachtingsplaats is. Ze houdt 2 vrouwen aan die voorbij lopen; die lopen even mee om ons de weg te wijzen; het is gelukkig niet ver meer… Pas kwart over 6 komen we aan bij ryokan Fuji-ya in Oda, ook al een fraai oud gebouw (100 jaar oud, vertelt de dochter later) vol mooie ornamenten. De kamer is 8 (grote) tatami’s groot, de voorkamer 4 tatami’s, en er is een tokonoma met fraaie objecten en een kastenwand. In het midden van het gebouw is een tuin, waar ook wat rommel is opgeslagen en een zielig, duidelijk eenzaam hondje huist. Als Mels terugkomt van de ofuro, adviseert hij het bad over te slaan: vies water en een koude douche, alleen te bereiken via 2 steile trappen met hoge, gladde treden, zonder leuning. Voor mij hoeft het niet, ik ben al te moe. Maar ja, we worden waarschijnlijk pas voor het eten geroepen, als we allebei in bad zijn geweest… Dus offert Mels zich op, loopt nogmaals naar beneden, zet even de douche aan en komt weer terug. Even later gaat de telefoon: het eten staat klaar…

Dag 43: Elke dag is een verrassing…

In het winkeltje onderaan bij de trappen naar tempel 43 nemen we een kop koffie en wat koekjes als ontbijt. We hebben 26 kilometer voor de boeg, inclusief 1 tempelbezoek, maar bij het hotel is geen ontbijt (meer?) te krijgen als we om half 9 vertrekken. We krijgen wel een plastic tasje met 2 sinaasappels en wat koekjes als osettai. Daarom lopen we maar naar de tempel een paar kilometer verderop, in de hoop onderweg een ontbijtrestaurant tegen te komen, maar helaas… Bij het winkeltje vlak voor de tempel zien we een hoogbejaarde Japanner. Is dat niet dezelfde man die ons vorig jaar de weg heeft gewezen? Wij weten het niet zeker. Hij herkent ons evenmin, ook niet als we hem vertellen dat we hier voor de tweede keer zijn. Hij is wél een gezellige kletser, desnoods in het Russisch…
Nadat we bij de tempel de rituelen hebben uitgevoerd, moeten we via een paadje verder de berg op, een pasje over en dan weer naar beneden de volgende vallei in. Vlak voor we het paadje opgaan, informeert een man belangstellend waar we vandaan komen. Onder de indruk van het antwoord, geeft hij een paar muntjes als osettai. Het paadje over de berg is breed en goed begaanbaar, ondanks de regen van gisteren. Langzamerhand lopen we het volgende dal in. Overal staan kersenbomen in bloei. In het dorpje in het dal lopen we door mooie oude straten. Een andere henro – 71 jaar oud – wil graag wat foto’s nemen van ons. We poseren voor een huis met een mooie tuin. De eigenaar komt net naar buiten. Het huis blijkt een ryokan te zijn. Jammer dat we deze niet hadden geboekt voor afgelopen nacht, denken we allebei. ‘Maar u hebt in mijn hotel geslapen’, zegt de man, die blijkbaar ook de eigenaar is van het business hotel waar we net hebben overnacht. Een volgende keer slapen we zeker hier! ‘Ja mata rainen!’, en we nemen afscheid.
Bij een luxe bakker nemen we nog wat broodjes en eten die al lopend op. We volgen verschillende weggetjes die parallel lopen aan route 56. Een auto stopt vlak voor ons, een man springt eruit en geeft ons 2 flesjes water. Heel welkom, want het wordt steeds warmer. Als we uiteindelijk terugkomen op route 56, blijkt dat we pas 6-7 kilometer in 3 uur hebben afgelegd. De kilometers zijn wel erg rekbaar vandaag… (Pas veel later ontdekken we dat we in ieder geval 1-2 kilometer hebben omgelopen via het mooie dorpje.) We zijn allebei best wel moe en besluiten te lunchen in het eerste restaurant dat we tegenkomen, even voor 12 uur. Ik kan met mijn laptop een wifi-signaal oppakken, zodat ik toch nog kan reageren op de tweede drukproef van KLEI. Mels i-pad blijft weer ongebruikt. We blijven er minstens een uur hangen, maar meer dan 2 mailtjes versturen lukt – ook op mijn laptop – niet. Telkens nadat we hebben gerust, heeft Mels nogal last van zijn knieën. Allebei moeten we telkens weer even op gang komen. Maar de last van de sinaasappels wordt Mels deze keer echt teveel en we besluiten ze te offeren aan een beeld langs de kant van de weg. Ik loop me ook rot te sjouwen met het extra water, maar dat bewaar ik liever nog even. Als ik even verderop een foto maak van een putdeksel, komt een vrouw vriendelijk groetend langs. Ik zwaai terug en zie een stoepje over het hoofd. De hele tocht zijn we voortdurend geconcentreerd aan het lopen en hebben we meer aandacht voor de strekkende meter voor onze voeten dan voor het landschap, niet alleen op glibberige bergpaadjes vol losliggend gesteente, maar ook over de gewone weg waar talloze richels, goten, ongelijk asfalt en vooral opwippende dekplaten boven de overdekte zijgoot een risico vormen. Af en toe heb ik angstvisioenen van verschrikkelijke valpartijen. Maar een kleine afleiding blijkt desastreus. Door het zware gewicht van de rugzak val ik voorover als een zandzak. Ik kom terecht op mijn handen, maar vooral op mijn hoofd, op het ruwe asfalt. Het wordt me even zwart voor de ogen. Allerlei onderdelen doen erg veel pijn – enkels, knieën, handen en polsen en vooral jukbeen, neus en oog – maar ik denk dat ik niets gebroken en evenmin een hersenschudding heb. We smeren wat desinfecterende crème op mijn lichtjes bloedende jukbeen en lopen – bij gebrek aan bankje om even uit te trillen – maar verder. Op wonderbaarlijke wijze heeft mijn fototoestel nog geen kras opgelopen.
Korte tijd later volgen we weer route 56, die anderhalve kilometer verderop door een tunnel gaat. Omdat we krap in de tijd zitten vandaag, besluiten we door de tunnel te lopen en niet een bergpaadje over de pas te nemen. Maar de tunnel is 1117 meter lang en blijkt geen stoep te hebben. We nemen elk een reflecterende band uit het kastje voor de tunnelingang en bovendien gewapend met een zaklantaarntje – ik in mijn inmiddels stijfgeworden linkerhand – lopen we over de overdekte goot naast de drukke 2-baans weg. Een angstaanjagende onderneming, dit soort tunnels: als een automobilist even niet oplet, kun je geen kant uit… Na de tunnel is er een schitterend uitzicht over het dal beneden in de diepte en op de omringende bergen. De afgelopen dagen zijn we al met al tot zo’n 400-500 hoogte gestegen. Vanaf dit punt loopt route 56 heel langzaam weer naar beneden, tot we bij Ozu aankomen, een wat grotere stad in een brede vallei. Hoog boven de brede rivier is het kleine theehuisje te zien, in de mooie tuin die we vorig jaar hebben bezocht. In Ozu lopen we door enkele fraaie straatjes (Ohanahan-street), die wel gebruikt worden als filmlocatie. Even later steken we de rivier over; in de verte ligt op een heuvel het mooie kasteel van Ozu, omringd door bloeiende kersenbomen. Dan gaat het weer verder langs de drukke route 56, door Ozu, een tijdlang door industriegebied, tot we bij ryokan Furusato aankomen, de overnachtingsplaats waar we vorig jaar ook hebben geslapen. De eigenaar staat buiten al op ons te wachten, want het is inmiddels al 6 uur geworden. We schuiven meteen aan tafel. Er is een andere langneus: Michael, Amerikaan en muzikant, die 3½ jaar in Japan heeft gewoond en aardig Japans spreekt. Vorig jaar is hij de tocht begonnen, na het overlijden van zijn vader, maar heeft hem niet afgemaakt. Dit jaar is hij vanuit Kochi opnieuw begonnen. Hij had al overal gehoord van de Hollanders: ‘Heb je de Hollanders al gezien?’ ‘Heb je de Hollanders al gezien?’ Het wordt een gezellig avond, samen met 2 Japanse henro’s aan onze tafel. Om 8 uur moeten we echter opbreken. De eigenaar heeft de ofuro klaarstaan voor ons… De kamer is 12 tatami’s groot. We duiken meteen in bed (op de futons). ‘Je had ook niet gisteren de bel moeten luiden bij het weggaan’, zegt Mels.

Dag 42: In de wolken

‘s Ochtends is er een onverwacht ontbijt: warme onigiri en soep, allemaal gratis. Dit was verreweg de allergoedkoopste overnachting die we hebben gehad en nog uitstekend ook. We nemen hartelijk afscheid en geven elk een osame-fuda. Als we buitenkomen, komt uit het buurhuis een vrouw met een doos vol donuts, in allerlei kleuren en smaken. Het blijkt de moeder van onze jonge gastheer te zijn. Omdat we niet weten of de hele doos voor ons bedoeld is, kiezen we zekerheidshalve elk een donut uit. Ik sta met 2 donuts (en mijn staf en een parapluutje) in mijn handen, terwijl Mels zijn schoenen probeert dicht te knopen. Een jonge vrouw ziet het probleem en komt naar buiten met een papieren zak voor de donuts en we krijgen er nog een paar extra bijgestopt. We eten ze al lopend op in de regen. Onze donkerrode poncho’s raken witbesneeuwd van de poedersuiker. We volgen een tijdlang route 57 in noordelijke richting om Uwajima weer te verlaten. Er staan zo’n 22 kilometer op het programma, met bezoek aan tempel 41 en 42. De weg golft op en neer door het berglandschap en na een laatste, wat hogere pas, dalen we af naar een brede vlakte. Middenin die vlakte ligt tempel 41 op een klein bergje. De voortdurend toe- en afnemende regen valt niet mee; onze poncho’s waaien of kruipen steeds op en ook het van de grote vrachtwagens opspattende water maakt ons aardig nat. Als we de rituelen hebben uitgevoerd bij tempel 41, zien we een langneus staan bij de grote bel. Een Japanse vrouw probeert hem iets duidelijk te maken: hij hoort zijn handen te wassen voordat hij de bel luidt. Dat heeft hij al gedaan, maar hij spreekt geen woord Japans… Het blijkt een Fransman te zijn, uit Grenoble. Heeft na zijn pensionering eerst de Camino naar Santiago de Compostella gelopen, kwam onderweg een Japanner tegen die hem vertelde van deze route, en nu doet hij het henro-pad, lopend en deels met openbaar vervoer. ‘Elke dag is een verrassing’, zegt hij. En dat is precies wat wij ook elke dag tegen elkaar zeggen! Hij heeft gehoord over ons, van de Japanner uit Nagoya, en ook over een Duitser en een Italiaan die de route lopen, maar wij zijn de eerste niet-Japanners die hij tegenkomt. Hij geeft ons een aardige tip: de Canadees David Moreton, die de Engelstalige heruitgave van het routeboekje heeft gemaakt, woont in Tokushima en ontvangt graag bezoek. Dat hij daar woonde wisten we niet, maar we willen hem zeker graag bezoeken na onze voettocht. Halverwege ons gesprek komt er weer een vrouw vertellen dat we onze handen moeten wassen en wat de verdere volgorde van de rituelen is. Maar Mels maakt haar in het Japans duidelijk, dat we daarvan op de hoogte zijn. En dan komt er later een derde vrouw ons vertellen dat we de rituelen uit moeten voeren en dan weg moeten gaan. Hoezo? Heel veel loophenro’s blijven even op een bankje hangen om uit te rusten… We nemen maar afscheid en Mels en ik gaan naar het stempelkantoor. Helaas is daar net een gids aangekomen met een grote stapel stempelboeken en -rollen van zijn groep bushenro’s. Normaal worden loophenro’s altijd even tussendoor geholpen, maar deze man is erg gestrest en niet van plan plaats te maken. Het hele kleine kantoortje ligt vol met rollen en boeken die nog moeten drogen, ook de enige zitbank is ermee bezet. We wachten geruime tijd half met rugzak en poncho’s hangend tegen de buitenwand, samen met andere inmiddels aangekomen loophenro’s, tot we eindelijk aan de beurt zijn.
Buiten het kantoor rusten we nog even uit op een erg nat bankje, maar dan moeten we toch verder. Eerst het bergje achter de tempel verder over – over een glibberig paadje – dan weer via een asfaltweg naar de volgende tempel. Bij tempel 42 worden we weer terechtgewezen: een vrouw vertelt ons dat we niet de grote bel mogen luiden; geen idee waarom. Als we bij de tempelgebouwen staan, horen we andere henro’s wel steeds de bel luiden… Na het uitvoeren van de rituelen eten we op een bankje, net buiten het bereik van de regen, onze lunch op, de onigiri die we gisteren hebben gekregen. Als we het tempelcomplex verlaten, luid ik alsnog de bel. Maar een jonge motorhenro vertelt ons dat dat niet de bedoeling is. Dat weten we, de bel luiden bij het weggaan kan ongeluk brengen, maar ja, we willen toch wat… Na tempel 42 lopen we eerst via de asfaltweg verder door het dal, en dan moeten we de bergen over trekken. Via een klein bergpaadje, dat grotendeels samenvalt met een stroompje, klimmen we omhoog tot zo’n 450 meter hoogte. Lange tijd ploeteren we door een smalle bedding die is uitgesleten in de rotsen; het kleine stroompje klotst er doorheen. Langs het pad zien we enkele sugi’s waar schuim uit de stam komt. Zitten er zeepstoffen in de bast van sugi’s? Daarna proberen we ons te handhaven op een erg smalle, maar ook erg drukke weg. Bussen, vrachtwagens, alles dendert langs ons heen. Uit het dal kruipen wolken omhoog. Kort daarna gaat de weg door een tunnel, zo’n 600-700 meter lang. De tunnel is met een pad over de berg te omzeilen, maar dat is 2 kilometer langer en waarschijnlijk momenteel erg glad. Onder deze weersomstandigheden kiezen we toch maar voor de tunnel. Die heeft echter geen stoep en het verkeer kan elkaar net passeren. De verlichting is grotendeels kapot. Vaak lopen we in het donker. Niet leuk. Mels zwaait met zijn zaklantaarntje. We zijn blij als we erdoorheen zijn.
Na de tunnel is er een steil paadje naar beneden, maar we kiezen ervoor de weg te blijven volgen, dat is zo’n 1½-2 kilometer langer, maar ook wat ‘veiliger’. De weg loopt met vele bochten, prettig traag dalend naar de volgende vallei. In de diepte zien we steeds meer wolken uit de dalen omhoog klimmen. Onder ons zijn de berghellingen bedekt met grote hoeveelheden zwerfafval, helling na helling. Bijna beneden aangekomen, lopen we lange tijd in een verschrikkelijke stank. Een groot bedrijf, we vermoeden een (vee)destructiebedrijf; uit lage schoorstenen komt stinkende, donkere rook. In het dal lopen we weer langs een grotere 2-baansweg. Kort voor Uwa, waar we zullen overnachten, volgen we een parallelweggetje door een klein gehucht. Bij een rest hut trek ik mijn poncho uit. Onze kleren zijn drijfnat geworden, ondanks de (dure! en zware!) poncho’s en ik wil proberen ze de laatste 2 kilometers te laten drogen in de wind. Ik meen dat het net droog is geworden, maar prompt begint het opnieuw te regenen. We blijven even zitten. Een oudere vrouw komt 5 sinaasappels brengen. We eten er meteen 3 op. En dan komt ze met 2 bekertjes koffie. Geweldig, de eerste koffie die we vandaag drinken! Kort daarna – even voor 5 uur – komen we in de stromende regen – ik halsstarrig zonder poncho – aan bij Business Hotel Matsu Ya in Uwa. Een kamer met 2 2-persoonsbedden, bank, stoel en piepkleine badkamer. Eten niet inbegrepen. Een uur later lopen we naar een aan de overkant van de rivier gelegen restaurant voor lekkere sashimi en… sakura-ijs! De gastvrouw vertelt ons dat het vandaag de verjaardag van Boeddha is. Wilde daarom iedereen vandaag dat we het extra goed deden?

Dag 41: Kattenpies

‘Fight! Fight!’, zegt onze gastheer als Mels beneden komt. Dat woord hoorden we gisteren ook al uit de mond van een fietsend jongetje. Zou het een (geprobeerde) Engelse vertaling zijn van een Japanse begroeting? Op ons verzoek maakt onze gastheer nog enkele reserveringen voor ons. Hij vangt driemaal bot – het gastenverblijf van tempel 41 is gesloten, een hotel blijkt een love-hotel te zijn en een ander hotel zegt ook nee – maar uiteindelijk krijgt hij alles rond. We maken ook nog even via zijn snoertje gebruik van internet en vertrekken dan om kwart voor 10 voor een relatief makkelijk dagprogramma: 18 kilometer langs route 56, naar het noorden. Ik heb enkele dagen geleden een derde merk tape gevonden in mijn koffer en heb nu mijn rechter enkel ingetaped en dat loopt prima. Na enkele minuten lopen worden we echter ingehaald door onze gastheer, op de fiets. ‘Roomkey!’ We verontschuldigen ons diep… Nauwelijks wat verder blijft Mels alweer haken achter een gebakszaak en ik doe mee. Weer even verder halen we in een restaurant de bijbehorende koffie. We nemen het wel heel relaxed vandaag…
Van een man die uit een auto springt, krijgen we 2 citroenen – ‘Dat zijn vast onbekende citrusvruchten, er zijn hier zoveel soorten’, zegt Mels, ervan overtuigd dat iemand ons geen echte citroenen gaat geven… – en van het koffierestaurant krijgen we een plastic tasje met onigiri en 2 sinaasappels. Mels’ vooronder is weer gevuld…
Er volgt een lange tunnel: 1710 meter lang! Er is een goede stoep naast de 2-baans weg, maar de tunnel is wel erg druk. Tot zo’n 2 meter hoogte zijn er ooit-witte tegeltjes, grijszwart bestoft; erboven is het helemaal pikzwart beroet. De uitgang aan de andere zijde is niet te zien, omdat de weg vlak voor het einde nog een bocht maakt. Grommende auto’s komen de hele tijd van 2 kanten op ons aanstormen. De ribbels in het wegdek geven een extra gillend effect. Zwerfafval warrelt in wilde wervelingen om ons heen. Dachten we gisteren in de fietstunnel op weg te zijn naar de hemel, vandaag lijkt het meer richting Mordor te gaan. Eindeloos… Aan het eind tuiten onze oren van het lawaai. We kopen bij een supermarkt nog een tempura-gamba en een ijsje en eten bij een busstation onze sinaasappels op (de citroenen blijken toch echte citroenen te zijn…) Veel honger hebben we niet; de onigiri blijft in het vooronder.
Langzamerhand lopen we Uwajima in, een wat grotere stad waar onze volgende overnachtingsplaats is. Bij een van de vele kappers wil Mels zijn haar wel laten knippen. Een knappe vrouw ontsluit net de deur. Binnen blijkt het een tamelijk smerig onderkomen te zijn. In de kleine ruimte is ook een fiets gestald en zitten 2 witte katten. Het stinkt er naar kattenpies. Uit een zijkamertje komt een bejaarde vrouw. Zij is het die zich ontfermt over Mels. Hij krijgt een uitgebreide behandeling. The works. Languit in een stoel onder een dekentje, met het hoofd op een stapeltje handdoeken. Haar wassen en knippen, gezicht inclusief voorhoofd, hals en nek scheren met het mes, hete handdoeken rond het gezicht, nog eens knippen, nog eens hete handdoeken rond het gezicht, nog eens scheren… en tot slot een stevige massage. Ze is 82 jaar oud vertelt ze. Maar aan kracht ontbreekt het haar niet. Ik zit ondertussen op een bankje tv te kijken en te typen op de laptop. Na minstens een uur wordt Mels weer vrijgelaten, na nog even te zijn afgestoft met een vloervegertje. Ze vraagt naar onze namen en die geven we op osame-fuda’s. Ze is niet goedkoop: 27 euro, tweemaal zo duur als de kapper vorig jaar… Ondertussen is het al 4 uur geworden. We lopen de stad verder in, soms langs riviertjes, dan weer zigzaggend door allerlei straatjes. We komen langs een werkplaats waar een vrouw met een speciale machine biezen op tatamimatten staat te stikken. Een zwaar werk: de matten van rijststro worden bevestigd op een 5 centimeter dik raamwerk – een opeenstapeling van ruwstrooien matten, kunststof lagen etc. – en dan aan de zijkanten omgebiest. We lopen even binnen en maken foto’s.
Om 5 uur, een kilometer voor onze overnachtingsplaats, kopen we nog wat tenensokken en nemen een frietje met ijs bij de McDonalds erachter, omdat er niets te eten zal zijn in ryokan Henro Yado Moyai. Als we kort voor 6 uur aankomen, worden we verwelkomd door een zeer aardige jongeman. Er staat toch iets te eten in de keuken (met een heel lief briefje erbij ter verwelkoming) en er is ook bier in de koelkast; voor meer eten moeten we de deur uit. Het is er zeer schoon en opgeruimd (voor de verandering!). We krijgen zelfs 2 kamers (elk 6 tatami’s groot) en we mogen met rotan stoelen op de tatami’s.

Dag 40: Déjà vu

De ochtenddienst in de tempel slaan we gemakshalve maar over; de vrouw gisteren wist ons er geen informatie over te geven. Mels zet in de vroege ochtend stiekem de boiler aan, zodat we ons allebei kunnen douchen. (Dat hoort niet ‘s ochtends in Japan!) Pas later zien we dat er een camera hangt op de gang… Voor we vertrekken, zetten we de boiler netjes uit en doen de deur ervan weer op slot. Bij het uitvoeren van de rituelen in de tempel, zien we weer de aardige vrouw die vorig jaar enkele reserveringen voor ons regelde. Ze herkent ons. Een warm contact. Ja mata rainen! Net buiten de tempelpoort staat een bedelhenro. Na een ontbijt in een restaurant een paar kilometer verderop (2x ontbijt voor 9 euro; de koffie is er onbeperkt gratis te tappen; vreemde prijsverhoudingen, want normaal kost 1 kop koffie 4-5 euro…), gaan we op pad. Er staan 27 kilometer op het programma, tenminste als we een deel van de dag over paadjes door de bergen zullen lopen. Vorig jaar zijn we echter route 56 blijven volgen, die is enkele kilometers langer, maar ook makkelijker. We stellen de beslissing uit tot het splitspunt. Route 56 heeft langs dit traject een riant voetgangersgedeelte en de weg wordt ook steeds rustiger. Het looptempo ligt een stuk lager dan gisteren. De moeheid zit nog in onze botten. En het is erg warm, al vanaf ‘s ochtends vroeg. Maar toch lopen we zo’n 5 kilometer per uur, berekent Mels aan de hand van de hectometerpaaltjes. De weg golft lichtjes op en neer door het berglandschap. Onderweg komen we langs een schuur waar buiten tientallen huiden van gevilde wilde zwijnen hangen te drogen; voor de schuur zijn enkele huiden gespannen rond korte boomstammetjes, alsof het opgezette dieren zijn, een hele familie everzwijn.
Af en toe vangen we een glimp op van de zee. En vanaf half 11 loopt route 56 helemaal langs zee, op en neer slingerend langs de bergen. Het water is azuurblauw en het oppervlak haast gladgestreken. In de wazige verte ligt Kyushyu, het grote eiland ten zuiden van Honshu. Dichterbij zijn allerlei kleine eilandjes. Er varen talloze vissersbootjes en vlak voor de kust zijn grote oppervlakten in gebruik voor de kweek van parels en geelstaart snappers.
Om 11 uur doen we hetzelfde restaurantje aan als vorig jaar. Het bedeesde en zeer vriendelijke echtpaar herkent ons. We krijgen weer 2 kleine zakjes zeezout. We besluiten vanwege de hitte niet de bergen in te trekken, maar langs route 56 te blijven lopen. Daar is niet alleen wat zeewind, maar zijn ook restaurants en vending machines om het water aan te vullen. Naast een autotunnel is een 900 meter lange fiets- en voetgangerstunnel. Een witgekleurde, haast eindeloos lijkende buis, die onwillekeurig associaties oproept met de bijna-dood-ervaringen zoals beschreven in het boek van Pim van Lommel. In de verte verschijnt aan de andere kant van de tunnel een figuur. God? Nee, het blijken 2 fietsende kinderen, als ze dichterbij komen. ‘Konnichi wa!’, klinkt het als ze voorbij fietsen. En dan is er een enorme knal vlak achter ons. We kijken verschrikt om en denken dat de jongens een grap hebben uitgehaald met een rotje. Maar zij zijn net zo verschrikt als wij en springen van hun fiets af. Een van hen blijkt een klapband te hebben gehad. Na een heerlijke lunch in een wegrestaurant tegenover een mooi park (met een vijver vol kleine schildpadden), nemen we een klein parallelweggetje door een idyllisch gelegen parelkwekersdorpje. Een welkome afwisseling. Als we later weer langs route 56 lopen door een gehucht – inmiddels zo’n 20 kilometer ten noorden van Ainan – zien we in de verte een vrouw langs de kant van de weg staan. Ze springt op en neer en zwaait met beide armen. We kijken elkaar verbaasd aan. ‘Is niet voor ons bedoeld’, constateert Mels nuchter. ‘Ze kijkt langs ons heen.’ Maar achter ons zie ik niemand. Als we dichterbij komen, herkennen we haar: het is de zingende henro!!! Er blijkt een misverstand te zijn: ze dacht dat we pas 2 dagen later bij tempel 40 aan zouden komen. Bij toeval zag ze ons nu lopen toen ze met de auto langsreed. Ze springt op en neer van ellende en slaat Mels op zijn schouder. Ik doe maar mee, om aan te geven dat ik het ook verschrikkelijk vind, want zij spreekt nog geen 10 woorden Engels en ik weinig meer Japans… Een restaurant of bankje is er niet in de buurt. Maar ze wil dolgraag iets doen en geeft ons 2 biljetten van 1000 yen om onszelf eens te trakteren en ook een zakje met 3 sinaasappels. We lopen naar haar man die even verderop met de auto staat geparkeerd. Mels suggereert morgen met elkaar uit eten te gaan, want dan hebben we toch geen maaltijd inbegrepen bij de ryokan, maar dan kunnen ze helaas niet. ‘Ja mata rainen!’, is het enige wat erop zit. We nemen nog foto’s. En nog eens foto’s. En wrijven elkaar nog eens over de schouders. En lang, heel lang wuift ze ons nog na. We krijgen onderweg nog eens 4 grote sinaasappels van een citrushandelaar. Alles gaat bij Mels in het ‘vooronder’: het onderste vak in zijn rugzak. Bij bezwijkt bijna onder alle osettai. In een parkje even verderop, aan de rand van een vijver met eenden en koivissen, eten we er wat van op, maar ze zijn niet erg lekker. De eenden lusten ze ook al niet, dus doneren we enkele sinaasappels aan een heiligenbeeldje. Een heel stapeltje… We zijn inmiddels heel erg moe (vooral ik), maar we zijn er nog niet… Een paar keer nemen we nog een klein weggetje langs idyllische riviertjes, waarlangs telkens weer lange rijen felwit bloeiende kersenbomen staan. Mooi! Boven een dal cirkelen weer tientallen buizerds. En dan komen we eindelijk aan de grote rivier, waaraan de ryokan moet staan waar we zullen overnachten. Eenden met zilvergrijze rompen en roestbruine koppen met witte blesjes, dobberen in het traag stromende water. Om even voor 6 uur komen we aan bij ryokan Yoshinoya in Tsushima, een voorstadje van Uwajima. De kamer is 12 (kleine) tatami’s groot. De vriendelijke, iets Engels sprekende eigenaar houdt ons gezelschap bij het eten. We zijn de enige gasten. Hij vindt het gezellig dat we er zijn en wij vinden het leuk even te kletsen. ‘Please, come next year again’, zegt hij. De eetkamer is gerieflijk ingericht. Een vroeger café dat na herinrichting een hogere vloer kreeg van nylon tatami’s. Haast niet te onderscheiden van echte tatami’s. De banken langs de wand zitten na de ophoging van de vloer op zo’n 10 centimeter hoogte en dat zit prima. Hij heeft nog oude ‘tearoom’-muziek, zoals hij het zelf noemt: tot mijn grote vreugde speelt hij de rest van de avond muziek van The Beatles. Hij print een weerbericht voor ons uit en laat dan zijn eigen henro-stempelboeken zien. Hij heeft de tempels per auto bezocht, enkele tempels wel 39 keer! De pagina’s zijn rood van de stempels. We drinken gezamenlijk een biertje. En nog een paar. Hij vindt het geweldig dat ik meedrink. ‘Ik houd wel van sterke vrouwen!’ We vragen of hij een vrouw heeft. Nee, maar als ik zou willen blijven, dan ben ik zeer welkom. Mels begint wat te sputteren… We blijven urenlang kletsen en tot slot laat hij nog zijn muziekkamer zien. Hij speelt klassieke en elektrische gitaar (en zingt ook!), zit tijdelijk even zonder band, maar voor ons geeft hij een korte opvoering: blues van Eric Clapton.

Dag 39: Chopchop!

Er staat een personenweegschaal in de gang en voor ons vertrek wegen we eens onze rugzakken en buiktassen: 9 kilo rugzak en 1,5 kilo buiktas voor Mels en 7 kilo rugzak en 3 kilo schoudertassen voor mijzelf; tot 2 dagen geleden zat er nog 2-3 kilo extra in mijn rugzak voordat ik leesboek en waterflessen ‘overhevelde’. Al met al veel…
Voor vandaag staan 26,5 kilometer op het programma naar tempel 40, onze overnachtingsplaats (maar bij tempel 39 staat op 2 borden 27 respectievelijk 29 kilometer naar tempel 40). We vertrekken al vroeg (om kwart over 7) en voeren eerst de rituelen uit in tempel 39. Daarna lopen we via hetzelfde paadje als gisteren terug naar route 56. Het is spitsuur; de weg één lange file. Al voor 9 uur zijn we terug in Sukumo, vanwaar we langs de westkust verder naar het noorden zullen trekken. We informeren naar een bibliotheek, omdat we willen internetten, maar die is pas om 10 uur open. Dan maar een café in de buurt. Ik moet de drukproef van het meinummer van KLEI nog bekijken, maar als ik bezig ben op de laptop, blijkt er toch onbeveiligde wifi in de buurt te zijn. Erg handig, de volgende 2 uur ben ik bezig met de drukproef en met het beantwoorden van mails; Mels is minder gelukkig, want zijn i-pad pakt slechts zelden een wifi-signaal op.
Aan de bar zitten allemaal vrouwen. Wij verontschuldigen ons dat we even moeten werken, maar iedereen toont begrip. De tv staat aan; de zoveelste dag van de lekkende kerncentrale. Aan de bar ontstaat een discussie over de veiligheid van vis en ander voedsel. Een van de vrouwen komt na een tijdje terug met een plastic zakje. Een osettai voor ons: een zak chocoladekoekjes, 2 pakjes met vruchtvlees en zoete sinaasappeltjes. En een tijdje later komt de gastvrouw ook met een plastic zakje: onigiri! Dat is erg handig, want we verwachten vandaag geen restaurants meer tegen te zullen komen als we het stadje eenmaal achter ons hebben gelaten. Tegen 11 uur wordt Mels nogal gestresst: we moeten nog een berggebied doortrekken vandaag én we moeten voor 5 uur bij onze overnachtingsplaats aankomen, aangezien we vorig jaar de ervaring hadden dat er daarna niemand meer aanwezig is bij tempel 40… Ik beloof extra hard te zullen lopen… Als we eindelijk afrekenen, zijn we (omgerekend) 20 euro kwijt voor 6 koppen koffie. Duur, maar wel een normale koffieprijs in Japan. Gelukkig beginnen we het ook steeds lekkerder te vinden… Na enkele kilometers komen we voorbij het hotel waar we vorig jaar hebben geslapen. Bijna meteen daarna trekken we de bergen in, soms over asfalt- (of beton)weggetjes, de meeste tijd over bergpaadjes, door bossen en langs citrusgaarden. We trekken van vallei naar vallei; soms is er een klein gehuchtje. De laatste pas is tevens de hoogste: zo’n 300 meter (vorig jaar dachten we dat het meer was…) De temperatuur neemt toe in de loop van de dag. In de zon is het erg warm, maar de wind heeft een koele ondertoon en daardoor blijft het toch erg aangenaam. Het bamboebos kreunt in de wind. In sneltreinvaart loop ik naar boven (zoals beloofd), maar naarmate we dichterbij de hoge pas komen, zakt het tempo toch… Zo’n 400 meter voor de pas lunchen we op een zonnig bankje met uitzicht op de zee in de verte, samen met een andere henro die grote problemen heeft met zijn voeten. Met het hoge looptempo meen ik mijn pleidooi te onderstrepen voor langere pauzes: hoe langer de pauze, hoe sneller ik daarna loop. Maar Mels meent dat mijn snelheid juist een pleidooi is voor langere dagtrajecten… En in zijn enthousiasme stelt hij voor na het berggebied niet – zoals vorig jaar – route 56 te volgen naar tempel 40, maar ook het berggebied ten noorden van deze weg door te trekken. Geen goed idee. Ik ben toch wel erg moe geworden. Bovendien moeten we voor 5 uur bij die tempel zijn… Na de pas is er een langzaam dalend, breed pad dat makkelijk loopt. We zwikken allebei wel enkele keren door onze enkels, maar niet ernstig. En al gauw komen we via steeds groter wordende asfaltweggetjes weer op route 56, waar nu een riant voetgangersdeel naast is. En de weg is hier gelukkig een stuk rustiger. We zien steeds meer bloeiende kersenbomen. Niet alleen is op de berghellingen hier en daar een wit waas te zien van de bloesem, gemengd met het tere rozebruin van het jonge blad, maar vooral langs de weg staan rijen kersenbomen die uitbundig bloeien. Tegen 4 uur komen we aan bij Ainan, maar het duurt nog even voor we bij de tempel zijn. Na 2 tunnels (600 en 530 meter lang), rusten we kort op een reling hangend, want we hebben op en rond de bergpas voor het laatst bankjes gezien en we zijn inmiddels wel heel erg moe. Bovendien doen onze voeten erg veel pijn, vooral de enkels… Maar ruim voor 5 uur komen we bij de tempel aan. Bij de poort is een vrouw nog bezig de collectemuntjes te verzamelen en ze kan ons het gastenverblijf in helpen (kamer: 10 tatami’s groot, met tokonoma en kastenwand). We zijn de enige gasten, net als vorig jaar. Eigenlijk hadden we verwacht dat we hier weer de zingende henro zouden zien, want ze moet vlakbij deze tempel wonen. Maar ze is er niet en ze heeft ook geen boodschap achtergelaten.
Na een korte rust, trekken we buitensloffen aan en gaan eten in een restaurant aan de rivier, waar we vorig jaar ook zijn geweest. Als we teruglopen naar de tempel, horen we onder de brug iemand soetra’s reciteren. Er is een klein tentje naast de grote pilaar gezet. Ernaast staat een karretje. De zwerfhenro? We denken dat hij niet gestoord wil worden, maar blijven stilletjes een tijdje luisteren. De avondhemel kleurt bleekjes. Rond onze voeten wippen kleine kikkertjes. Muggen zoemen rond ons hoofd. We halen nog een klein gebakje in de gebakszaak op de hoek van de straat en eten dat bij de tv op. Het sakura-feest komt eraan. Keer op keer worden bloeiende kersenbloesems getoond, evenals sakedrinkende mensen, zittend op blauwe zeiltjes – de schoenen er netjes omheen gezet – onder de bloeiende bomen. Om 8 uur gaat het licht uit op de gang; even later blijkt dat de voordeur is afgesloten. Gelukkig zijn we op tijd binnen… Al met al hebben we vandaag veel en veel sneller gelopen dan vorig jaar: toen hebben we 7,5 uur over de route gedaan; nu hebben we over hetzelfde traject minder dan 6 uur gelopen (terwijl we er al 6-7 kilometer op hadden zitten, omdat onze overnachtingsplaats deze keer eerder was!) We zijn allebei wel heel erg moe, maar dat waren we vorig jaar ook. Ik heb me in meer dan 10 jaar niet zo gezond gevoeld!

Dag 38: Het venijn in de staart…

We hebben geprobeerd voor komende nacht te reserveren in het gastenverblijf van tempel 39, maar ze zijn dicht vanwege vakantie (middenin het henroseizoen???) Daarom hebben we nu gereserveerd in de minshuku er vlakbij. Maar… degene aan de telefoon zei wel dat het erg ver was wat wij op één dag wilden lopen. Dat brengt ons wat aan het twijfelen, zeker na de avonturen van gisteren. Kloppen de kaarten wel? Of zit er soms een verborgen dimensie in dit geheimzinnige gebied waar kilometers plotseling verdubbelen?
We vertrekken om kwart voor 9 (de ontbijtzaal is pas om half 8 open…) voor (denken wijzelf) een tocht van 26 kilometer: landinwaarts; eerst naar het noorden. De hele nacht heeft het flink geregend, maar ‘s ochtends is het gelukkig droog. Na de 700 meter omlaag, gaat het over een smalle asfaltweg weer omhoog. Er is nauwelijks verkeer. Overal is vogelgezang te horen en ook kikkergebrul. Via steeds grotere (en drukker wordende) wegen en de nodige pasjes bereiken we weer route 321 die hier vanuit het oosten naar het noorden buigt. In een dik uur hebben we 3 kilometer afgelegd om uit het geheimzinnige gebied naar route 321 te komen. Dat is meer dan we hadden gehoopt, maar minder dan we hadden gevreesd… Via de drukke route 321 lopen we verder naar het noorden. Soms is er een voetgangersgedeelte, maar nog vaker is er alleen een overdekte goot met vaak onbetrouwbare, kapotgereden dekplaten. Het verkeer dendert voorbij. Tientallen betonwagens en ook ander bouwverkeer rijdt af en aan. Blijkbaar is er een cementfabriek in de buurt. Het is niet ons meest favoriete traject…
We rusten enkele keren in een michi no eki en lunchen in een restaurant. Kort voor de havenplaats Sukumo komen we weer af en toe aan zee. Vanaf Sukumo, aan de westkust van Shikoku, gaan we via route 56 zo’n 6-7 kilometer oostwaarts om tempel 39 te bezoeken en daarna (morgen) via dezelfde weg weer terug om vanaf Sukumo verder naar het noorden te lopen.
Het lopen gaat prima, evenals de planning. Kort voor 4 uur is het nog 2 kilometer naar de tempel en de vlakbij gelegen minshuku. Via een kleine zijweg lopen we een zijvallei in. Maar het laatste eindje gaat het toch weer omhoog via een bergpaadje. Stond niet op de kaart en konden we ons ook niet herinneren van vorig jaar (maar toen kwamen we van een andere kant…) , maar het is een fraai pad dat al gauw aangenaam op en neer golft langs de berghellingen. Kort voor 5 uur arriveren we, samen met een wat Engels sprekende Japanse vrouw – loophenro – bij minshuku Shima-Ya. De kamer (12 tatami’s groot, met kaptafel in de tokonoma) is in een bijgebouwtje, aan één zijde gelegen aan een mooie tuin vol met kikkers. In de ofuro – waar ze enthousiast haar beblaarde tenen laat zien – en ook bij het eten blijkt de Engels sprekende vrouw een lachebekje te zijn, die zichzelf met behulp van een 100-yen-tape (uit de 100-yen-shop) Engels heeft geleerd. Niet slecht! En wij hebben vandaag de helft van het totaal aantal kilometers van de pelgrimstocht bereikt. Ook niet slecht!
Op de tv wordt bekendgemaakt dat de kerncentrale 11.500 ton radioactief water gaat lozen.

Dag 37: Rekbare kilometers

Nog even internetten… Pas om kwart over 9 vertrekken we voor onze dagtocht van 22,5 kilometer, na eerst enkele herhaalde pogingen gedaan te hebben de bejaarde vrouw die bij de ryokan hoort, duidelijk te maken dat onze koffers doorgestuurd moeten worden naar onze overnachtingsplaats over 9-10 dagen. We hebben er niet veel vertrouwen in en een bewijsje krijgen we ook al niet…
We trekken verder langs de zuidkust, lopend langs route 321, waar nu meestal een voetgangersdeel naast is. De sluierbewolking houdt de zon tegen en levert een aangename temperatuur op. De rustdag heeft ons goed gedaan. Bovendien heb ik mijn leesboek uit de rugzak gehaald en in de koffer gestopt, en Mels heeft een waterfles overgenomen. Daardoor heb ik veel minder last van doorgezakte voeten. De weg slingert zich langs de bergen, op en neer gaand van zeeniveau tot zo’n 80-100 meter. We passeren vele tunnels, waarvan enkele langere (tweemaal 600-700 meter, tweemaal 1 kilometer lang). Rond 2 tunnels lopen wel oude, smalle kustweggetjes, maar die zijn allebei versperd door aardverschuivingen. Ikegami Koji, de hoteleigenaar, vertelde ons al dat de bergen hier zo ‘kruimelig’ waren: bij het uitgraven van holten voor zijn grotappartementen was de bergwand telkens ingestort. Gelukkig is in elke tunnel een trottoir en er is bovendien nauwelijks verkeer op de weg.
Af en toe voert de weg door een havenplaatsje. Vissers zijn hun netten aan het boeten. Vlak voor de kust varen talloze kleine vissersscheepjes (single line fishing op bonito); aan de einder zijn wat grotere zeeschepen. Op rotsen in zee zitten aalscholvers; de bovenkant wit van de stront. Langs de rotsige kiezelstrandjes zien we regelmatig snorkelaars in het water, en op het strand lopen veel mensen te verzamelen (schelpdieren? zeewier?)
We vorderen snel en wanneer we na een uur al 6 kilometer hebben afgelegd, zakt Mels’ stressniveau dat door ons late vertrek enigszins was opgelopen. We nemen een kop koffie in het enige restaurantje dat we langs deze kust tegenkomen. En om 12 uur lunchen we met de van het hotel meegekregen onigiri in een hooggelegen, (alweer) winderige rest hut met uitzicht op zee. We hebben dan al de helft van het dagtraject afgelegd. In een dorpje verderop hangen allemaal matwitte inktvissen aan waslijnen te drogen, vastgeprikt met satéprikkers. Achter kraampjes zijn vrouwen bezig met het schoonmaken en snijden ervan. Kleine stukjes worden op roostertjes gebakken. We krijgen hier en daar wat aangeboden. Achter ons stopt een bus. De buschauffeur vraagt waar we naartoe moeten. Zover? Hij biedt aan ons met de bus te brengen. We wijzen het lachend af. Zo ver is het nou ook weer niet… 1-2 kilometer later buigt route 321 landinwaarts en lopen wij verder via een kleinere weg langs de kust. In een klein plaatsje splitst de route zich op: we kunnen een veel langer asfaltweggetje nemen of een bergpad. Naast een beekje met koivissen staat een man. Hij is zo vriendelijk een eindje met ons mee te lopen om ons de weg te wijzen op het bergpad. Nadat we eerst een steil betonnen paadje hebben gevolgd, lopen we verder via een wat minder steil bospad. Onderweg wijst hij ons op sporen van tanuki, wasberen: een stukje vacht, een hoop uitwerpselen. Als het pad weer een asfaltweggetje kruist, raadt hij aan verder de weg te nemen. Even later zien we waarom: het bospad is totaal in verval geraakt.
We lopen lange tijd over de smalle asfaltweg die langs de beboste hellingen voert. Slechts zelden komt er een auto langs. Het is stil. Alleen vogels laten zich horen: een nachtegaal, de roep van een buizerd, de ‘ik-weet-niet-hoe-ik-moet-stoppen-vogel’ en talloos kleiner grut. En bij beekjes wat brullende kikkers. Soms ruiken we de geur van dieren, maar we zien ze niet. Er vallen wat druppels, maar de regen zet niet door. Bij de ingang van een tempel staan mooie kleine, witte irissen met geelpaarse hartjes.
Onze overnachtingsplaats ligt wat af van de normale henroroute en daarom nemen we een klein bergpaadje dat ons weer wat dichter langs de kust brengt. Een erg mooi pad door mooie bossen. Soms lopen we door een dichte begroeiing van varens, nog hoger dan wijzelf. Af en toe vangen we een glimp op van de zee. Bovenaan gekomen, rusten we even op een houten balk. In de diepte is de baai te zien. Voor de kust liggen talloze rotsige eilanden, groot en klein. Dan daalt het pad naar de volgende vallei. Ook dit pad blijkt aardig in verval. We klauteren over verschillende aardverschuivingen; een enkele keer is het hele pad in de afgrond verdwenen en moeten we ons tegen de bergwand aandrukken, ons vasthoudend aan boomwortels en lianen. En dan eindigt het pad plotseling… in de droge bedding van een beek, vlakbij de zee. We balanceren over de grote keien tot we bij de zee zijn. Op een kei staat een rode pijl naar rechts. Daar is een kiezelstrand. Maar eerst gaat het nog verder over de grote rolkeien. Hier en daar liggen stukjes koraal. Als we eindelijk een wat meer kiezelige ondergrond hebben bereikt, blijkt er iets hoger een weggetje te zijn. Daarvoor moeten we wel weer een strook met grote rolkeien achter het kiezelstrand over; bovendien ligt de weg enkele meters hoger op een betonnen talud. Het valt niet mee zonder echte bergschoenen. Een verkeerde inschatting kan makkelijk een gebroken enkel of knie opleveren. Maar eindelijk bereiken we de onderzijde van het talud. We strompelen erlangs, over keien en dood struweel, en door vuilnis, tot we een mogelijkheid hebben gevonden erop te klimmen.
We hebben geen idee waar we zijn. Onze kaart van dit gebied is 1:100.000 en laat te weinig details zien. Via de weg lopen we een dal in. Langzaamaan komen we weer wat in de bewoonde wereld. Een echtpaar is op een veldje bezig wat groente te snijden. Als we de weg vragen naar het hotel, vertellen ze dat het nog 2 ½ uur lopen is en dat ze ons wel een lift willen geven als ze klaar zijn. We slaan het aanbod af; ze moeten zich vergissen, zo ver kan het niet meer zijn… In het volgende gehucht vragen we nogmaals de weg, we worden een zijweg in gewezen, de berg op. Als we een pasje zijn gepasseerd en weer aan het dalen zijn, komt er een busje langsrijden: het echtpaar dat we de weg vroegen. Ze bieden ons nogmaals een lift aan, maar we slaan het weer beleefd af. We komen in havenplaatsje en vragen nog maar eens de weg: zo’n 300-400 meter tot aan een splitsing, dan linksaf en dan nog 3-4 kilometer. De splitsing ligt op de volgende pas… We dalen naar het volgende havenplaatsje, deze keer een erg idyllisch dorpje met grillige rotsen vlak voor de haven. Na het plaatsje stijgt de weg weer langs de kust. Door een rotseiland vlak voor de kust loopt een natuurlijke tunnel, gevormd door de kracht van het zeewater. We maken talloze foto’s, ook al gaat het inmiddels wat harder regenen. In een volgend havenplaatsje vragen we nog maar eens de weg. De man wijst op een berg. Op de top… Te bereiken door de weg eromheen te volgen…
Aan de andere zijde van de berg is de toegangsweg naar het hotel: 700 meter de berg op… Maar om 6 uur zijn we er dan toch: Hotel Bell Reef in Otsuki, het duurste hotel tijdens onze reis. De kamers liggen buiten het hotel, te bereiken via overdekte buitengalerijen. De kamer (2 1-persoons bedden, bureau, zitje, badkamer, wc) heeft een riant balkon (met zitje) met uitzicht op de baai in de diepte. Jammer dat we er zo kort zijn… We schatten dat we vandaag toch al met al 30 kilometer hebben gelopen, heel wat meer dan gedacht. Later is er het nieuws (met de ‘Engelse knop’): een reportage over de opvangkampen. Er zitten nog zo’n 160.000 mensen. De situatie is er slecht (slecht sanitair, te weinig voedsel, kou). Elke dag sterven er zo’n 20 mensen. Nu we de Engelse vertaling kunnen volgen, is het nieuws des te indringender.

Dag 36: Onder water

Een vrije dag, warme zon, een baai vlakbij aan de andere kant van de weg… Maar eerst is er een was. Geen wasdroger. Mels mag de was ophangen bij de ingang van het hotel en maakt er een foto van. ‘s Middags lunchen we aan de overkant van de weg en lopen daarna langs de baai, waar fraaigevormde rotsformaties zijn te vinden: langgerekte, naast elkaar gedrapeerde slierten in het water; uitgeholde gatenkazen langs de oever. Een betonnen pad ertussendoor (helaas). Even verderop staat een futuristisch uitziend gebouw in het water. Vorig jaar hadden we geen tijd ervoor, nu willen we Seaworld toch wel bezoeken. Enkele meters onder zeeniveau kijken we door grote patrijspoorten naar (enorme hoeveelheden) voorbij zwemmende vissen en wuivende koralen en zee-egels, onder het genot van lekkere muziek. We zijn niet eens zo ver onder het wateroppervlak; de zonnestralen dringen door tot op de bodem. De vissen worden door het heen en weer golvende water meegenomen. Wolken belletjes worden voortgestuwd. We brengen er lange tijd door. Fascinerend en ontspannend.
Een tocht met een kleine boot met glazen bodem wordt afgeraden: de zee is te onstuimig. Na een ijsje bezoeken daarom we het andere maritieme museum even verderop. In het midden een groot aquarium van 2 verdiepingen hoog. Daaromheen talloze kleinere aquaria met de meest vreemdsoortige vissen, koralen, kreeften, kwalletjes, zeepaardjes… Eén aquarium zit vol met reptielachtige vissen die door buizen en over elkaar heen kruipen. Blij dat er glas tussen zit. Maar het museum heeft ook iets triests: dieren die gevangen zitten… Geef mij maar Seaworld, waar je kunt kijken naar in het wild levende vissen.

Dag 35: Flirten met de buschauffeurs…

De dag begint weer warm. Als we om 8 uur vertrekken, worden we uitgezwaaid door onze gastheer en -vrouw. We krijgen onigiri mee voor onderweg. We zullen zo’n 22-23 kilometer verder trekken langs de zuidkust, eerst wat naar het noorden, dan naar het westen. Eerst klimmen we verder de berg op om daar de henroroute weer op te kunnen pakken. Afwisselend lopen we over bergpaadjes, dan weer langs kleine weggetjes, door een betoverend mooi bos van kronkelende bomen. De bergpaadjes zijn regelmatig omgewroet door wilde zwijnen. Hun doordringende geur hangt soms nog in de lucht.

Daarna gaat het weer verder langs route 27, op grote hoogte langs de kust. Telkens weer passeren we betoverend mooie kleine baaien met kleine strandjes en omzoomd door beboste rotshellingen; de zee toont alle mogelijke kleurschakeringen: zeegroen, azuurblauw, pastelblauw, grijsblauw, diepblauw… Af en toe komen we door kleine havenplaatsjes, weer op zeeniveau. Al om 10 uur zien we aan de overkant van een grote inham van de zee Shimizu liggen. Inmiddels weten we uit ervaring dat de inham vele zijtakken heeft en dat we nog enkele kilometers moeten maken voor we een brug over het water bereiken. Toch al weer sneller dan verwacht, komen we rond half 11 aan bij het havenstadje. Meer specifiek: bij het restaurant waar we vorig jaar zo lekker hebben geluncht. We negeren een bord dat bij de entree staat en vragen of er al koffie is. Dat kan, hoewel later blijkt dat het restaurant pas om 11 uur geopend is. Na een tweede kop (met koekjes en cake) kunnen we (ik) de verleiding toch niet weerstaan om nog even te blijven hangen voor katsuo tataki: plakjes net aangebakken tonijn met halve ringetjes rauwe ui, schijfjes rauwe knoflook en gesnipperde bosuitjes, gedrenkt in rijstazijn. Pas om half 1 pakken we weer onze spullen bij elkaar. We hoeven alleen de lunch af te rekenen; de rest is osettai.

Terwijl we Shimizu doorkruisen, kijken we indringend naar elke buschauffeur. Vorig jaar hebben we in de bus gezeten bij een bijzonder aardige chauffeur en we zouden hem graag nog eens dag willen zeggen. Al sinds Shimanto knikken en wuiven we naar elke bus. Soms remt er eentje af; denkend dat we misschien willen opstappen… Shimizu is waarschijnlijk de laatste plaats op zijn route, maar ook hier zien we de aardige buschauffeur niet terug.

Wel zien we even voor ons uit een henro lopen die van de pelgrimstocht zijn levensbestemming heeft gemaakt. Hij duwt een karretje voor zich uit met al zijn bezittingen erin. Mels vraagt of hij een foto mag maken. En of hij elk jaar loopt. ‘Het héle jaar’, geeft hij als antwoord. We zien – en horen – ook weer verkiezingsauto’s. Witgehandschoende handjes wuiven door de geopende autoraampjes. Wij wuiven enthousiast terug. Na Shimizu lopen we weer langs route 321 die hier meestal de kustlijn volgt. Het is heet, erg heet. Mels’ pet en mijn pelgrimshoed zijn eigenlijk niet afdoende; ondanks alle smeersels worden wangen en vooral neuzen steeds roder. Mels zet zijn paraplu op.

Enkele kilometers voor onze overnachtingsplaats rusten we toch nog even uit in een tochtige rest hut bij een michi no eki. De rest huts zijn gebaseerd op de Japanse prieeltjes die bij veel huizen staan. Vaak zijn ze architectonisch leuk ontworpen, maar bijna altijd zijn ze ook aan alle kanten open. En aangezien het hier nogal veel waait, is dat al gauw te koud. Jammer! We lopen al snel door. Onderweg maken we nog een praatje met een echtpaar met een zwartwitte Deense dog, een reus van een hond, onze neuzen bijna op gelijke hoogte. ‘Born in the USA!’, zegt de goed Engels sprekende vrouw. Ze hebben 20 jaar in Amerika gewoond. Haar man heeft ook in Delft en Makkum gewoond; verzamelt keramiek. Spreekt helaas geen Engels (en geen Nederlands).

En dan komen we al vroeg – om half 4 – aan bij hotel Orenji (Orange), waar we vorig jaar ook hebben geslapen. De eigenaar herkent ons. We krijgen dezelfde kamer en suite (2×8 tatami’s groot met kastenwanden en tokonoma, binnenveranda met zitje, balkon, 1 badkamer met wasmeubel, 1 badkamer met douche en verzonken privé-ofuro, halletje met wc, tussen de huizen door uitzicht op de baai). Internetten kunnen we via een kabeltje in het kantoor en later met 2 kabeltjes in de lounge.

Het eten is weer heerlijk, hoewel minder uitgebreid opgemaakt dan vorig jaar. We praten lang door. Al sinds de ramp(en) 3 weken geleden vragen we ons regelmatig af hoe we zouden kunnen helpen. Directe hulp bieden is niet aan de orde. Ik denk dat de hulp die door verschillende landen wordt geboden in de vorm van legerbataljons (opzetten van veldhospitalen etc.) het meest adequaat is voor de acute nood. Geld inzamelen wordt uiteraard al gedaan door de nodige instanties. Als (nauwelijks Japans sprekend) individu en/of als keramiekblad kun je daar denk ik weinig aan toevoegen. Wekenlang hebben we sowieso de grootst mogelijke moeite moeten doen om enigszins op de hoogte te zijn wat er allemaal gebeurde in het noorden. Wel kregen we enkele keren heel positieve reacties van Japanners op het feit dat we waren gebleven. Dat gaf hen morele steun. Nu is er via de mail een oproep om Japanse keramisten te helpen die wonen in de omgeving van de nog steeds niet onder controle zijnde kerncentrale, in de vorm van het aanbieden van een
werkplaats waar ook ter wereld. Er is ook een ander voorstel, het organiseren van een tentoonstelling met Japanse keramiek van keramisten uit de getroffen gebieden. Daarvan denken we zelf dat het teveel zal interfereren met de al bestaande plannen, maar vooral ook zullen de betreffende keramisten veel of al hun werk kwijt zijn, evenals atelier/ovens etc. En ook zal de aandacht vanuit Europa voor deze ramp maar kort duren, terwijl het voorbereiden van een tentoonstelling langere tijd vraagt. Maar wat is wel een zinnige actie???

Dag 34: Waar zee en hemel elkaar raken

Of we nog even 20-30 minuten kunnen blijven, vraagt onze gastvrouw. Ze moet even een paar loophenro’s met de auto naar tempel 39 brengen. Het rochelende autohenro-echtpaar is dan inmiddels al lang vertrokken; om 20 voor 5 stonden ze al op… Wij vertrekken om kwart voor 8, zoals gewoonlijk, als laatsten. Er staan 27 kilometer op het programma (volgens onze tafelgenoten 28 kilometer), met bezoek aan tempel 38. Route 321 voert ons verder naar het zuiden, op zo’n 20-50 hoogte slingerend langs de uitlopers van de bergen. Langs de drukke kustweg razen personen- en vrachtauto’s. De weg doet me denken aan de kustweg naar Split in Joegoslavië, eind jaren 60. Er is eigenlijk geen plaats voor ons. Auto’s – vooral vrachtwagens – hebben bovendien de neiging bij een binnenbocht over de witte streep te gaan. We rennen regelmatig naar de overzijde van de weg, in de hoop een iets minder gevaarlijk loopplekje te vinden bij buiten- of binnenbocht. Mels loopt achter mij, in de bochten op en neer zwaaiend met zijn armen om de aandacht op ons te vestigen. ‘Ik ben niet gek, ik ben een vliegtuig’, zeg ik, maar hij is niet zo in voor grapjes op dit soort trajecten. Wel vertaalt hij mijn grapje nog in het Japans: ‘Kichigai ja arimasen, hikoki desu…’

Bij een zijweg staat een vrouw. Of we zin hebben in koffie? We zijn pas een paar kilometer onderweg, maar waarom ook niet? Ze brengt ons naar een restaurant. We krijgen er niet alleen koffie, maar ook zoete bonenkoekjes, partjes butan, water en later ook nog onigiri voor onderweg. Van een betaling wil ze niet weten. Ze heeft niet alleen een restaurant, maar ook een minshuku en maakt daar op deze manier reclame voor. Misschien volgend jaar? We laten osame-fuda’s achter als dank. De onigiri voegen we bij het uitgebreide lunchpakket dat we ook al gratis meekregen van de ryokan.

De dag is warm begonnen en het wordt steeds heter. Af en toe nemen we een parallelweggetje. Zo komen we over een lange planken vlonder op een lang strand. Het lopen door het rulle zand is zwaar, maar wel heerlijk voor de voeten, zelfs met schoenen aan. Een welkome afwisseling voor al dat asfalt, dat door de dunne zolen de hele tijd nogal hard aankomt. In een rest hut op palen eten we alvast wat bananen, koekjes, snoepjes en Yakult op, in een poging het gewicht van de rugzakken iets terug te brengen. In de zee zijn enkele surfers bezig. Het is een van de vele locaties waar de reuzenschildpadden van juni tot augustus uit de zee het strand op komen om hun eieren te leggen. Een triest gebeuren: naast alle andere gevaren die er sowieso al zijn, wordt tegenwoordig elke schildpad tijdens het eierenleggen omringd door toeristen met lampen en zaklantaarns, tot op een halve meter afstand.

Een tijd later nemen we een klein weggetje door een gehucht. Een vrouw is aan het onkruidwieden. Er staat een man bij die graag een praatje wil maken. Hij brengt het gesprek op de tsunami. Hoe verschrikkelijk dat allemaal is. En dat hij er om heeft moeten huilen. En hij schudt ons de hand, uit dankbaarheid voor alle hulp die Nederland biedt. Zo merken we toch heel af en toe iets van het verdriet dat onder de oppervlakte schuilt, zoals vanochtend toen de vrouwelijke loophenro (die met Nederlandse vrienden) aan het ontbijt haast terloops een opmerking maakte over haar vriend (vriendin?) die woont in de buurt van de kerncentrale. Geen idee wat er met hem of haar is gebeurd. De telefoon werkt niet meer sinds de aardbeving 3 weken geleden… De hulp uit het buitenland is voor de Japanners een grote morele steun, te weten dat ze niet alleen staan. Elke avond is op de tv wel een groep buitenlanders te zien die hulp biedt: het Amerikaanse leger, Indiase reddingswerkers, het Israëlische leger dat een compleet noodhospitaal opzet.

Als we langs een kleine vissershaven lopen, zien we wel 100 buizerds zitten op kabels en kademuren en in de lucht cirkelen boven een vissorteerbedrijf. Er is net een kleine vissersboot aankomen. Met een groot schepnet wordt de vangst uit het ruim geschept en naar een groot werkoppervlak getakeld. Tientallen zwijgende mannen zijn bezig met het sorteren, onze nieuwsgierigheid negerend. Af en toe worden er wat kleine visjes op de kade gegooid; de buizerds duiken erop af en grijpen met hun klauwen een maaltje bijeen.

Aan de andere zijde van de haven moeten we het kiezelstrand op, tussen zwerfafval en grote aangespoelde boomstammen door. Even later klauteren we tegen een helling op, over een pad dat deels samenvalt met een stroompje; over een wrakkige, vervaarlijk krakende houten plank steken we een dieper gedeelte over. We komen weer verschillende loophenro’s tegen, op de terugweg van tempel 38. Tijdens een afdaling zijn we net met een hachelijk stukje bezig, als er weer een henro aan komt lopen. Hij blijkt goed Engels te spreken. Hij doet de tocht voor de tweede keer, deze maal in tegenovergestelde richting. Dat is erg lastig, want vanuit die richting zijn er geen aanwijzingen aangebracht onderweg. Hij heeft daarom stafkaarten die heel wat gedetailleerder zijn dan alle routeboekjes (die hebben kaarten van 1:30, 60, en 100.000). Maar het blijft lastig, zegt hij. Hij vertelt over zijn eerste henrotocht, die hij maakte toen zijn vriend (vriendin?) net was overleden. Hij had een foto van hem meegenomen en overal schreef hij met zijn staf de naam van zijn vriend in het zand. Dan stak hij 3 wierookstaafjes aan en reciteerde de hartsoetra. Nat zand, aan de rand van de zee. Zodat de zee zijn woorden mee zou nemen naar de einder, waar zee en hemel elkaar raken. Nami kanjo, golfgebed.

Hij geeft ons zijn webadres, waar hij een dagboek op bijhoudt en waar hij ook foto’s van de bloeiende planten van het eiland op heeft gezet. Wel allemaal in het Japans. Als ik mijn visitekaartje geef, blijkt hij geïnteresseerd te zijn in keramiek. Hij heeft gewerkt aan de universiteit van Nagoya, mineralogie. Als we in mei in Nagoya zijn, dan wil hij ons graag rondleiden in Seto en Tokoname. En zo valt plotseling op een hachelijk berghellinkje op Shikoku een puzzelstukje op zijn plaats. Voor ons bezoek aan die regio hadden we nog een tolk nodig. We hebben hier wel 2 contacten, maar de een spreekt te slecht Engels, de ander (een Engelse keramist) reageert niet. Hide-san biedt aan ons met zijn auto rond te rijden om ons alle interessante keramieklocaties te tonen.

De tocht voert ons verder over een paadje tussen akkerland, aan beide zijden door dicht struweel omzoomd. Dan weer door een sprookjesachtig bamboebos. We hadden verwacht de hele dag langs de drukke route 321 te moeten lopen, maar we lopen van het ene verrassend mooie landschap in het andere. In een gehucht lopen we langs een openstaande garage. Een oudere vrouw slaat net met een stick een golfballetje onder een auto door. Ze lacht. Wat kinderen rennen heen en weer. Even later komt een jonge vrouw ons achterna gerend met 2 citrusvruchten.

Dan gaat het weer verder langs de kustweg. Route 321 is inmiddels afgebogen naar het binnenland. We lopen nu langs de smallere en veel rustiger route 27 waar ook geregeld een voetgangersdeel langs is. In zee zitten aalscholvers en grote meeuwen op rotsen. Ver boven zee zien we nog steeds buizerds vliegen. Er komt weer een henro onze kant uitlopen: de jonge vrouw die we voor het eerst enkele dagen geleden op de boot zagen. We blijven even praten en natuurlijk foto’s maken.

In het volgende vissersplaatsje zien we buizerds en raven – normaal aartsvijanden – broederlijk cirkelen boven een visverwerkingsbedrijf. Buiten staan stapels platte metalen manden vol met vissenkoppen. Op een bankje langs route 27 eten we onze lunch op. Met uitzicht op zee. Achter ons op de berghelling zitten enkele buizerds te loensen. Boven ons in de lucht cirkelen er nog veel meer. We laten wat restjes achter.

Een volgend zijpaadje is zo slecht, dat we halverwege omkeren en terug gaan naar de grote weg. Ook de volgende zijpaadjes negeren we. De paadjes zijn wel veel korter dan de weg, maar ze kosten ook enorm veel tijd. Daarom maken we liever wat extra kilometers via de weg. Route 27 versmalt nu regelmatig tot een smal 1-baansweggetje (met 2-richtingsverkeer) dat op een dijkje door de bossen loopt. We moeten regelmatig even wachten tot er weer plaats is voor ons.

Plotseling horen we iemand roepen. De zingende henro springt uit een zijweggetje. Ze logeert daar in een ryokan, maar wil ons graag nog even dagzeggen. Ze hoopt ons weer te zien bij tempel 40, waar ze vlakbij woont. We hebben haar adres. Kussen mag niet, daarom wrijven we op elkaars schouders.

Het laatste deel van route 27, tot tempel 38, is een smalle, sprookjesachtige weg die diep verzonken slingert door de bossen, omzoomd door vreemdgekronkelde bomen. We passeren wat huizen en zien een uitgebreid henroverblijf, waar loophenro’s niet alleen even kunnen uitrusten, maar ook kunnen overnachten. Compleet met keukentje, kachel, tatami’s en dekens, altaartje, terrasje, zelfs met een wasmachine. Het hangt er helemaal vol met osame-fuda’s van dankbare henro’s. Dit soort verblijven zien we wel vaker (maar dan minder uitgebreid; soms alleen een kleine, lege ruimte): ingericht en bijgehouden door vrijwilligers, onbemand, onafgesloten, iedereen kan er gewoon binnenlopen en er gebruik van maken.

We komen om 4 uur aan bij de fraaie tempel 38. Rond de vijver zijn enkele nieuwe rotspartijen geplaatst, onder meer stalagmieten gehaald uit grotten. Het gastenverblijf ziet er gesloten uit. We hadden hier graag – net als vorig jaar – geslapen, maar door de telefoon werd gezegd dat het vol zat. Zou de overspannen priester die we vorig jaar spraken, nog verder ontspoord zijn?

We eten een ijsje op een muurtje. Na het tempelbezoek is het nog 5 kilometer verder naar onze overnachtingsplaats, langs de route 27 die hier langs de zuidkust loopt. Een groot deel van de tijd nemen we een parallelweggetje dat door verschillende gehuchten leidt. Ook al is die route wat langer, het loopt wat prettiger.

Ryokan Aomisaki ligt 600 meter van de henro-route af, maar wel de berg op… Als we even na 6 uur aan komen lopen, staan de gastheer en -vrouw al ongerust op ons te wachten. Hij biedt meteen aan mijn pelgrimsstaf (de belichaming van Kukai) schoon te maken. De ryokan is ons aanbevolen door Ikegami Koji, de hoteleigenaar van enkele nachten geleden, en het blijkt een toplocatie te zijn: netjes en schoon. De kamer is 16 tatami’s groot, met kaptafel en stoeltje, kastenwand, halletje, balkon… en grandioos uitzicht op 2 baaien. Het eten is mooi opgemaakt, zoals de sashimi op een berg rettichsnippers met op de top een vissenkop en -staart en erachter een bloeiende camelia.

Er is trage internet via het snoertje. Staand achter de balie haalt Mels wat mailtjes binnen en uploadt de blog; mijn mailtjes lukken niet meer. Hij wordt weggestuurd, ’t is al bijna 9 uur.

We schatten dat we vandaag toch wel zo’n 30 kilometer hebben gelopen, met alle extra kronkels. Allebei hebben we behoorlijk zere voeten. Ik tel een derde blaar op mijn tenen; mijn rechterenkel voelt nog steeds ‘verzwikt’. En mijn voeten zitten onder de rode bultjes. Ik kom tot de conclusie dat ik voor 2 verschillende soorten tape allergisch ben. Dat is erg jammer, van ik heb er een koffer vol van. Dan maar niet meer preventief tapen…

Dag 33: Met mijn tenen in jouw oksel

Onze gastvrouw loopt nog even met ons mee naar de dijk als we om 8 uur vertrekken voor onze dagtocht van 20 kilometer. Ze wil ons een schrijntje laten zien dat ze onderhoudt. In het midden staat een beeld van Kukai, omringd door verschillende boddhisattva’s, vazen met bloemen, een klankschaaltje op een kussentje en een wierookvat. We steken elk 3 stokjes wierook aan en laten onze osame-fuda’s achter om op te laten hangen bij het bundeltje aan de achterwand. Mels barst spontaan uit in de hartsoetra. Onze gastvrouw kan zijn poging wel waarderen.
Lang nazwaaiend nemen we een paadje langs de dijk dat net onder de drukke weg loopt. We hebben van haar nog 2 bananen en 2 blikjes koude koffie meegekregen. Omdat we die laatste niet lusten, laten we ze achter bij de 2e vending machine die we tegenkomen, netjes in de uitneemlade… Nog een kilometer langs de drukke weg (deze keer in zuidelijke richting) en dan gaan we de – inclusief opritten – 1,4 kilometer lange brug over de brede, traagstromende Shimanto-gawa over. Hier en daar zijn grote grintplaten afgezet in het rivierbed; langs de oevers staat goudgeel riet. De zon glinstert op het wateroppervlak; de zwarte schaduw van een kleine skiff is nauwelijks te ontwaren in het tegenlicht. Een vis springt uit het water. De mistige bergketens in de verte omlijsten het mooie, brede rivierdal. Aan de overzijde van de rivier, volgen we lange tijd de oever in zuidelijke richting; soms langs een parallelweggetje, de meeste tijd langs de drukke route 321, die gelukkig meestal een voetgangersdeel heeft. Nog voordat de rivier uitmondt in de zee, buigt de route 321 af naar het binnenland. De meeste sawa’s liggen er dit jaar nog leeg bij; veel akkertjes zijn nog niet eens omgeploegd. Maar hier is toch een boer bezig met rijstplanten, mechanisch op de tractor, met trays jonge plantjes links en rechts van het stuurwiel in rekken opgestapeld. De ‘banden’ van de tractor bestaan uit een soort spijkerwielen om greep te kunnen houden op de kleiïge ondergrond.
Bij een klein koffiehuis zit de gastvrouw aan een picknicktafel in de zon. We schuiven graag bij. Het eerste terrasje dat we zien. Bij de koffie krijgen we een groot glas cola, een groot glas ijs-groenethee en partjes butan. Ook een andere henro komt erbij zitten. Ze maakt meteen een reservering voor hem in het nieuwe hotel aan de zuidkust van de landtong waar de volgende tempel (38) zich op bevindt, en dat nog niet op de kaart maar wel op internet is te vinden. Voor de komende overnachting beveelt ze ons een mooi aan de kust gelegen ryokan aan, helaas vlakbij de ryokan die we al hebben geboekt… Maar mochten we volgend jaar terugkomen, dan biedt ze ons een gratis slaapplaats bij haarzelf aan! We laten onze osame-fuda’s achter, evenals een visitekaartje. Wij krijgen een plaatje van een lachende boeddha cadeau. Enkele kilometers later loopt de route 321 door een 1620 meter lange tunnel, de langste die we tot nu toe hebben gehad. Gelukkig is er een trottoir. De tunnel is volgens een bord uit 1988, maar hij ziet er oud en aftands uit. Boven de 2-baans weg hangt een rij lampen, maar die doen het lang niet allemaal. Regelmatig is het aardedonker en stap ik met mijn voeten in een erg donkere leegte.
Aan de andere zijde van de tunnel is korte tijd later een udontentje. We zijn al over de helft van de dagtocht en het is kwart voor 12, dus tijd voor een lunch. De snipverkouden en veelvuldig rochelende gastvrouw brengt ons 2 kommen soep. En ze komt ook met 2 bekertjes groene thee. Er valt onderweg iets in het bekertje dat voor mij bestemd is en met haar vinger vist ze het er weer uit nadat ze de bekertjes voor ons neergezet heeft. We hopen dat de soep heet genoeg is om de bacteriën een beetje in toom te houden; de thee laten we staan. We gaan snel verder… Nog eenmaal nemen we een parallelweg, aan de andere oever van de rivier waar de route 321 nu langs voert. We zien hoe een kleine zijrivier in een betonnen bedding wordt gelegd. Daarna loopt het weggetje smal en hoog tussen talloze sawa’s waaruit een zacht gekwaak opklinkt. Op wat drogere grond zitten buizerds geduldig te wachten. Alweer een mooi landschap.
Vanaf de riviermonding voert de route 321 ons weer verder langs de kust, nu op zo’n 20-50 meter hoogte slingerend langs de rotsige uitlopers. We komen enkele henro’s tegen, op de terugweg van tempel 38 die wij pas morgen zullen bezoeken. De kortste route naar en van deze tempel voert langs deze weg, langs de oostkust van deze zuidelijke landtong. Veel henro’s leggen dit traject (heen of terug) per bus af, omdat de tempel nogal in een uithoek ligt. Dat hebben wij vorig jaar ook gedaan nadat ik voor de tweede maal mijn ontstoken blaren had laten behandelen in het ziekenhuis in Shimanto. En na het bezoek aan tempel 38 hebben we toen een route genomen die door het midden van de landtong loopt, over de nodige bergpassen. Deze keer doen we het anders, we gooien er een paar extra kilometers tegenaan: heen lopen we via de oostelijke kustweg en daarna blijven we langs de zuidkust lopen en gaan pas via de westkust weer naar het noorden. Dat is zo’n 26 kilometer langer dan de kortste route. Maar we denken dat het een heel mooie route is. Een paar kilometer voor onze ryokan stopt er een auto. Onze gastvrouw voor de komende nacht. Ze moet nog even wat andere henro’s oppikken met de auto, maar we kunnen naar binnen. We zitten in de eetzaal wat te typen, als ze met 2 henro’s binnenkomt. ‘Waarom zitten jullie nog niet in de ofuro?!’ Het is pas 3 uur, maar het bad is blijkbaar al klaargemaakt. We mogen met zijn tweeën. In het bad van (volgens Mels’ ontwerpersoog) 90x60x50 centimeter zitten we als sardines opgevouwen. Behalve vakkenvullers, zijn we ook badstuwers geworden…
Ryokan Kumomo staat langs route 321, die hier direct langs de kust loopt, op zeeniveau. Onze kamer (7,5 tatami’s groot) heeft een verwarmde tafel en zeezicht. Van de gastvrouw krijg ik een piepklein, mooi gestikt lapje om mijn staf op te zetten. Een osettai voor Kukai, die zich belichaamd weet in mijn (elke) pelgrimsstaf. De vrouwelijke henro in de kamer aan de achterkant van de ryokan heeft Nederlandse vrienden, Jan en Ria uit Pancras; 2 jaar geleden heeft ze ze nog bezocht. En ze heeft de camino naar Santiago de Compostella gelopen, vanaf St. Jean in de Pyreneeën. Naast ons neemt een lawaaierig echtpaar zijn intrek; beiden verkouden en zwaar rochelend. Mels wijdt zich weer aan de vertaling van het blog. Hij heeft berekend dat ik inmiddels 30.000 woorden heb geschreven. ‘Weet je wel dat je een artikel per dag schrijft???’ Om 6 uur eten we met zijn 7-en. Overvloedig gedrenkt in biruwa (bier) en sake. Het wordt steeds gezelliger. Foto’s! De vrolijke gastvrouw moedigt de man van het echtpaar aan een act op te voeren. Speciaal voor de Hollanders. Wij moedigen nog wat meer aan met sake. Met wat kleine ingrepen is zijn yukata veranderd in een vissermanspak. Hij gaat palingen vangen. We rollen over de tatami’s van het lachen. Daarna wordt er steeds opnieuw iets te eten aangeboden. Voor bij de sake. Mels laat zijn foto’s zien van het oude stempelboek. Sugoi! De man van het echtpaar biedt Mels zijn excuses aan voor zijn gerochel. Ten slotte zegt de vrouw met Nederlandse vrienden: ‘Finish.’ We gaan naar bed. Het is nog geen half 8. In de kamer naast ons is het erg rustig. Buiten ruist de zee.

Dag 32: Escortservice

Pas om half 9 kunnen we ons losrukken van het internet en vertrekken we voor een dagtocht van 25-26 kilometer. We trekken verder naar het westen langs de route 56, die zich hier op en neer beweegt langs de rotsige kust. We passeren baai na baai. Op rotsen in zee zitten soms groepjes aalscholvers. Af en toe is er een gehucht. Langs de bij tijd en wijle erg drukke weg zijn op verschillende plaatsen kleinere en grotere wegwerkzaamheden. Elk met een grote hoeveelheid vlaggenmansen die ons buigend en vlaggenzwaaiend wijzen dat we door mogen lopen. Een koninklijk escort.
Rond koffietijd zien we de barak waar we vorig jaar een hartelijke ontvangst kregen. Het is nog steeds dezelfde rotzooi en viezigheid. Dezelfde gastvrouw. Dezelfde 2 oudere dames aan de bar. Ze herkennen ons en de gastvrouw komt meteen met Mels’ visitekaartje aan: ‘Yakimono!’ Bij de koffie krijgen we deze keer chocoladestaafjes en een halve banaan. Ze vinden het leuk dat we er weer zijn en Mels doet zijn best met het woordenboekje. De 2 oudere dames blijken zussen te zijn en de gastvrouw is de schoondochter van een van hen. Bij het afscheid willen ze van geen betaling weten. Een osettai van de schoonmoeder. ‘Ja mata rainen!’, zegt Mels.
In een kleine supermarkt halen we nog wat cake en chocolaatjes met amandelen erin, omdat we niet zeker weten of we nog een lunchrestaurant tegen zullen komen. Maar nog voor 12 uur is er toch een restaurant, niet alleen met een lunch-set, maar ook met een dame blanche. Ik geloof niet dat we zullen afvallen gedurende deze reis… In een grote baai is een eindeloos langgerekt zandstrand waar hoge golven met witschuimende koppen op uitrollen. Het warme, zonnige weer heeft al enkele surfers de zee ingelokt; op het strand wandelen mensen en spelen kinderen. Enkele kilometers later buigt de route 56 het binnenland in en deze keer verlaten we de grote weg, om wat rustiger paden en weggetjes te nemen dichter bij zee. Dat is wel 3 kilometer langer dan via de route 56, maar het lijkt ons erg aantrekkelijk. De route voert eerst door Bios Ogata, een fraai landschaps-/recreatiepark direct achter het strand. Een tijdlang lopen we door een jong naaldbos. Een haast Nederlands landschap; alleen de duinen ontbreken. Op het strand zitten buizerds; verderop cirkelen er wel zo’n 20 rond.
Dan vervolgen we onze route via wat kleinere wegen over beboste berghellingen. Op de kaart leek dit gebied volkomen vlak, met alleen in de verte wat bergjes, maar we komen er al gauw achter dat deze route beter de 7-heuvelenweg genoemd had mogen worden. Pasje na pasje volgt. Maar het is wel een erg mooie en ook rustige route. In de bossen is de rosekleurende kersenbloesem steeds meer te zien. Uiteindelijk lopen we een langgerekt dal in met een mooie compositie aan sawa’s; elke volgende sawa steeds iets lager dan de vorige. De wateroppervlakken glinsteren in het zonlicht. Kilometer na kilometer dalen we lichtjes. Een lange weg met veel tegenwind.
Eindelijk komen we ten zuiden van Shimanto bij de grote rivier die door deze stad stroomt en waar onze minshuku aan moet liggen. Daarvoor moeten we weer zo’n 2 kilometer naar het noorden lopen, maar het eerste deel van de smalle 2-baansweg blijkt niet alleen zeer druk, maar ook voor voetgangers moeilijk te belopen: de afdekplaten van de overdekte goot zijn nogal gammel en we moeten er vaak vanaf. Daarna volgt een nog lastiger stuk over een hoge dijk langs de rivier, waarbij we op de drukke rijbaan moeten lopen. Vlak voor 5 uur zijn we eindelijk bij onze overnachtingsplaats: minshuku Tsukishiro. De kamer blijkt uit een westers deel (met 2 1-persoons bedden) en een Japans deel (4,5 tatami’s groot met kastenwand) te bestaan. Voor het avondeten mogen we in de woonkamer zitten; fraai ingericht met tokonoma met altaartjes. De gastvrouw houdt wel van een praatje en wordt niet in het minst gehinderd door mijn beperkte respons (niet meer dan knikken en ‘ah’ en ‘hai’ roepen) en Mels consequente herhaling van haar woorden (dat ‘stimuleert’ volgens hem). Ze toont ons het stempelboek van haar grootmoeder, uit het jaar 40 in Meji, dus ergens tussen 1900-1910. Met dubbele stempels, want ze heeft de pelgrimstocht 2x gelopen. Erg mooi. En ook bewonderenswaardig, want rond die tijd waren er heel wat minder bruggen en al helemaal geen geasfalteerde wegen of tunnels…
Op de kamer kijken we nog even tv met de ‘Engelse-knop’. Het probleem met de kerncentrale duurt onverminderd voort, evenals de tv-uitzendingen erover. Even voor 8 uur wordt er gemeld dat er 2 minuten eerder weer een aardbeving was: 6,4.

Dag 31: Vissenballet

De dienst ’s ochtends vroeg wordt tamelijk bloedeloos opgevoerd door een bejaard priesterechtpaar. De priesterzoon van de eigenaresse van het gastenverblijf is er blijkbaar niet (meer?). Het is meer dan bitterkoud in de tempel en we zijn blij als het voorbij is. Na het ontbijt weet Mels met zakmes en plakband mijn inmiddels verlepte tulp weer nieuw leven in te blazen. Mels’ eigen tulp hangt al sinds enkele weken met een veiligheidsspeld aan elkaar. Maar we zijn er zuinig op, want iedereen reageert dolenthousiast op de kunststof tulpen op onze rugzakken. ‘Ah, Oranda! Tulipa!’

Bij ons vertrek om kwart over 8 is er niemand te vinden in het gastenverblijf om afscheid van te nemen. Jammer. Soms lopen dingen anders dan je denkt…

We hebben een dagmars van 22 kilometer voor de boeg, inclusief enkele pasjes. Slechts enkele kilometers verderop blijven we haken achter een gebakszaak. De koffie moeten we erbij denken. Daarna lopen we stevig door. Eerst langs route 56, die langzaam op en neer gaat tussen de bergen. Na een eerste pas op 290 meter, slaan we een klein weggetje en vervolgen een paadje in en gaan nog eens over een pas op iets meer dan 300 meter hoogte. De afdaling is hier en daar tricky, zoals het glibberige paadje vlak boven een tunnel, als we de route 56 kruisen. Terwijl we aan het worstelen zijn, horen we ver beneden ons gekakel van de zingende henro en de boot-henro.

Als we even later wat verder zijn afgedaald, vermoeden we waarom: het volgende stuk is nóg moeilijker. Het pad lijkt meer op een glijbaan van fijn gruis. En soms op een hindernisbaan die verticaal is geplaatst. Richting hemel of hel? Maar uiteindelijk heeft ook dit pad een einde en rusten we even uit op een helling naast de route 56, samen met de zingende henro, de boot-henro en de 70-jarige mannelijke henro die we gisteren al tegenkwamen op weg naar de overnachtingsplaats. Ze waren met zijn 3-en bijna een uur eerder vertrokken dan wij, maar hadden een afslag gemist en hadden weer helemaal terug moeten lopen…

Al om kwart over 11 gaan we lunchen, bij het eerste restaurant dat we zien, omdat we bang zijn dat dit ook het enige geopende restaurant zal zijn tijdens deze dag. We krijgen een meer dan uitstekende lunch. Een kleine tv toont de kerncentrale. Al bijna 3 weken zien we nagenoeg niets anders op de tv… Dan vangt Mels het woord ‘meltdown’ op. Als hij de jonge gastheer ernaar vraagt, worden we niets wijzer. Is ons Japans te slecht? Hij zet snel een andere zender op: een dierentuin waar net een jonge zeehond is geboren. Veel leuker. Het laat ons uiteraard niet los, maar we kunnen er voor het moment niets mee.

We lopen verder langs route 56 en rusten rond 2 uur nog even op een bankje. Ik val weer eens in slaap. Bijna aan het eind van de tocht nemen we een kleinere weg en vervolgens een pad de berg op om via een ‘baby-tunnel’ in de volgende, bijzonder idyllische vallei te komen. Als we afdalen, komen we weer in de bewoonde wereld. Kort daarna lopen we Tosa-Saga binnen, een klein plaatsje aan de zee. Een smal weggetje langs de rivier voert ons langs een werkplaats waar vis wordt schoongemaakt. Tot grote hilariteit van de dames vragen we of we foto’s mogen maken. Het is er een gezellige boel. Als we vertrekken krijgen we 2 plastic tasjes mee met vis: kleine visjes van 6-7 centimeter lang, die je moet roosteren en die smaken naar sardines. Heerlijk!

Als we verder lopen langs de rivier, zien we telkens grote vissen uit het water springen. Paaitijd? We verlaten de rivier kort voor deze uitmondt in zee. Even later – om half 4 – komen we aan bij onze overnachtingsplaats: Uchida-Ja, een ryokan die is gelegen vlak achter het strand. Bij binnenkomst geven we onze plastic tassen met vis aan de gastheer. Hij kijkt wat vreemd – we kunnen hem ook niet goed uitleggen hoe we eraan komen… – maar hij pakt het goed op: later bij het avondeten heeft hij voor iedereen een schaaltje geroosterde vis, met onze complimenten…

Deze meer dan uitstekende ryokan staat naast de viezige, aftandse minshuku die we vorig jaar hebben gehad en kost nog minder ook. Vanuit de ruime (en schone) kamer (6 tatami’s groot met grote binnenveranda met zitje, tokonoma en kastenwand) hebben we een fraai uitzicht over de kleine baai. En er blijkt ook nog wifi te zijn.

Tijdens het avondeten staat, zoals gewoonlijk, de tv aan. Er is nieuws over de kerncentrale. Via internet weten we inmiddels dat er – voor de zoveelste keer – een nieuwe aardbeving is geweest (6,1) met een tsunami-waarschuwing in het noordoosten van Japan. En dat het zeer waarschijnlijk is dat er een (gedeeltelijke) meltdown is geweest in de kerncentrale. Als we dat aan de andere henro’s vertellen, is er weinig respons. Ze wisten het nog niet, maar het doet hen blijkbaar ook weinig. Ze zijn druk met praten en lachen. Het plannen van het volgende traject op de route. Er is een nieuw hotel dat nog niet in het routeboek staat! Wij zetten om 7 uur de knop op ‘Engels’ en moeten ons best doen boven het tumult uit nog wat te horen van het nieuws. Zoals gewoonlijk staan enkele deskundigen het een en ander uit te leggen, staand voor allerlei schema’s van de kerncentrale. We horen dingen als ‘voor alle andere kerncentrales in Japan zijn nu plannen voor aanpassingen gemaakt, althans in voorbereiding’ en ‘er zijn oefeningen geweest bij alle kerncentrales hoe te handelen ingeval van een tsunami’, enzovoort. En ook: ‘er heeft waarschijnlijk een gedeeltelijke meltdown plaatsgevonden’ en ‘de regering stelt alles in het werk om de centrale weer veilig aan de gang te krijgen’. Het lijkt wel een soort marionettentheater op tv. Heel erg onecht. Het is een bevreemdende situatie: wij maken ons druk over een kernramp in Japan, terwijl de Japanners – zowel vlak naast ons als op tv – de ernst van de situatie volkomen (lijken te?) negeren.

Schrijnend is het verhaal van een technicus die 5 dagen in de centrale heeft gewerkt. Veel te veel uren blootstaand aan radioactieve straling en ook nog een slechte behandeling: 1 deken voor het slapen, nauwelijks eten. Hij zag er slecht uit.

Op internet lezen we dat de directeur van de kerncentrale zich enkele dagen na de ramp in bed heeft teruggetrokken. Dat kan natuurlijk ook: ik trek de dekens over me heen en ik weet van niets. Tot het over gaat…

Nog terwijl ik bezig ben met internet, gaat een sirene. Het is 9 uur…

Dag 30: Alles went…

Hideko Fujita – de zingende henro – geeft me een paar grote pleisters om op mijn enkels te plakken; schijnt ook goed te zijn tegen de zwelling. Vanavond zullen we elkaar weer zien in tempel 37, onze overnachtingsplaats. Een tocht van 22 kilometer, met 1 pas. We vertrekken om kwart over 8 en nadat we Taisho achter ons hebben gelaten, gaat het verder een langgerekt dal in. Eerst over kleine asfaltwegen waarop nauwelijks verkeer is. De stilte is heerlijk. Halverwege het dal is op grote hoogte een viaduct in aanbouw. Na een uur laten we de laatste huizen achter ons en gaan we een paadje op dat al snel steeds steiler en steiler stijgt en eindigt in een lange trap met reuzentreden. De jonge vrouw die we op de boot spraken, bestijgt samen met ons de trappen. Op de pas op 293 meter hoogte sluit het paadje op route 56 aan. We genieten even van het uitzicht over de lange vallei die we vandaag zijn doorgelopen en de bergen en de zee in de verte waar we gisteren nog waren.

Na een kop koffie in het restaurant op de pas, lopen we via een parallelweggetje door een brede vallei, langs huizen en wat tuintjes, en ook door een stukje bos. In de koele schaduw van de bomen zijn op een rij tientallen stammetjes schuin rechtop geplaatst, vol met paddenstoelen met donkerbruine hoeden. De eerste weken van onze pelgrimstocht hebben we langs de kant van de weg vaak stapels stammetjes gezien, allemaal 1 meter lang en volgens een regelmatig patroon bedekt met witte stippen van een centimeter doorsnede. Pas kort geleden kregen we door dat de stammetjes waren geënt met mycelia en na de paddenstoelenoogst opgeruimd. Een systeem dat ook in Nederland bekend is.

Het parallelweggetje eindigt weer bij route 56. Pas rond half 2 vinden we een supermarkt waar we wat sushi kunnen kopen voor de lunch. Op een zitje ernaast eten we snel alles op. Hoewel we het vaak warm hebben als we aan het stijgen zijn, is de wind toch wat te koud om lang te blijven zitten. Zo’n 2 kilometer voor onze eindbestemming rusten we nog een keer kort in een rest hut op de parkeerplaats van een michi no eki. Vlakbij zitten enkele jongetjes te wachten in een busje. Plotseling staat er eentje voor onze neus: we krijgen elk een kauwgumpje. Even later komt er een andere met snoepjes. Brede grijnzen als we wat in het Engels zeggen.

Al om half 4 arriveren we bij tempel 37 in de stad Kubokawa (Shimanto). Het laatste eindje lopen we steeds sneller, want we kijken er naar uit om de eigenaresse van het gastenverblijf en haar aardige vriendin weer te zien. Vorig jaar hebben we een bijzonder leuke tijd gehad in deze tempel. Maar bij aankomst herkent de eigenaresse ons niet. Ook niet als we vertellen dat we voor de tweede keer hier zijn. En haar vriendin is er blijkbaar niet meer. Jammer. Erg jammer… Maar het gastenverblijf – gelegen middenin het tempelcomplex – is nog even mooi als vorig jaar. Overal staan prachtige bloemstukken met orchideeën en tal van andere bloemen. En onze kamer op de eerste verdieping (15 tatami’s groot met kastenwand en tokonoma) heeft een mooi uitzicht op de hoofdtempel.

Het was een heerlijke dag om te lopen. De afstand viel mee en de voeten ook. We merken steeds weer dat de afstanden ons meevallen, net als het bestijgen van reuzentreden en ook het lopen langs drukke wegen en door tunnels. Gewenning?

Dag 29: Men in trees…

De boot vertrekt pas om kwart over 10 en Ikegami Koji wil ons voor die tijd nog graag zijn bouwactiviteiten laten zien. We dalen af langs café-restaurant Thira en zien dan pas hoe groot Villa Santorini is, zoals het Santorini-gedeelte wordt genoemd. Er zijn verschillende appartementen, een jacuzzi en zwembad, een fitnessruimte, terrassen… Beneden op de parkeerplaats gekomen, nemen we een pad langs de dicht beboste helling, richting oceaan. Op een grote open plek is te zien hoe hij de rotswand heeft afgegraven en met gaas en (spuit)beton bedekt om er straks ‘grotwoningen’ voor te laten zetten en deze weer met steen te bedekken. Zo zijn er nog enkele locaties waar hij plannen voor heeft. Maar hij wijst ook op enkele boomhutten, hoog in de bomen, gemaakt voor zijn eigen plezier. Aan het eind van het pad gaan we verder naar beneden, de steile berghelling af. Met zijn kapmes kapt hij een staf voor mij. Even later komen we bij een wat grotere boomhut, gelukkig iets minder hoog in een boom. We klimmen 1 voor 1 via een zelfgemaakte ladder naar boven en zitten met zijn 3-en op het wiebelige plateautje, zo’n 6 meter boven de grond. Beneden ons loopt de bergwand steil naar beneden. In de oceaan ver beneden ons zien we kleine vissersbootjes. Een buizerd zweeft voorbij. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit in een boomhut heb gezeten. We zitten er lange tijd te genieten in de warme zon, mijmerend over het leven.

Ikegami Koji brengt ons en 2 andere (vrouwelijke) henro’s naar de boot, die verscholen ligt achter enkele werkplaatsen waar vis wordt schoongemaakt. Onderweg zigzagt de kleine, overdekte veerboot heen en weer over de inham, maar aanleggen gebeurt alleen als er iemand staat te zwaaien op de wal. Een aalscholver vliegt op uit het water, een andere duikt juist naar de diepte. Een groep grote meeuwen dobbert op het wateroppervlak. We zien een groot huis, omringd door palmen, bovenop een uitloper van de bergen. Een eind verderop in de lagune drijven talloze pontons, vaak met schuren en huisjes erop. Overal zitten er mannen op te vissen met lange hengels. Vaak ligt er een boot aan. De donkergroen beboste berghellingen beginnen hier en daar zachtrose te kleuren. De natuur loopt dit jaar in Japan 2 weken achter, maar nu begint toch langzamerhand de kersenbloesem te ontluiken. Sakura!

Om kwart over 11 komen we aan in Yokonami, aan de noordkant van de lagune. We kopen in een kleine supermarkt wat sushi om die enkele kilometers later in een rest hut te verorberen. De tocht voert weer naar het westen; vandaag staan 22 kilometer op het programma, met enkele pasjes, dus we zullen stevig door moeten lopen om nog op tijd bij onze overnachtingsplaats aan te komen. Aanvankelijk lopen we voornamelijk over kleinere wegen langs sawa’s en hier en daar wat huizen. Dan gaan we via een paadje een berg over; het pasje op zo’n 200 meter hoogte. De afdaling is erg lastig; we zijn blij dat het niet geregend heeft, anders zou het vrijwel onmogelijk zijn geweest. In een kleine, idyllische vallei staat een mooi, oud tempeltje middenin een bloemenzee van planten en struiken. Vlakbij is een grote ruimte als rest hut ingericht. Het zit er vol met lunchende mensen (vrijwilligers? henro’s?). We zwaaien. Al gauw bereiken we weer de asfaltweg die hier gestaag daalt naar zeeniveau.

In een groter dal komen we middenin een industriegebied terecht, met cementfabrieken, houtzagerijen en vele andere industrieën en ook vele wegen en viaducten. Hier voegen de noordelijke looproute (via het vasteland) en de zuidelijke looproute (via het schiereiland) zich weer samen. Boven een rivier zijn 7 buizerds aan het jagen op vissen die ze met hun klauwen proberen te grijpen; een blauwe reiger wordt weggejaagd. We vinden af en toe merktekens die de route aangeven, maar we merken dat we daarmee ook wat omlopen. Uiteindelijk verlaten we het dal via route 56, door een lange tunnel (met riante stoep). Daarna volgen nog 3 iets minder lange tunnels (zonder stoep). Als we rond 3 uur even een ijsje eten in een eki no michi, overleggen we. Er zijn nog 10 kilometer te gaan, inclusief een pad over een bergpas van zo’n 220 meter. Vorig jaar bleek dat pad definitief afgesloten doordat er een grote betonnen dam op was geplaatst en moesten we een eind omlopen. Bovendien was het allemaal erg moeilijk begaanbaar. We deden 2 uur over 1,7 kilometer van de geplande route. We beginnen nu in tijdnood te raken en kijken daarom nog eens op de kaart: het alternatief voor de bergpas is een 1 kilometer lange tunnel, maar we weten niet of voetgangers er in kunnen en mogen lopen.

We gokken op de tunnel. Langzaam stijgt de weg weer omhoog. Gelukkig is er weinig verkeer. Er is geen stoep, maar zowel langs de weg als in de tunnel is er genoeg ruimte om te lopen. Als service voor voetgangers hangen er in een kastje, bij beide uitgangen van de tunnel, signaleringsbanden die je om je heen kunt hangen. Wij hebben echter al onze eigen reflecterende banden en bovendien een zaklantaarn. Minder dan een kwartier later staan we aan de andere kant van de berg. Daarna is het nog even doorlopen, eerst steeds verder dalend langs de grote weg, en dan lopen we het plaatsje Taisho (‘vette waarheid’) in, waar het nog even zoeken is naar ryokan Otani. Om 20 voor 6 komen we aan, de ryokan-eigenaresse al ongerust. In bad bewonder ik mijn voeten: rode allergiepukkels (geen idee waarvan) en warm aanvoelende zwellingen achter de enkels. Ik heb vandaag weer zoveel mogelijk op de binnenzijde van mijn voeten gelopen vanwege de pijn onder in mijn voeten (doorgezakt?), maar dat leverde wel steeds pijnlijker enkels op.

In de eetzaal vinden we de zingende henro terug. Zij had gisteren de boot al genomen. En veel later komt de jonge vrouw binnen die we op de boot spraken. In de eetzaal proberen we de knop op de afstandsbediening uit voor het verkrijgen van een Engelse vertaling. Het lukt, maar de mededelingen zijn niet erg interessant. Later op de kamer (12 tatami’s groot met kastenwand/tokonoma, verwarmde tafel en grondstoeltjes) werkt het niet. Maar er blijkt wel (onbeveiligde) wifi in de buurt te zijn.

Dag 28: A perfect day

Iets later dan gepland vertrekken we ’s ochtends naar het ziekenhuis in Tosa, vlakbij ons eerdere hotel, voor mijn infuus. Onderweg zien we vanuit de auto de zingende henro van enkele dagen geleden lopen. We gaan nu via de tunnel, maar voor de rest kennen we de route. In de rivier staan rijen witte reigers. Op de terugweg zien we weer de zingende henro lopen, nu in tegenovergestelde richting. Ze gaat waarschijnlijk de landroute nemen in plaats van de route over het schiereiland. Wij drinken nog een kop koffie met Yoshitake Tamaoka die speciaal uit Tokyo is overgekomen om mijn infuus te regelen, en zijn collega, de regiomanager die ons met zijn auto heen en terug heeft gebracht. Een gezamenlijke lunch moet wachten tot een volgende keer, want Yoshitake moet naar een volgende afspraak. Hij vertelt over de angst die hij en zijn vrouw hebben gehad toen de aardbeving plaatsvond, want ze konden een hele tijd hun 2 schoolgaande kinderen niet bereiken. En over het mineraalwater, de batterijen en het toiletpapier die massaal worden gehamsterd en dus schaars zijn in Tokyo… We praten ook over zijn bezoek aan Nederland, begin juli, als we hem Nederland zullen laten zien. We hebben 2 toepasselijke cadeaus voor hem meegenomen: een boek met toeristische informatie over Nederland en In Europa van Geert Mak, beide in het Engels.

Als we willen gaan lunchen in Thira, het Santorini-achtige café-restaurant, nodigt Ikegami Koji, de hoteleigenaar, ons uit om er gezamenlijk te gaan lunchen. Een osettai. Pompoensoep, souvlaki met tzatziki en olijfolie, een salade met Griekse feta en tot slot ijs en Griekse yoghurt met Griekse honing. Alle Griekse ingrediënten geïmporteerd uit Griekenland. In een volledig Griekse entourage met Griekse muziek op de achtergrond. En een uitzicht! We brengen er een heel gezellige tijd door. De hotelmanager vertelt over zijn reizen, naar Thailand, Myanmar, West-Irian, China, Mexico en vele, vele andere landen. Lopend met rugzak, soms via een georganiseerde reis, maar altijd op zoek naar minderheden. ‘Minderheden geven kleur aan een samenleving’, zegt hij. Hij heeft eens halverwege een georganiseerde reis een groep verlaten om contact te leggen met een minderheid. ‘Ik heb maar 2 gebaren nodig als mensen geen Engels spreken,’ vertelt hij, ‘het gebaar van slapen en het gebaar van eten. En voor de mannen heb ik altijd sigaretten en kleine flesjes whisky bij me en voor de vrouwen koop ik een kip of dergelijke.’ Hij geeft ook donaties zoals aan een school op de grens van Thailand en Myanmar. En microkredieten. De ‘pig-bank’ noemt hij het, want zo kan een gezin een varken kopen, vetmesten en weer verkopen. En daarmee hun zoon laten studeren. Een bijzondere man. Mocht iemand zijn hotel willen kopen, dat kan. Want hij wil graag tijd vrijmaken om te lezen en om nog meer te reizen…

Na de lunch trekt Ikegami Koji even een werkbroek en -jasje aan om een lekkende badkamer te verhelpen. Even later is hij weer terug in het pak en dan gaan we naar Dolf van Graas en zijn vrouw Fumika Kuninori in het INAX-huis in Sakawa, zo’n 40 kilometer naar het noorden. We worden er hartelijk ontvangen met groene thee en lekkere gebakjes. Uren praten we en we krijgen ook een uitgebreide rondleiding door het mooie huis en de grote tuin. Buiten waait het flink: ‘Haru ichi ban’, zegt Ikegami Koji. ‘De wind die de lente brengt. Morgen wordt het beter weer.’ We krijgen van Dolf van Graas ook een hele goeie tip: over de knop op de afstandsbediening waarmee je om 7 en 9 uur ’s avonds een Engelse vertaling van het nieuws kunt krijgen op de tv. Geen Japanner die dat weet. En voor ons toch wel handig ingeval van rampen…

’s Avonds maakt Ikegami Koji – als hij klaar is met de bediening in het hotelrestaurant – voor ons de hotelreserveringen voor de komende week. Bedingt korting voor ons in het volgende tophotel… en hij heeft nog een ijzersterke tip: in vroeger tijden nam iedereen vanaf het schiereiland de boot om verder de inham naar het westen te volgen en vervolgens de henro-route op het vasteland van Shikoku te lopen. Volgens hem is dit juist de originele henro-route: ‘Dus het mag!‘ Voor ons zou het een veel betere verdeling van de afstanden betekenen, want door gebrek aan overnachtingsplaatsen moeten we anders een paar onmogelijk lange dagen gaan maken. We vroegen ons al af waarom al die henro’s na het bezoek aan tempel 36 weer terugliepen richting vasteland… Morgen brengt hij ons met de auto naar de boot…

Tot besluit drinken we samen nog een kop koffie in de lounge. We hebben een klein cadeautje: een glazen bal met oud-Hollandse figuurtjes. In september komt hij met zijn vriendin naar Frankrijk om ons te bezoeken; het past net in zijn drukke reisschema. Na de koffie trekt hij weer zijn werkkleren aan. Nog even in de tuin werken…

Dag 27: Er is telefoon voor u…

Moeders kennen we van vorig jaar. Het is de eigenaresse van het hotel. Een sterke persoonlijkheid. Mels noemt haar inmiddels ‘de generaal’. Vorig jaar las ze ons de les toen we (iets) te laat waren voor het ontbijt en klutste ze ongevraagd een rauw ei door onze rijst. Dat rauwe ei is zo de gewoonte bij het ontbijt. Maar voor ons had dat niet gehoeven… Maar ze kon ook heel aardig zijn: ze gaf ons koffie en partjes butan toen we op de ochtend van ons vertrek lang bleven hangen in de lounge om te internetten.

Deze keer worden we bij het ontbijt bediend door de dame die we gisteren achter de balie zagen. Tot onze verrassing vraagt ze ons of ze het rauwe ei door de rijst moet klutsen voor ons. We schudden paniekerig, maar heel beslist nee, trekken vieze gezichten en vragen of het ei gekookt kan worden. Ze neemt beide eieren mee en we horen ze brullen van het lachen in de keuken. Moeders is er blijkbaar inmiddels ook… Als we later nog even een praatje maken met moeders, vertellen we haar over onze plannen om na onze pelgrimstocht nog een maandlang yakimono te gaan bekijken: Japanse keramiek. Ze vertelt dat ze zelf ook keramiek heeft gemaakt en laat ons ook enkele oude kommetjes en een theepotje uit Bizen zien, een van de six old kilns in Japan. Spontaan schenkt ze ons het theepotje. Als we vragen of we misschien koffie zouden kunnen bestellen – zou lekker zijn, terwijl we toch nog even profiteren van het internet… – blijkt dat er niet te zijn, maar moeders stelt voor koffie te drinken in een café 2 straten verderop. Ze belt er even naartoe en nodigt ons dan uit er samen koffie te drinken: ‘Osettai!’ Het café is op weg naar tempel 35. Ik laat mijn rugzak achter in het hotel, omdat we voor deze tempel ‘even’ op en neer moeten en later weer langs het hotel zullen komen om onze route verder te vervolgen naar tempel 36. In het café zitten enkele mannen aan de bar koffie te drinken. Wij nemen een tafeltje. Moeders (we weten nog steeds haar naam niet…) heeft koekjes meegenomen en een enorme butan (‘buntan’, zegt zij) die ze voor ons schilt. We blijven er lang zitten, hoewel we eigenlijk nog een heel zwaar dagprogramma voor de boeg hebben (18 kilometer lopen met diverse huchtjes en met bezoek aan tempel 35 en 36). Mels heeft moeite haar rappe Japans bij te houden. Steeds haar woorden herhalend, soms met het boekje erbij… Ze is 70 (ziet eruit als begin 50!), er is geen man (gescheiden? weduwe?), heeft 2 kinderen die niet in het hotel werken en zal over enkele dagen tempel 38 bezoeken. Misschien dat we elkaar nog tegenkomen? En ja, dat rauwe ei, dát wist ze nog van vorig jaar, vandaar het lachen in de keuken…

Het is koud als we om even voor 10 uur eindelijk vertrekken uit het café en ons haasten naar tempel 35. Eerst de bebouwde kom uit, dan via kleinere wegen langs sawa’s, en uiteindelijk via een bergpad omhoog tot we bij de meer dan 200 meter hoger gelegen tempel komen. Er zijn bij de tempel veel vrouwen aan het werk met vegen, onkruid wieden en andere karweitjes. Af en toe maken we een praatje. Als we weer bijna beneden zijn, komen we de vrouw tegen die enkele dagen geleden een mooi lied zong tijdens het eten. Een hartelijk weerzien.

In het hotel pikken we snel mijn rugzak weer op en halen wat broodjes in de luxe bakkerszaak naast het hotel (hebben we vorig jaar volledig over het hoofd gezien…) om geen tijd te verliezen aan de lunch. We willen voor sluitingstijd (5 uur ’s middags) nog tempel 36 bezoeken en daarvoor moeten we niet alleen 11 kilometer lopen, maar ook weer een huchtje over. We lopen opnieuw de bebouwde kom uit, deze keer naar het zuiden, alle restaurants en rest huts negerend. Maar hoeveel haast we ook hebben, als er voor ons een man van zijn fiets stapt en ons opwacht om een praatje te maken, nemen we daar alle tijd van de wereld voor. Het is een visser, 63 jaar oud, zonder echtgenote (‘niet nodig’), die zichzelf Engels heeft geleerd met behulp van radio en tv. Hij heeft groot respect voor Mels’ Japans, wij voor zijn Engels.

Zowel de tempel als ons hotel bevinden zich op een schiereiland dat we via een lange brug kunnen bereiken. Maar eerst komt er nog een berg. Om een lange tunnel te vermijden, gaan we via een paadje een pasje op 202 meter hoogte over. Bij het begin van het pad voel ik een pijnscheut in mijn rechtervoet. Alsof 2 botjes over elkaar wrijven. We rusten even kort in een rest hut vlakbij, maar dan moeten we toch verder. Door op de binnenkant van mijn voet te lopen (met flinke x-benen) en deze telkens op een beetje vlakke ondergrond neer te zetten, weet ik nieuwe pijnscheuten meestal te voorkomen. Zwaar leunend op mijn staf, weten we de pas te bereiken. Knieën en enkels protesteren heftig. Eenmaal boven is het uitzicht grandioos. In de verte zien we de brug waar we nog over moeten en ook het hotel bovenop een berg. Langs het fraaie pad staan enkele bloeiende azalea’s en ook veel wilde viooltjes. Als we weer aan het afdalen zijn in een mooie, nauwe vallei, langs een klein beekje met talloze watervalletjes, komen we langs een plek waar een aardverschuiving heeft plaatsgevonden. Een man is druk bezig alle stenen van het pad te verwijderen. Onderaan het pad staat, net als vorig jaar, een rek met kapstokjes. Kun je handdoekjes en kleding aan ophangen. Alles voor de vermoeide henro!

Eenmaal beneden weten we beter onze weg te vinden dan vorig jaar, dankzij een krabbeltje van iemand op een paal. Met mijn voet gaat het een stuk beter. Al snel zijn we bij de brug die het vasteland met het schiereiland verbindt. Gelukkig niet zo’n hoge brug als enkele dagen geleden en er is ook een riante stoep naast het wegdek. Om 4 uur komen we aan bij het stempelkantoor van tempel 36, onderaan de vele trappen die we nog moeten bestijgen naar alle tempelgebouwen. Na het stempelen gaat het verder naar boven en na het uitvoeren van de rituelen nemen we een pad dat ons nog verder de berg op voert om uiteindelijk op de weg naar ons hotel uit te komen. Het laatste deel van het pad is half ingestort en mijn voet begint steeds meer op te spelen. Maar het lukt en om half 6 komen we aan bij hotel Kokumin Shukushta Tosa. Daar hebben we vorig jaar ook al geslapen en we wilden hier beslist naar terug: een tophotel op de mooiste locatie die we ooit hebben gezien. Voordat we naar binnen gaan, genieten we uitgebreid van het uitzicht. In de verre verte ligt het hotel waar we 2 dagen geleden sliepen, ook al op een berg. Nog verder weg ontwaren we nog vele, vele baaien, in mistige grijstinten. Al die baaien zijn we al langs gelopen afgelopen dagen.

We staan nog bij de receptie als de aardige (Engelssprekende) hotelmanager van vorig jaar binnenkomt met een henro die hij met zijn auto bij de tempel heeft opgepikt. Hij begroet ons hartelijk en vertelt dat ze onderaan de trappen van de tempel op ons hebben staan wachten in de verwachting dat we weer naar beneden zouden komen, niet beseffend dat wij het sluipweggetje hadden weten te vinden… We hebben 2 nachten geboekt in het hotel om een rustdag te hebben, maar ook omdat mijn 4-wekelijkse infuus morgen is gepland. De hotelmanager biedt aan ons morgenmiddag de omgeving te laten zien. Hij toont ons een informatiemap die is gemaakt in het kader van 400 jaar handelsbetrekkingen Nederland-Japan in 2009: een brochure over Nederland, een plattegrond van Amsterdam en een boekje over interessante Japanse onderwerpen, onder meer over een huis dat de INAX-prijs heeft gekregen, een belangrijke Japanse designprijs. Hij wil ons graag dat huis laten zien, het ligt niet ver van het hotel vandaan.

Op de kamer (6 tatami’s groot met halletje en kastenwand, en binnenveranda met zitje en wastafel) genieten we weer van het grandioze uitzicht. Mels snelt naar de ofuro. Als we later aan het diner zitten, komt de manager met de telefoon in de hand op ons tafeltje af. Telefoon voor ons! Een stem vraagt – in het Nederlands – of we zijn gestrand. Telefoon uit Nederland? Of is het de Nederlandse ambassade soms? Nee, het blijken de eigenaren van het INAX-huis te zijn, een Nederlander die is getrouwd met een Japanse vrouw. We worden uitgenodigd om morgenmiddag thee te komen drinken. Later, als we nog even in de lounge zitten te internetten, laat de hotelmanager zijn bouwplannen zien voor het hotel. Hij blijkt de eigenaar te zijn. Het hotel was oorspronkelijk eigendom van de provincie maar het liep niet. Toen het 10 jaar geleden te koop werd aangeboden, was hij bang dat de locatie verloren zou gaan voor henro’s, want niemand wilde het hebben. Eigenlijk wilde hij gaan rentenieren om meer te gaan reizen, maar toch nam hij de uitdaging aan. Hij heeft er een goedlopend hotel van weten te maken en bij het wat saaie hoofdgebouw heeft hij een groot deel aangebouwd in Griekse stijl. Hij is 4x op Santorini geweest en heeft daar elk hotel bezocht dat er is. Het leverde hem inspiratie op voor Santorini-achtige elementen, zoals voor het café-restaurant. Veel heeft hij zelf uitgevoerd en ook dat leverde hem inspiratie op: uitrustend na het zware werk, dacht hij hier zou ik wel in een ofuro willen zitten en dus maakte hij buiten-ofuro’s van waaruit je over de zee en de kust kijkt terwijl je ligt te dobberen. Nu heeft hij nieuwe plannen: witte, organisch gevormde, half in de berghelling ingegraven appartementen. Alles zelf ontworpen. Gemaakt van het mooie, lokale rozegetinte gesteente.

Dag 26: Geplofte mais

Op de gangen zijn zachte vogelgeluiden te horen. Geen echte, maar luidsprekervogeltjes. Het personeel van het restaurant verwijst ons na het ontbijt welwillend naar een zonnig plekje achterin, met wijds uitzicht. We zitten er lang te internetten onder het genot van een kop koffie. Als we later nog even op onze eigen binnenveranda zitten, cirkelt er regelmatig een buizerd vlak voor het grote raam, op zoek naar prooi. De zee is spiegelglad. Beneden op het 50 tot 100 meter lager gelegen strand lopen al tientallen mensen. Een parasol wappert in de wind.
We vertrekken pas om 10 voor half 10. Gepland staan 17 kilometer lopen, met bezoek aan tempel 33 en 34. We dalen snel af, eerst langs de grote weg en dan zigzaggend door het gehucht aan de voet van de hoge brug, verder naar het westen. Het is zonnig, maar de wind is af en toe wat fris. In een klein supermarktje kopen we water en ijsjes en vragen naar de weg. De bejaarde eigenaresse tekent een plattegrond voor ons en geeft ons ook bananen mee. Al gauw bereiken we tempel 33. Daarna gaat het verder naar het westen, veelal door landbouwgebied, af en toe is er een klein gehuchtje. Rond het middaguur komen we langs de weg een stalletje tegen met gepofte mais, rijst en soja. In een langwerpige kooi (een oude vangkooi voor roofdiertjes en ratten?) stopt hij de ingrediënten, bevestigt er een of ander apparaat aan en dan is er een enorme knal. We schrikken ons rot, maar de mais is gepoft… We nemen een zak mee voor onderweg.

Even later komen we aan bij tempel 34, maar eerst leggen we aan in het restaurantje ernaast voor een heerlijke lunch. De jonge eigenaresse herkent ons van vorig jaar: de mensen van toge! (klei) De kale, containerachtige ruimte is gezellig ingericht met kussens, foto’s van bloemen, beestjes en talloze andere knussigheidjes. Ze heeft ook de osame-fuda’s die ze heeft gekregen van henro’s, ingelijst en opgehangen. Mels’ visitekaartje hangt er ook bij. Voor ons vertrek maken we foto’s. Op de muur boven onze tafel staat een gedicht dat mijn lijfspreuk wel lijkt voor deze reis:
When I saw your back. It seems
a pastel drawing
When I saw
the sun.
It’s shiny on my head.
Dream, your smiling face is bright.

Al om half 4 komen we aan bij Hotel Business Inn Tosa in Tosa City, waar we vorig jaar ook hebben overnacht. De dame achter de balie is ons onbekend. De kamer is westers: 2 1-persoons bedden, zitje en bureau, halletje met wasmeubel, badkamer met wc en bad/douche. Tijd voor een sokkenwas. Een kleine wasmachinewas beneden op straat. En lekker weken in bad. Ik val er 5x in slaap. Pas om half 7 kom ik eruit.
Als we het restaurant onder het hotel bezoeken, valt op dat we niet echt contact kunnen maken met de bediening. Op onze pogingen Japans te praten wordt niet ingegaan. Ook als we vertellen dat we hier een jaar geleden al waren, komt dat niet binnen. Er is geen interesse, hoe aardig de bediening ook is. We zijn en blijven buitenlanders. Aliens. Tijdens het eten praten we erover hoe groot het verschil is tussen platteland en stad. We missen meteen het contact met mensen zodra we een stad binnenlopen. Is dat in Nederland ook zo of is daar meer uitwisseling geweest tussen stad en platteland? We merken allebei dat we in een stad automatisch terughoudender worden met dagzeggen. Je wilt geen Crocodile Dundee in New York worden… De risée van Shikoku…
Toch heeft Shikoku me veranderd. Vorig jaar heb ik (en dat geldt voor ons allebei) geprobeerd iedereen die ik tegenkwam dag te zeggen, contact te maken, soms ook een praatje te maken. Ook met automobilisten. Desnoods met zwaaien. Ook met mensen die helemaal in zichzelf gekeerd leken. En bijna altijd zagen we mensen dan helemaal openbreken. Met een brede lach. Sinds de vorige reis kijk ik iedereen die ik tegenkom, op straat, in een restaurant of elders, meer aan. Elke ontmoeting is een kans op contact. Op betekenisgeving.

Na het eten gaan we nog even in de lounge van het hotel zitten om te internetten. Tenslotte hebben we dit hotel gekozen vanwege de wifi. Maar al snel komt moeders binnen en zet ons buiten. Het is 9 uur…

 

Dag 25: Huchtjesdag…

De andere loophenro’s schudden meewarig hun hoofd als we bij het ontbijt vertellen waar we vanavond zullen slapen: Hotel Katsuurahama ten zuidenwesten van Kochi. Vorig jaar hebben we de ferry genomen om de brede riviermonding ten zuidwesten van Kochi over te steken en hebben toen geslapen in een ryokan die inmiddels is opgedoekt. Vanaf het pontje hebben we de hoge brug gezien en onszelf toen gefeliciteerd dat we daar in ieder geval niet overheen hoefden te lopen. Dit jaar lopen we wél over die brug om een tophotel aan zee te bereiken. Dat betekent niet alleen extra kilometers lopen, maar ook 2x extra klimmen, eerst over de brug, daarna nog om het hotel, dat staat op een bergje, te bereiken. ‘Dat heet “grenzen verleggen”’, lacht Mels me later toe…
Op het programma staan 17 kilometer (denken we…), met bezoek aan tempel 30, 31 en 32. Maar de gastvrouw interpreteert mijn zoekende blik onder tafel juist en komt na het ontbijt met het internetkabeltje aanlopen. De gastheer blijft welwillend koffie aandragen tot we ons om half 9 eindelijk naar ons appartement haasten om ons klaar te maken voor vertrek. De zon schijnt en het is warm, vermoedelijk veel warmer dan de 18 graden die zijn voorspeld. Binnen een half uur zijn we op weg naar de vlakbij gelegen tempel 30. We presteren het voor de tweede keer om bij de verkeerde tempel binnen te lopen: net als vorig jaar staan we eerst voor de ernaast gelegen shinto-tempel. Later, als we een plattegrond zien van het terrein, begrijpen we waarom. Het shinto-tempelcomplex is enorm groot en de kleine boeddhistische tempel bevindt zich er ergens middenin. Vanaf tempel 30 trekken we naar het zuiden, Kochi in. Eerst door industriegebied, dan door sawa’s, vervolgens meer door woonwijken. Vlak voor we de voet van de berg bereiken waarop tempel 31 zich bevindt, passeren we een rivier. Vanaf de brug zien we tientallen schildpadden in het water zwemmen of rusten op aangespoeld hout of plantenresten. Via een klein paadje stijgen we minstens 100 meter. De hellingen zijn bedekt met bloeiende pruimenbomen. Een zee van felwitte bloesem. De kersenbloesem laat dit jaar nog even op zich wachten en het Sakura-feest (kersenbloesemfeest) zullen we dit jaar niet meemaken in Kochi, maar er staan talloze andere planten en bomen in bloei. Bovenaan gekomen, loopt het henro-pad dwars door een grote botanische tuin die zich uitspreidt over enkele bergen. We komen ogen tekort en nemen talloze foto’s. In de verte zien we weer de grote sneeuwreigerkolonie op een verder weg gelegen helling. Te herkennen aan de talloze dode bomen die bezweken zijn aan de enorme hoeveelheden reigerstront. (Ze nestelen in de bomen.) In het laatste dalletje dat we passeren, is een tentoonstelling gewijd aan Nederlandse voorjaarsbloemen. Een zee van tulpen, lupines en andere bloemsoorten. Schalen met tulpen drijven in een grote vijver. Wij vinden waterijs en een bankje in de zon, met uitzicht op het bloeiende dal. In de vijver zit een leger groene kikkers te kwaken. We hebben alle tijd van de wereld, want het dagprogramma is immers niet zwaar…
Tempel 31 bevindt zich direct achter de botanische tuin, te bereiken met vele, vele trappen. Na ons bezoek lunchen we in het restaurant aan de overzijde van de straat. We komen er een jonge henro tegen die ook logeerde in Rainbow Hokusei. Hij is gisteravond met de auto opgepikt door onze gastvrouw, toen hij te laat dreigde te komen voor het eten. Vanochtend heeft ze hem met de auto teruggebracht naar het punt op de route waar hij was gebleven. Gisteren liep hij te strompelen en het is er niet beter op geworden ondanks een shiatsu-behandeling. Verstuikte enkel. We waarschuwen hem voor het pad dat vanaf tempel 31 naar beneden loopt. We vonden het vorig jaar levensgevaarlijk vanwege de gladheid en na de regen van gisteren zal het er niet beter op zijn geworden. Hij besluit, net als wij, de gewone weg naar beneden te nemen. Dat betekent wel extra kilometers. Eenmaal beneden, lopen we een tijdlang langs een rivier. De zon is inmiddels helemaal verdwenen, maar de temperatuur blijft aangenaam. We rusten even in een grote rest hut aan een meer. Een vrouw op een fiets komt langs en maakt een praatje. Ze nodigt ons uit voor de koffie, maar haar huis is precies de andere kant uit. Jammer, want het had ons erg leuk geleken. Maar we moeten wel verder, want inmiddels is de middag grotendeels voorbij… Het spijt haar ook zichtbaar, ze wil graag iets geven en vindt in haar tas een mooi doosje met lucifers dat ze me toestopt. Ik geef haar een visitekaartje.
Voor tempel 32 moeten we nogmaals een berg op, minder dan 100 meter stijging. Mels stelt het bergpaadje voor. ‘Ik herinner me dat het een makkelijk pad was’, zegt hij om me over te halen. Ik herinner me helemaal niets. Maar blijkbaar hebben we allebei iets zitten verdringen, want het pad blijkt erg lastig te zijn. Eindelijk komen we dan toch aan bij de tempelpoort. Als we het stempelkantoor verlaten, staat daar die aardige vrouw weer. Nu met een grote tas met koffie in een thermosfles. We gaan zitten onder het afdakje bij het stempelkantoor en ze haalt van alles uit de tas: Dienblad, deftige porseleinen kopjes en schoteltjes, zilveren lepeltjes, de koffie uiteraard, suiker en kuipjes melk, koekjes en uiteraard ook… 2 oshibori, hete natte doekjes om de handen even schoon te maken. En uiteraard ook een fototoestel. We genieten! Lange tijd blijven we gezellig zitten. Er worden veel foto’s gemaakt. En we geven haar een klein cadeautje, Delftsblauwe klompjes uit Nederland. Ik krijg weer een mooi doosje lucifers. Bij het afscheid houden we elkaar vast. Pas later, als we bezig zijn de nog vele trappen te bestijgen om bij de hoofdtempel te komen, realiseer ik me dat we elkaars namen niet eens weten… Tempel 32 heeft iets met kinderen. Jizo neemt er een prominente plaats in, omringd door kindertjes die net als hij een slabbetje dragen en een mutsje op hebben tegen de kou. Bij deze tempel hangen zelfs slabbetjes rond totaal afgesleten stenen waarop geen beeltenis van boddhisattva of wat dan ook te zien is. En ook zijn ze allemaal flink ingepakt tegen de kou met gebreide mutsjes. Enkele hebben ook een gehaakt tasje omgehangen gekregen. Tanuki – een soort wasbeer met enorme ballen – zwerft ook overal rond. En er zijn ook veel offers die aantrekkelijk zijn voor kinderen, vorig jaar zag ik zelfs kitkat. In een holte in de rots zie ik een beeldje van een piepklein babytje liggen. Het raakt me. Ik voel verdriet over de kinderen die ik nooit heb gehad. Ik heb zelfs geen ongeboren vrucht om over te treuren…
De ligging van de tempel is sensationeel met een fantastisch uitzicht over de kust. Ik dacht dat Kochi helemaal aan de kust lag, maar de weg waar we straks zullen lopen, voert door haven- en landbouwgebieden. In de verte, aan de overzijde van een riviermonding, zien we een groot gebouw op een heuvel. Dat moet het hotel zijn waar we zullen overnachten. Maar het lijkt wel erg ver weg… Even na 4 uur gaan we op weg voor de laatste 4 kilometer. Maar ja, dan blijkt er toch een rekenfoutje te zijn gemaakt. Het worden er minstens 6. En de brug, die valt niet mee. Aan weerszijden van de drukke 2-baansweg is een smalle, verhoogde stoep. Af en toe moeten we ons tegen de reling drukken als er een grote vrachtwagen voorbij komt. Ik merk dat de vermoeidheid verdwijnt bij grote inspanning, want er is veel concentratie nodig om geen misstap te begaan. Op de brug zien we ook het bergje waarop het hotel staat, steeds hoger en puntiger worden. Zou er een lift zijn vanaf beneden? Even na 6 uur bereiken we het hotel. De beloning is groot. De kamer (8 tatami’s groot, met kastenwand, binnenveranda met stoeltjes, hal met wasmeubel en wc) heeft een grandioos uitzicht over de kust en de oceaan. En het eten is overvloedig en heerlijk. Er blijkt ook nog wifi te zijn in de lounge. Eindelijk kunnen we weer eens het internet op met onze eigen computers! Als we vele uren later weer teruggaan naar de kamer (al het personeel is al om 9 uur verdwenen…), hangt de maan bijna vol en zalmkleurig voor het raam. Vlakbij strooit een vuurtoren licht in de rondte. Uit de diepte klinkt regelmatig hees geblaf. Zeeleeuwen?

Dag 24: Nog één huchtje…

Voor vandaag staan op het programma 24,6 kilometer lopen (volgens Mels; 26 kilometer volgens onze tafelgenoten…), met bezoek aan tempel 28 en 29. De overnachting is gepland in Rainbow Hokusei, vlakbij tempel 30, in het noorden van Kochi. Als we om 10 over half 8 vertrekken, ziet het er betrokken uit. Ver weg, in de valleien, drijven zware wolken. Een enkele wolk neemt de fantastische vorm aan van een enorme golf zoals op Japanse prenten is te zien, ver uittorend boven de bergen. Er is regen voorspeld, maar voorlopig houden we het droog. We nemen het fiets-/wandelpad dat parallel loopt aan route 55 en hier wat verder van de zee af ligt. Na een paar kilometer komen we tot de ontdekking dat we (volgens ons schema) precies 300 kilometer hebben gelopen; we zitten op een kwart van de route. Als het pad diep tussen enkele bergwanden loopt, horen we links en rechts kikkers, zittend in kleine holletjes die hun gekwaak versterkt tot een imposant gebrul. Het lopen gaat wat moeizaam: de benen en voeten zijn stijf en pijnlijk en ik zweet verschrikkelijk, ondanks de frisse wind. Waarschijnlijk nog de naweeën van de lange tocht van gisteren… Pas tegen 10 uur, als we al een tijdje langs route 55 lopen en dichtbij tempel 28 zijn, vinden we een koffiegelegenheid die open is. Daarna gaat het lopen een stuk beter.

Nog voor Kochi verlaten we route 55 om via kleinere wegen naar het noorden te lopen. Een busje met bejaard echtpaar stopt midden tussen het drukke verkeer en we worden geroepen: of we mee willen rijden? We hebben de afgelopen weken vaker zo’n aanbieding gehad en deze steeds beleefd afgeslagen (alleen voor een overnachtingsplaats die ver buiten de route lag, hebben we een lift geaccepteerd). We willen liever lopen. Hij probeert geruime tijd of hij ons kan overtuigen, blijft ook een tijdje naast ons rijden (het andere verkeer wijkt beleefd uit), maar we blijven lopen. Uiteindelijk nemen we zwaaiend afscheid van elkaar. Tempel 28 ligt op een helling en voor het laatste deel moeten we iets klimmen. We blijven er kort en dalen daarna weer af voor het vervolg van onze tocht. Het busje komt weer langs en we zwaaien enthousiast, maar blijven lopen…

Kochi is een grote stad aan de zuidkust van Shikoku. Verspreid over de stad zijn verschillende tempels die deel uitmaken van de pelgrimstocht. Vorig jaar hebben we deze tempels bezocht, terwijl we meerdere nachten verbleven in 1 hotel. Dat had als voordeel dat we geen rugzakken hoefden mee te sjouwen. Het nadeel was dat we veel extra kilometers moesten maken om telkens weer op de route te komen, die we voor een deel compenseerden door met een treintje of ander transportmiddel te reizen. Dit jaar blijven we lopen van tempel naar tempel en overnachten we telkens in een andere ryokan of hotel. We lopen dan ook van tempel 28 met een wijde boog om het noordoosten van Kochi heen naar tempel 29, via kleinere wegen en paadjes op het platteland.

Als we op een glibberig paadje tussen enkele huizen lopen, begint het te regenen, al gauw steeds harder. We versnellen het tempo, want even verderop moet een rest hut zijn en omkleden is toch wat makkelijker met bankje en afdak. Maar de hut blijkt al helemaal vol met mensen te zitten. Dan worden we gewenkt, er wordt plaats gemaakt. In het midden van de rest hut annex klein tempeltje staat een oliekacheltje. Eromheen zitten 6 vrouwen en 3 mannen, waarvan er eentje een priester is. Henro’s? Nee, allemaal buurtgenoten die osettai’s uitdelen aan voorbijkomende loophenro’s. Het is er erg gezellig. We krijgen koffie met koekje, een umeboshi (zuur pruimpje, door ons zuurpruimpje genoemd) en vooral heel veel partjes butan. Heerlijk fris. Een onverwachte, zeer aangename verrassing, niet alleen vanwege de regen, maar ook omdat we onderweg geen lunchrestaurant hebben gezien en we de rijstballen een beetje zat zijn. We geven osame-fuda’s, schrijven nog wat in het gastenboek, overhandigen onze visitekaartjes (‘ah, yakimono!’, keramiek!) en nemen foto’s. We vergeten prompt onze poncho’s aan te trekken, maar de regen is alweer opgehouden. Het is moeilijk afscheid nemen en er wordt nog lang, heel lang gezwaaid. Nog voor we aankomen bij de volgende tempel is de zware zak met partjes butan, die we hebben meegekregen, op.

Als we kort voor tempel 29 over kleine paadjes tussen de sawa’s lopen, wordt er in de verte hevig getoeterd. Het busje. We zwaaien enthousiast terug. Kort daarna arriveren we al bij de tempel. De kersenbloesem die hier vorig jaar in grote watervallen aan de bomen hing, begint nu net uit te komen; het meeste nog in knop. Nu staat onder de bomen judaspenning in grote groepen te bloeien. Nadat we de rituelen hebben uitgevoerd, rusten we er even op een bankje. We hebben inmiddels zo’n 19 kilometer gelopen en zijn toch wel erg moe geworden. Mels heeft schoenen en sokken uitgetrokken in het vermoeden van een opkomende blaar. Er gaat nog een butan op. De man van het busje komt aanlopen en begint te lachen en te wijzen naar Mels’ voeten. Ja, dat komt ervan als je niet mee wilt rijden… Uiteindelijk neemt hij weer zwaaiend afscheid.

Het gaat lichtjes regenen, maar niet erg genoeg voor een paraplu. Nog 7 kilometer te gaan. Via kleinere wegen en paadjes trekken we verder om Kochi heen. Een eindje langs een rivier. Een brug over. Weer een eindje langs een rivier. Weer een brug over. Het blijkt toch nog wat verder te zijn… En dan blijkt onverwacht, bijna voor het eind, dat we ook nog 2 lage bergpasjes over moeten. Op het eerste pasje rusten we even in een rest hut, ook om moed te verzamelen voor de tweede pas. Maar even na 5 uur komen we dan toch bij onze overnachtingsplaats aan. We blijken een appartement te hebben gehuurd. Zelfs met keuken, bureau en bank en ook badkamer, wc en wastafel. En ook nog goedkoop. Het slapen is nog wel op futons. We genieten een riant uitzicht over Kochi, waaronder een grote begraafplaats.

In het restaurant komen we weer 2 loophenro’s van de vorige ryokan tegen. Aan de muur hangt tot onze verrassing een grote poster van De Keukenhof. Na het eten kunnen met een kabeltje eindelijk eens met onze eigen computer het net op. We blijven lang zitten… Inmiddels is de gastheer al enige tijd vertrokken. Maar gelukkig is de gastvrouw nog druk bezig met de afwas… We krijgen wat kaarten en sleutelhangers cadeau van haar. Maar om 9 uur doet ze de lichten achterin de zaal uit, gaat zonder iets te zeggen naar buiten en dan horen we een auto wegrijden. Wij gaan ook maar… In ons appartement werken we nog wat aan de blog.

Dag 23: Koffie mét

Al om kwart over 7 vertrekken we voor een tocht van (volgens het routeboekje) 21 kilometer. De lucht ziet er betrokken uit, maar de temperatuur is aangenaam. We trekken weer verder langs de route 55. Er is druk verkeer, en dat voor een vroege zondagochtend. Veel winkels zijn open. Helaas geldt dat voor de geldautomaten niet; we hadden graag wat extra geld gehaald voor het geval de stroom hier ook op rantsoen gaat… Als we om 8 uur een restaurant aan zee al geopend zien, stelt Mels koffie voor. Hij doet het écht rustig aan dit jaar… We krijgen bij de koffie groene thee-koekjes. En uiteraard is er na de koffie de gebruikelijke beker met warme groene thee. Tot slot krijgen we een butan mee voor onderweg, een grote gele citrusvrucht waarvan elk partje ook in een schilletje zit. Daarna gaat het weer verder langs route 55, soms via een parallelweggetje door een gehucht. Mels heeft me de afgelopen dagen leren tellen en klokkijken en probeert me nu te leren lezen aan de hand van de uithangborden die we af en toe tegenkomen.

Rond 11 uur komen we in een wat grotere stad: Aki. De bibliotheek blijkt ook op zondag open te zijn en we kunnen er maximaal 1 uur internetten op de enige computer die er is. Dat uur vliegt snel voorbij met mailtjes beantwoorden, de blog uploaden en nieuws vergaren. Na herberekening is gebleken dat de grootste aardbeving op 11 maart 9 op de schaal van Richter telde en de tsunami geen 10 of 12 meter hoog was, maar 23 meter. Als er geen golfbrekers waren geweest zoals pas sinds de moderne tijd zijn aangebracht, was de tsunami nog hoger geweest en daarmee is het de ergste in de geschiedenis van Japan. De situatie rond de kerncentrale is stabiel, maar kan nog steeds uit de hand lopen. De Nederlandse ambassade heeft jodiumtabletten besteld voor Nederlanders die in Japan verblijven. Er wordt echter bij gezegd dat het stralingsrisico voor 45-plussers wat betreft schildklierkanker niet wetenschappelijk is aangetoond, maar dat de bijwerkingen van jodiumtabletten voor die leeftijdsgroep wel groter zijn. Geen tabletten voor ons dus…

Bij een sushi-take away in Aki hebben we een uitgebreide lunch, met ijs toe. Inmiddels is het lichtjes gaan regenen. Het is eigenlijk veel te warm voor windjack en poncho en daarom steken we eerst maar eens de paraplu’s op. Maar als het toch wat serieuzer gaat regenen, wordt het tijd voor de poncho’s. We gaan even een restaurantje binnen voor een snelle kop koffie. Dan kunnen we ons meteen even omkleden voor het regenweer. Maar de gastheer denkt daar anders over. Hij opent voor ons een salonkamer naast het café. We protesteren, want we zijn bang met onze natte spullen de tatami-matten aan te tasten. Maar hij pakt onze rugzakken en wenkt ons verder. Er staan comfortabele lage bankjes. En hij zet de tv voor ons aan. We trekken onze schoenen maar uit en gaan zitten. Even later komt hij met 2 glazen water, oshibori (hete, vochtige doekjes voor de handen) en de koffie. We krijgen er een gekookt ei bij. En even later… (warme) onigiri, de rijstballen die altijd als lunch worden meegegeven, en chikuwa, vispastei die rond een bamboetje is geroosterd. Ai, na de overvloedige lunch die we al hadden gegeten, krijg ik dat er niet meer in. Enkele warme ballen verdwijnen discreet in een plastic zakje in mijn tas. En dan komt hij opnieuw binnen, deze keer met tempura, 2 verschillende sausjes erbij. Heel erg lekker, dat gaat er nog wél in… Even later gaat de deur weer open: 2 hele grote bekers warme groene thee. Als we bijna een uur later vertrekken, krijgen we nog wat koekjes mee. Wat een aardige man! Ik neem foto’s. Ja mata reinen!

Op deze manier is het een tamelijk relaxte dag, maar het is inmiddels half 3 en we moeten nog 10 kilometer… In onze nieuwe, donkerrode poncho’s met extra bochel voor de rugzak, zien we er potsierlijk uit. Een tijdlang lopen we nog langs de drukke route 55, dan nemen we een fiets-/wandelpad vlak achter het strand, dat parallel loopt aan de autoweg. Een mooi en rustig pad dat veelal door bossen loopt. Enkele kilometers lopen we door een enorme hoeveelheid rotzooi zoals we hier veel zien op Shikoku. Halfvergane matrassen, oud huisraad, halve fietsen, half ingezakte hokken, houtstapels, overwoekerde boten, een eindeloze hoeveelheid rotzooi ligt links en rechts van het pad opgestapeld. Ertussen staan krotjes, maar ook gewone huizen en ook geparkeerde auto’s. Pas als het pad afbuigt naar het strand – en we buiten de beschermende betonnen zeewering lopen – laten we de rommel een beetje achter ons. Op het strand is af en toe nog een boot, volgeladen met juttersspullen, te zien. Hier en daar een enkele visser. Op een aangespoelde boom zitten 2 grote buizerds uit te kijken over de zee. Een grauwe, desolate wereld, waarin het verschil tussen water en lucht bijna niet is te zien.

Rond 4 uur keren we even terug naar de route 55, om ons te oriënteren. We moeten er bijna zijn, zien we aan de hectometerpaaltjes. In het eerstvolgende gehucht buigen we via een kleine weg weer af richting zee. Maar het eindpunt blijkt toch nog een stuk verder te zijn. We komen weer terecht op de route 55 en pas als we een gehucht verder weer afbuigen naar zee, vinden we daar onze overnachtingsplaats: ryokan Sumiyoshi-so in Konan, waar we vorig jaar ook hebben overnacht (zelfde kamer, 10 tatami’s groot). We zijn er pas om kwart over 5 en we zijn erg moe. Aan de hand van de hectometerpaaltjes weten we ook dat we inmiddels 23-24 kilometer hebben gelopen en niet 21 kilometer zoals in het routeboekje stond… We hebben allebei krampen in voeten en benen. Als ik mijn sokken uittrek, blijk ik een allergische reactie te hebben. Mijn voeten zitten onder de jeukende bultjes. Mogelijk door de nieuwe zijden tenensokken die we ongeveer een week geleden hebben gekocht. Mels had ze al na 2-3 dagen afgezworen en was sindsdien des te blijer met zijn schoenen en inlegzooltjes. Ik zweer nog steeds bij tenensokken, maar misschien moet ik toch eens andere proberen…

Bij het avondeten – in de eetzaal met fraai uitzicht op het kleine haventje met lichtbaken, en de zee, inmiddels een grote, donkere leegte – ontmoeten we 4 andere loophenro’s die we al eerder hadden ontmoet, 2 mannen en 2 vrouwen. Het wordt een heel gezellige maaltijd, waarbij we veel nieuwe woorden leren. En nieuwe gerechten zoals noresore, ‘baby-zeeaaltjes’. We praten ook over de ramp. Ze vertellen dat ze het heel moeilijk vinden, maar dat de moraal van het Japanse volk goed is. Daar putten ze kracht uit. Tot slot zingt een van de vrouwen een mooi lied ter ere van Kukai, dat ze elk jaar op Mount Kõya ten gehore brengt. We luisteren vol aandacht. Heel bijzonder.

Dag 22: Langneuzen

Vandaag bezoeken we tempel 27: eerst nog langs route 55 lopen naar de voet van de berg en dan de berg op en af. De tempel ligt op zo’n 450 meter volgens de hoogtelijnen in ons nieuwe routeboekje (632 meter volgens het bijschrift en ook volgens het vorige routeboekje) en de totale loopafstand is 12-13 kilometer. We hopen onze rugzakken achter te kunnen laten in ryokan Hamayoshi-ya aan de voet van de berg, waar we zullen overnachten. We twijfelen wel even over de route: vorig jaar zijn we langs een steil en smal weggetje omhooggelopen en moesten we steeds uitwijken vanwege de vele busjes, taxi’s en andere auto’s die zich op en neer repten. Het jonge stel dat we gisteren in de bibliotheek ontmoetten, was in januari langs een voetpad de berg opgegaan, maar ze waarschuwden ons: dat was wel een heel moeilijk pad. Uiteindelijk besluiten we dezelfde route als vorig jaar te nemen, omdat we anders kilometers om moeten lopen om bij het andere pad te komen.

Maar eerst verdoen we veel tijd en kilometers op zoek naar geld en internet. Maar de geldautomaat is pas vanaf 9 uur toegankelijk, de bibliotheek vanaf half 10. Daarom lopen we maar door tot we in het plaatsje Yasuda zijn, aan de voet van de berg die we willen beklimmen. Het is warm (volgens de voorspellingen wordt het 19 graden!), ondanks een dik wolkendek. In Yasuda is inmiddels wel een geldautomaat open en we drinken ook koffie in een restaurantje met biljartzaal. Al om half 11 melden we ons bij de ryokan en laten het grootste deel van onze bagage achter op onze kamer (10 tatami’s groot met kastenwand en tokonoma, uitzicht op kassen, daarachter route 55 en in de verte de zee). Om 11 uur vertrekken we voor de tocht naar boven. Gelukkig is er deze keer veel minder autoverkeer op het smalle weggetje en bovendien is de temperatuur aangenaam, niet te warm. We zien meer loophenro’s dan vorig jaar. We zijn nog niet halverwege als we een duidelijke langneus tegenkomen: een Duitser uit Beieren, in mei wordt hij 70 en hij is veelbereisd en kent veel verhalen. De henro-tocht liep hij vorig jaar voor het eerst, net als wij. Volgend jaar weer, zeggen we allemaal. Minstens een half uur later nemen we afscheid. Een paar honderd meter hoger eten we het door de onsen meegegeven lunchpakketje op in een rest hut, de enige op het hele traject, en bijna boven eten we nog een ijsje in een winkeltje bij de parkeerplaats voor we het laatste stukje klimmen naar de tempel. Daar arriveren we om half 2. Er snelt een andere langneus (en langbeen) voorbij, maar hij heeft teveel haast voor een praatje. Ik drink wat water van een genezende bron, naast het beeld van Jizo, waarvan ik inmiddels weet dat hij niet alleen de boddhisattva (bosatsu) is van de overleden kindertjes, maar ook van wandelaars. We beklimmen op ons gemak alle trappen en genieten nog even van het mooie uitzicht over de groene vallei en de zee in de verte. Een groep bushenro’s komt in een lange rij naar boven, aangevoerd door een vrouwelijke priester die op een grote schelp blaast. Als ik terug bij het winkeltje nog eens van een ijsje zit te genieten, kom ik tot de ontdekking dat ik mijn staf bij het stempelkantoor ben vergeten. Weer omhoog… En daarna in snel tempo naar beneden, waar we om 4 uur weer aankomen bij de ryokan.

Mels is al een tijd weg naar de ofuro, als de deur achter mij wordt opengeschoven. ‘Ofuro!’ Ik word ook gesommeerd in bad te gaan… Een kleinpersoonsbad, gelukkig ben ik de enige vrouw. Naast mij in het mannenbad hoor ik iemand een lang verhaal houden in het Japans. Een andere man bromt af en toe kort iets terug. Mels? Hopelijk zit hij in een groter bad…

Bij het eten vragen we enkele andere henro’s of de situatie in de kerncentrale er beter op is geworden. De eerste zegt van wel. De volgende zegt van niet. Als Mels uitlegt dat het voor ons buitenlanders erg moeilijk is in te schatten hoe ernstig de situatie is, zegt hij: ‘Dat geldt voor mij ook.’ En zo is het natuurlijk ook: wie kan zeggen of het morgen beter zal gaan of juist slechter? Ondertussen verbazen wij ons erover hoe het leven hier wel heel erg doodnormaal doorgaat. Zowel overdag als nu tijdens het avondeten zien we andere henro’s grappen maken, lachen, babbelen… af en toe even naar de steeds herhaalde, verschrikkelijke beelden op tv kijken, zowel van de aardbeving en tsunami 8 dagen geleden als van de gigantische problemen met de kerncentrale… en dan weer babbelen, lachen… Ook op de tv gaan de soaps, quizzen en reclames al sinds 2 dagen na de ramp weer gewoon door. We zien ook beelden van een tentenkamp met evacuees. Er is in het kamp een grote tent met een ofuro gemaakt: de baden zijn van zeil, opgehangen in metalen frames. Boven de ingang van de grote tent hangt, zoals het hoort, een kort gordijntje van enkele lappen. In de baden zitten blote mannen gezellig te babbelen en te lachen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Het lijkt wel of het hen niet raakt. Maar ja, wat zou een ander aan óns zien? Een paar henro’s die gewoon vrolijk doorlopen? Niet alles is aan de buitenkant te zien…

Terug op de kamer meldt de tv dat er 10 minuten eerder weer een nieuwe aardbeving is geweest bij de kerncentrale, om 10 voor 7: 6,1 op de schaal van Richter.

Dag 21: Incognito

Volgens de gastheer is er een internetcafé in Tano en al om even na 9 uur gaan we op pad met de rugzak met computers. De henro-jasjes laten we even op het kapstokje. De zon schijnt en de temperatuur is zachter dan gisteren. Mooi wandelweer. Maar wij hebben vandaag yasumi, een vakantie van 1 dag. Na nog wat navraag vinden we het internetcafé al gauw. Het heeft een toepasselijke naam: Access. Er is zelfs koffie en gebak. We installeren ons. Maar… internet is er helaas niet. Misschien bij de bibliotheek hiernaast, suggereert de gastvrouw. En daar kunnen we inderdaad het internet op, niet met onze eigen computers, maar met die van de bibliotheek. Er staat wel een wifi-router, maar de bibliotheekjuffrouw weet het wachtwoord niet…
De rest van de dag zitten we achter de bibliotheekcomputers en alleen voor de lunch gaan we even terug naar het café. Eerst zijn we vooral bezig met het vergaren van nieuws over de kernreactor. Dan met het beantwoorden vele verontruste mails. Na een tip van Willy bezoeken we de site van de Nederlandse ambassade in Japan en daar vinden we informatie die onszelf eindelijk wat geruststelt. We registreren ons er ook, zodat ze ons op de hoogte kunnen houden van het laatste nieuws. De tijd die we over hebben, wijden we ons aan artikelen en aan het verder voorbereiden van de interviews in mei.
Pas om 6 uur verlaten we de bibliotheek, we vermoeden dat dat de sluitingstijd is, omdat we zo onderhand de enig achtergebleven bezoekers zijn, maar de bibliotheekjuffrouw is te beleefd om ons eruit te zetten. We raken op weg naar buiten aan de praat met een jong stel. Zij verbleef in Tokyo vanwege haar baan, research op het gebied van gehandicaptenbeleid, maar ze is teruggekomen naar haar man op Shikoku, omdat ze de situatie te verontrustend vond. Het is de eerste Japanner die we ontmoeten, die aangedaan lijkt te zijn door de situatie. Het zijn erg aardige mensen en we praten een tijdje. Ze spreken wat Engels, vooral zij. Als we vertellen waar we overnachten, beginnen ze te lachen. Dat hebben we vaker gemerkt als we de naam van de onsen lieten vallen. Ze leggen het uit: de naam betekent 23 samoerai. Aan het eind van de Edo-periode, 150 jaar geleden, waren hier 23 samoerai die hun heer bevrijdden uit de gevangenis. Het Tosa-government veroordeelde hen tot de dood: zelfmoord met het zwaard. Nou, niet echt om te lachen…
In de vroege avondschemering lopen we snel terug naar de onsen, diep weggedoken in onze kragen. Het is bijna volle maan. Dat mis ik een beetje in Japan, vorig jaar ook al: de avond. Af en toe even de nacht zien vallen. De rust over het land zien komen. Het schreeuwen van een enkele vogel. Verkeer dat zich naar huis haast. En dan… de steeds dieper wordende, haast tastbare donkerte. Het avondeten is hier altijd vroeg en daarna ga je naar bed. We komen dus zelden buiten ’s avonds. Des te heerlijker is het nu even buiten te lopen.

 

Dag 20: Onzekerheid

Al ruim voor half 5 is het kippenhok weer in beweging. Om 5 uur horen we in het dal beneden de sirene gaan. De dienst in de tempel is deze keer niet in de hondo, maar in een zijzaaltje, de henro’s allemaal op knietjes of – de ouden van dagen – op een stoel. Ik krijg er ook een aangedragen; Mels zit op zijn zelfgemaakte bankje dat hij de hele reis in zijn rugzak meesjouwt. Het is er ijzig koud en we zijn allemaal veel en veel te vroeg, behalve de priester. De korte dienst – enkele soetra’s reciteren en dan een korte preek – voert hij uit in een verhoogd gedeelte, waar allemaal krukjes, tafeltjes, kussens, boekjes en heel veel kaarsen staan. Het ziet er gezellig uit. Een harmonium ontbreekt nog net (‘de cirkelzaag des geloofs’, volgens Mels). Op weg naar het ontbijt zien we de zon groot en rood opkomen boven de bergen aan zee. Mels weet nog een hotelreservering voor elkaar te krijgen en de koffers, die hier naartoe waren gestuurd, gaan weer verder op transport. We krijgen van de gastvrouw elk een kompasje aan een sleutelhanger, lijkend op een oogbal op sterk water.

Vlak voor ons vertrek kijken we nog even naar het laatste nieuws op tv over de problemen met de kerncentrale en horen dat het stralingsniveau weer is opgelopen. We hebben de afgelopen dagen gemerkt dat de Japanners, zowel hier op Shikoku als op tv, alle rampspoed stoïcijns lijken op te nemen. Evacuaties vinden rustig en georganiseerd plaats. In Tokyo staan lange rijen mensen voor treinen die niet gaan. Een vrouw schept sneeuw van een auto om water te hebben voor het toilet. Kinderen en volwassenen vouwen kraanvogels en versieren die met wensen. (Mensen vouwen origami-kraanvogels als er iemand ziek is; bij tempels hangen vaak hele trossen.) Ondertussen gaat het gewone leven door, althans voor degenen die niet in het rampgebied zitten…

 

Voor ons staat vandaag 21 kilometer op het programma, naar onsen Ni Ju San Shi in het stadje Nahari, waar we vorig jaar ook hebben geslapen. We hebben er nu 2 nachten gereserveerd, inclusief een rustdag. Na het uitvoeren van de rituelen bij tempel 26, dalen we om half 9 af via een fraai bergpad. Aanvankelijk loopt het pad glooiend tussen landerijen en huizen. Af en toe is er een plukje bloeiende judaspenning. Het landschap doet Frans aan; alleen de verspreid aanwezige bamboe, de vele citrusgaarden (vaak met ons onbekende citrussoorten) en de struiken met zakjes zijn onmiskenbaar Japans. Vorig jaar hebben we de struiken met zakjes ook al gezien, hele hellingen vol. De zakjes moeten de vruchtjes beschermen tegen insectenvraat. 

Een tijdlang lopen we – net als gisteren, vlak voordat we aankwamen bij tempel 26 – via mooie, uitgeholde paadjes omgeven door grillig gevormde bomen. Daarna daalt het pad steil naar beneden en is het lastig laveren op de gladde stenen. Mijn schoenen hebben minder grip op de ondergrond dan de schoenen die ik vorig jaar aanhad, maar gelukkig heeft het niet geregend. In de diepte zien we een haven liggen; de vele vissersboten liggen nietig tussen de enorm hoge betonnen kademuren. Een grote kraan is bezig reuzenstaketsels in zee te takelen; de vlakbij geparkeerde auto’s lijken er nietig bij. Eenmaal beneden lopen we verder via route 55, langs zee. Af en toe nemen we een parallel lopend weggetje door een gehucht of dorp, zoals door het fraaie Kirigawa waar vele mooie oude huizen staan. En eenmaal gaan we via een bergpad over een klein pasje, op 110 meter hoogte. Het is bar koud, ook al schijnt de hele dag de zon. Vaak hebben we de wind tegen en kruipen we wat weg in onze kragen.

 

Af en toe hebben we ‘vreemde’ gesprekken, zoals we eigenlijk al wekenlang hebben: ‘Komen we morgen die apen tegen?’ Of: ‘Morgen hebben we ons behoorlijk wat blaren op de voeten gelopen…’ En: ‘Komen we dat aardige restaurant morgen of overmorgen tegen?’ Of, zoals vandaag: ‘Verliezen we het routeboekje zo meteen als we om die bocht zijn, of morgen pas?’ Alsof we voorspellende vermogens hebben gekregen… Aanvankelijk las ik het dagboek van vorig jaar met opzet niet door, omdat ik elke dag ‘onbevangen’ in wilde gaan, maar soms is het toch wel handig te checken of een dagtraject extra zwaar zal gaan worden of dat er wifi zal zijn in een bepaald hotel…

 

Onderweg leggen we driemaal aan in een restaurantje. De eerste maal merken we pas bij binnenkomst dat we hier vorig jaar ook koffie hebben gedronken. Dezelfde treurige fumu-muziek, hetzelfde display met kralenarmbandjes op een tafeltje, de airco op 27 graden met eco-stand. We hebben gemerkt dat de ryokans en restaurants die levendig in ons geheugen zitten, die gelegenheden waren waar we (kort of lang) echt contact hadden met mensen. In dit restaurant is het personeel wat terughoudend, maar als we weggaan krijgen we een zakje mee met de lekkere bonbons die we ook al bij de koffie kregen. Ik ben dankbaar voor de vele en lange pauzes die we dit jaar houden. Nu Mels de tocht voor de tweede maal loopt, is hij niet meer gestrest over het halen van het dagtraject (noch over de totale tocht) en is hij juist vaak degene die een pauze voorstelt.

 

Om half 5 komen we aan bij de onsen. We krijgen dezelfde kamer als vorig jaar (7,5 tatami’s groot, kastenwand, tokonoma, halletje met wasgelegenheid en wc). We zijn behoorlijk moe en onze voeten doen behoorlijk zeer (inwendige pijn). Toch lopen we elke dag een stuk sneller dan vorig jaar, ondanks de langere pauzes tussendoor (of misschien wel juist dankzij?) We hebben het al vaker gemerkt dit jaar: de route lijkt telkens korter dan vorig jaar. We denken dat dat niet alleen komt doordat het makkelijker loopt (minder blaren, betere conditie), maar ook doordat we de route nu (min of meer) kennen en weten wat we kunnen verwachten. En dat vinden we helemaal niet erg. We vinden het allebei nog steeds heerlijk dezelfde tocht voor de tweede maal te lopen.

 

’s Avonds, na het avondeten, kruip ik meteen op de 3-lagige futon; Mels kijkt nog urenlang naar de tv, het woordenboekje erbij, in de hoop iets meer informatie op te vangen. We hebben al 2 dagen geen internet en op tv is alles in het Japans. Als er een enkel fragment van CNN of de BBC is over hoe erg de situatie hier is, proberen we snel wat Engels op te vangen. Tevergeefs. We zien beelden van buitenlanders die massaal Japan verlaten vanwege het hoge stralingsniveau ten noorden van Tokyo. Om 3 over half 10 is er weer een aardbeving, 5,3 op de schaal van Richter, iets ten oosten van Tokyo. Op de tv gaan bellen rinkelen en is meteen te zien waar het epicentrum zich bevindt.

Dag 19: Kippenhok

Om 6 uur gaat automatisch de tv aan. Ik schiet meteen schuldbewust uit bed en trek een behoorlijk vochtige lange broek aan uit de droger. Buiten is er een schitterende zonsopgang boven zee. Bij ons vertrek om 10 voor half 8 zwaaien moeder, grootmoeder en zoon ons uit. ‘Come back… next year’, zegt hij. De wind waait ons verder naar het zuiden… en droogt mijn broek…

 

We hebben een zwaar dagtraject voor de boeg: 25 kilometer lopen, met bezoek aan tempel 24, 25 en 26, waarbij de eerste en de laatste op 100-150 meter hoogte liggen. Slapen zullen we in tempel 26. Vorig jaar hebben we tempel 24 en 25 bezocht na mijn eerste ziekenhuisbezoek in verband met mijn ontstoken blaren, ik lopend op mijn pasgekochte sloffen. En tempel 26 hebben we de dag daarop pas bezocht. Beide dagen heb ik toen als zwaar ervaren (zelfs zonder bepakking!), maar dit jaar combineren we al deze bezoeken en knopen er ook nog een behoorlijk aantal kilometers aan vast…

Het dagtraject loopt weer langs route 55, voornamelijk langs zee, met af en toe een parallelweggetje door een gehucht of stadje. Bij ons vertrek is de wind fris, maar zolang hij in de rug is, valt het wel mee. Maar al gauw zigzaggen we langs de uitlopers van de bergen in zee en komt de wind dan weer eens van links, dan weer van rechts, dan van voren of van achteren. In de zon is het warm, maar zodra we in de schaduw van wolken of bomen lopen, is het echt fris. We maken een stevig tempo, zoals we kunnen afleiden aan de hectometerpaaltjes, zo’n 5 kilometer per uur. Om 9 uur zien we het eerste open restaurantje en leggen we aan voor koffie. We krijgen er lekkers bij: vers gefrituurde zoete aardappelen bij het eerste kopje, stukjes gefrituurd brood bestrooid met poedersuiker bij het tweede kopje. Na 3 kwartier lopen we weer verder en al om even voor 11 uur komen we aan de voet van de berg waar tempel 24 zich op bevindt. We hebben dan al 12 kilometer afgelegd. Vorig jaar hebben we hier uitstekend geluncht in een restaurant, maar Mels vindt nu dat we eerst de berg op moeten, dat we het moeten ‘verdienen’ om weer te mogen rusten. Ik ben sowieso tegen op het idee ‘iets te moeten verdienen’ en in dit geval ook om praktische redenen: we moeten na het bezoek aan tempel 24 weer aan de andere kant van de berg naar beneden en vorig jaar was daar geen enkel restaurant open. Dus wordt het een erg vroege lunch om 11 uur… Als we vertrekken krijgen we een osettai mee: zoete bonenlekkernijen.

 

Na de lunch bezoeken we de plaats waar Kukai verlichting vond. Vlakbij de grotten waar hij verbleef, staat een enorm beeld van hem. Vorig jaar kwam hier de regen met bakken tegelijk uit de hemel, de wind blies horizontale vlagen van noord naar zuid; nu is er volop zon. We boffen dit jaar, regen hebben we nog nauwelijks gehad. We nemen het bergpad naar tempel 24 en passeren nog enkele kleine grotten. Langs het pad staan een tijdlang grote lotusplanten. Al na 3 kwartier komen we bij de tempel. Een fraai complex met veel houtsnijwerk en een stupa in zachtrose tinten. Na het uitvoeren van de rituelen dalen we meteen weer de berg af aan de andere kant, via de gewone weg die vrij steil naar beneden loopt; enkele haarspeldbochten steken ver uit de bergwand. We hebben een sensationeel uitzicht op Muroto, het stadje in de laagvlakte aan zee, waar we nog doorheen moeten voor de volgende tempels. Voor de afdaling trekken we toch maar weer onze jassen aan, want met deze tempel hebben we de meest zuidoostelijke punt van Shikoku bereikt, en na het ronden van deze kaap zullen we verder langs de zuidkust lopen en met felle tegenwind te maken krijgen. Als we door het langgerekte Muroto lopen, stopt er een auto. Weer een Australiër die woont op Shikoku en lesgeeft in Engels. We blijven even kletsen.

Even voor 3 uur – 6 kilometer na de vorige tempel – komen we aan bij tempel 25. Ik laat mijn rugzak achter voor we de vele trappen beklimmen en pik hem later weer op. Dan is het nog 4 kilometer naar de laatste tempel, maar inmiddels zijn we wel erg moe en doen onze voeten ook behoorlijk pijn. Na nog even doorbijten – de laatste 800 meter via een fraai bergpaadje omhoog, met mooie vergezichten – komen we om 5 uur bij tempel 26. Onze kamer (10 tatami’s, binnenveranda met zachte fauteuiltjes, tokonoma) heeft een schitterend uitzicht over de zee. In de verte zien we de haarspeldbochten waarlangs we eerder deze dag naar beneden kwamen, in de diepte ligt Muroto. In de eetzaal zien we vele bekenden terug. ‘Nee’, zegt Mels. ‘Die vrouw die we gisteren tegenkwamen bij de supermarkt is niet dezelfde als die van die walvis. Dat is die andere…’ Die andere? Maar waar kennen we die eerste dan van? En die derde vrouw? Een man aan het andere eind van de lange tafel herkent ons ook. Wanneer hadden we die ook al weer ontmoet? Het eten is overvloedig en overheerlijk. Ik ben inmiddels een paar kilo afgevallen sinds het begin van onze tocht, maar ik kan het me nauwelijks voorstellen met al dat lekkere eten…

’s Avonds op de kamer probeer ik nog wat te typen, maar het is moeilijk concentreren: de schuifwanden naar de gang en naar de kamer naast ons zijn zo dun… en naast ons is blijkbaar een kamer met vrouwen. Een kippenhok is er niets bij. Soms gaat er per ongeluk een deur open en steekt er heel kort een hoofd door de spleet. Maar al vroeg stijgt er uit alle omringende kamers een licht gesnurk op. ’s Nachts, op de veel te dunne futon, schuiven bij elke beweging mijn wervels over elkaar.

Dag 18: Soppende sokken

Tijdens het ontbijt kijken we uit over de zee. Er blijven verontrustende berichten binnenkomen: er zou gistermiddag een aardbeving in Tokyo zijn geweest (7 op de schaal van Richter), er was weer een tsunami (nu 1-2 meter hoog), er is inmiddels een ontploffing geweest in een derde kernreactor en in Tokyo is verhoogde radioactieve straling gemeten (40x hoger dan normaal). Toch denken we dat we hier op Shikoku relatief veilig zitten. Vorig jaar hadden we al opgemerkt dat een groot deel van de zeekust achter het beton schuilgaat en ook dat er overal borden staan met aanduidingen waar je naar toe moet vluchten ingeval van een tsunami (met duidelijke tekening en pijl, ook voor ons te begrijpen). Toegangen tot stranden en havens zijn vaak met een waterkeringdeur af te sluiten. Vlakbij ons hotel is een hoge betonnen constructie gemaakt op het strand: een vluchtplaats bij extreem hoog water. Het woord tsunami is niet voor niets een Japans woord. Japan kent een lange geschiedenis met talloze tsunami’s en ze zijn er goed op voorbereid. In het noorden van Japan zijn zoveel mensen omgekomen, omdat de zeebeving relatief dichtbij de kust plaatsvond en er niet tijdig gewaarschuwd kon worden voor de kort daarop volgende tsunami. Als we in een dorp of stad zijn, horen we meerdere keren per dag via luidsprekers een melodietje spelen of een sirene afgaan, vaak 6 uur ’s ochtends, 12 uur ’s middags, 9 uur ’s avonds… maar eigenlijk konden we vorig en dit jaar geen peil trekken op de tijden. Die geluidsinstallaties zijn er ook om te waarschuwen als er een tsunami op komst is. Vorig jaar maakten we nog wel eens een grapje als we een sirene hoorden: ‘Twaalf uur of tsunami?’ Nu is het grapje niet leuk meer. We schrikken toch elke keer een beetje als we een sirene horen en kijken meteen op ons horloge. Maar tenzij er een zeebeving vlak voor de kust van Shikoku plaatsvindt, denken we dat we nog altijd veel meer risico lopen in het verkeer om te komen. Een groot deel van onze tocht voert langs drukke wegen en vaak ontbreekt een trottoir of overdekte goot en moeten we op de witte streep lopen, met al die bochten en vele tunnels een hachelijke zaak…

 

Pas om half 10 weten we ons los te rukken van het internetten om op weg te gaan voor ons dagprogramma: 24-25 kilometer, weer langs route 55, naar het zuiden. De weg voert vandaag bijna voortdurend langs de zee, slingerend langs beboste berghellingen. Slechts tweemaal komen we door een klein dorp, de eerste keer kort na ons vertrek. We halen er wat te eten bij een supermarkt om later bij een rest hut op te eten, want we verwachten verder niets tegen te komen. En we zien de eerste bloeiende magnolia, naast mimosa, camelia, pruimen en andere vroegbloeiende prunussoorten, een van de weinige bloeiende bomen die we tot nu toe hebben gezien.

Het uitzicht is de hele dag fenomenaal: de rotsige kust, de vele baaien, in de heiige verte een rijtje in zee uitlopende berghellingen in verschillende grijstinten… Vele, vele buizerds zweven boven de berghellingen, soms komen ze vlak boven de weg hangen; regelmatig zien we ze op het strand, zittend op een rots of boomstronk; een andere keer wordt er een buizerd weggejaagd door een raaf of andere kraaiachtige. Bij riviermondingen zijn witte reigers en grote, dobberende meeuwen. En op rotsen in zee zien we regelmatig groepjes aalscholvers. Langs de weg staan vele viooltjes, zachtblauwe en vooral heel veel paarse. Af en toe is er een grote groep bloeiend zeepkruid. Het is weer broeierig warm, we lopen te soppen in onze schoenen. Mels heeft gisteren tenensokken gekocht en moet nog wat wennen. Eenmaal laten we onze sokken even drogen. Maar het lopen gaat lekker, voor het eerst heb ik een hele dag geen last van mijn rug en allebei hebben we relatief weinig last van onze voeten.

 

Onderweg maken veel mensen even een praatje met ons en verschillende keren krijgen we een osettai aangeboden, vooral in de vorm van citrusvruchten. We eten ze zo snel mogelijk op, want we gaan behoorlijk gebukt onder al het extra gewicht. We zijn halverwege ons looptraject, als er een auto met laadbak stopt, midden op de weg, en een vrouw uit de laadbak voor ons elk 2 flesjes Yakult haalt. Een tijdje later komt er een fietser voorbij, een Japanse student die het pelgrimspad per fiets doet. Foto’s! Als we even stoppen om in het routeboekje te kijken, stopt er een auto om de weg te wijzen. Even later lopen we met 2 nieuwe sinaasappels in de hand…

Vlak voor onze overnachtingsplaats komen we door het tweede dorp, een vrij armoedig vissersdorp waar overal netten te drogen hangen of liggen. Het dorp lijkt van de rotzooi aan elkaar te hangen. Het is wel dermate schilderachtig dat we af en toe wat foto’s maken: bijna instortende huisjes, een hoek vol met allerlei pvc-buizen, tuinen die vol hangen met lege plastic flessen als vogelverschrikkers. We zijn net een groepje enthousiast zwaaiende bejaarden gepasseerd, als een vrouw ons achterna komt rennen en ons elk een gepofte zoete aardappel in zilverpapier in de handen duwt.

 

Kort na het dorp komen we om half 5 aan bij ryokan Tokumasu, gelegen aan de route 55, vlakbij de zee. We krijgen een kamer op de eerste verdieping (6 tatami’s groot) met zeezicht. De maaltijd is heerlijk en gezellig, samen met 6 andere henro’s, waaronder de vrouwelijke henro van eerder. Een Japanse man die 2 tafels verder zit, komt plotseling bij ons zitten en begint een openlijke liefdesbetuiging. De andere henro’s kijken gegeneerd de andere kant op. Gelukkig kent Mels geen eerwraak. ‘Zeven biertjes’, verklaart de zoon des huizes. Hij neemt er later nog een paar. Wij oogsten grote belangstelling met foto’s van Mels’ keramisch werk en van KLEI, en haast nog meer met de i-pad waar het allemaal op staat. Na de maaltijd mogen we nog even internetto op de laptop van de zoon. Even kijken hoe het staat met kernreactor nummer 4, 5 en 6 die nu ook problemen hebben. Grootmoeder komt ook even dag zeggen, 90 jaar oud is ze en ze staat samen met de huidige premier Naoto Kan op de foto, toen hij in 2006 – nog voor zijn premierschap – het pelgrimspad liep en de ryokan aandeed.

Dag 17: Walvis!

Ik kan me moeilijk losrukken van de computer, want er zijn zoveel verontruste mails die ik wil beantwoorden… Ik lees de blog van keramist Euan Craig die in Mashiko ten noorden van Tokyo woont en die ons over een kleine 2 maanden rond zal rijden langs allerlei potters. Zijn verhaal over de aardbeving grijpt me aan. Mels schiet ook vol: ‘Ik ben van dit land gaan houden…’

Pas om half 9 vertrekken we voor een dagtraject van 17 kilometer, verder langs route 55 naar het zuiden. We lopen min of meer op zeeniveau, op een hoogte tussen de 5 en 50 meter, veelal direct langs zee of achter het strand. Als we op een parkeerstrook langs de zee lopen, ziet Mels een walvis. ‘Weet je het zeker?’ ‘Ja, ik zag hem spuiten!’ Hij haalt er nog een vrouwelijke henro bij die op een bankje zit uit te rusten en met zijn 3-en kijken we en nemen foto na foto. Maar na enige tijd moeten we concluderen dat de walvis toch wel erg op dezelfde plaats blijft liggen… Toch een rots. ‘t Was sowieso niet het seizoen voor walvissen…
Kort daarna maken we een kleine uitstap naar bangai 4, die vlakbij route 55 staat. De bangai zijn de 20 zogenaamde ongeregistreerde tempels, die niet horen tot de officiële pelgrimsroute, maar in historisch opzicht er wel iets mee te maken hebben. Er zijn henro’s die zowel de 88 tempels bezoeken die tot de officiële pelgrimstocht behoren, als de bangai; de totale route wordt dan zo’n 1400 kilometer lang.

Er zijn veel tunnels – de langste 638 meter met luidgrommend aanstormende auto’s en ons najagende schaduwen – en een paar maal omzeilen we die door de oude weg te volgen die zich om de berg heen slingert. Vorig jaar zagen we bij zo’n ommetje een hele apenfamilie, dit jaar helaas niet. De laatste keer dat we van de route 55 afwijken, komen we er voortijdig weer op terug en zien dan het restaurantje waar we vorig jaar zo gezellig koffie hebben gedronken. Blijkbaar zijn we vorig jaar op dezelfde manier fout gelopen als nu… De gastvrouw herkent ons en haalt het gastenboek erbij. Ja, daar staan we! We schrijven er opnieuw wat in. Over dat er geen weg zonder hart is en dat ons hart nu zo’n pijn doet… Het afscheid is hartelijk.
De temperatuur loopt steeds meer op, ‘s middags is het broeierig heet. Zelfs in onze hemden en henrojasjes zweten we heel wat af. In de verte pakken zich dreigende wolken samen, maar de voorspelde regen blijft uit. Verspreid over de dag ruiken we veelvuldig een smerige stank: rioleringslucht vermengd met zeegeur. We hebben nog niet eerder gedurende een dag zo’n stank meegemaakt en we hebben ook geen idee waar het vandaan komt.
We lunchen in de zithoek van een supermarkt met daar gekochte sushi, yoghurt en aardbeien. Er zijn ook hot sand en hamburg te koop en zelfs frietjes, maar die laten we aan ons voorbij gaan. Onderweg sta ik regelmatig stil om alle putdeksels – door Mels inmiddels omgedoopt tot kutdeksels – te fotograferen die ik vorig jaar vergeten ben of meen vergeten te hebben… En inmiddels heb ik ook een interesse ontwikkeld voor oude dakgoten en regenpijpen, die vaak zeer fraai en ingenieus zijn vormgegeven.

Om kwart over 4 komen we aan bij White Beach Hotel in Toyo Town, een fraai hotel direct achter het strand. We hebben een kamer (2×2-persoonsbedden, zitje, bureau, badkamer, hal) op de 5e verdieping met een schitterend uitzicht over de baai. Een prima hotel en goedkoper dan de minshuku waar we vorig jaar waren en die ons nu weigerde. De gastvrouw in de minshuku was niet alleen erg aardig, maar ook erg precies. Ze heeft de avond van onze aankomst mijn vele blaren verbonden en ons de volgende ochtend op de bus naar het ziekenhuis gezet. Uit dankbaarheid gaf Mels haar op beide wangen een zoen. En dát is not done in Japan. Handen schudden is al ongebruikelijk, hoewel we opmerken dat dit jaar veel meer mensen ons de hand schudden dan vorig jaar. (Maar alleen ons, niet andere Japanners, zoals mr. Onda-san ons wel de handen schudde bij het afscheid enkele dagen geleden en niet Kyoko en Hiroshi.) In ieder geval vermoeden we dat Mels’ kus-scène ons de das heeft omgedaan bij de minshuku…
Nou, des te blijer zijn we met het hotel. De aardige gastheer doet zelfs een aantal reserveringen voor ons en weet ons zelfs binnen te krijgen bij een ryokan waar we vorig jaar werden geweigerd (‘Jazeker, ze spreken Japans, hoor!’) En dat scheelt ons een heleboel problemen, want we waren vorig jaar niet alleen bij deze ryokan geweigerd, maar ook bij de andere 2 in dezelfde plaats, waardoor we een grote afstand per taxi moesten afleggen naar een volgende overnachtingsplaats…
‘s Avonds zitten we nog heel lang te internetten in de hal. Dankzij de snelle verbinding lukt het uploaden van de weblog nu wel. だいじょぶ でした。

Dag 16: Blikken konten

Er staan vandaag 17 kilometer op het programma, verder naar het zuiden langs route 55, richting tempel 24, voor het bereiken van dezelfde overnachtingsplaats als vorig jaar: ryokan Uchizuma-sou, iets ten zuiden van Mugi, aan de kust. We hebben overwogen om de scenic sideway langs de kust te nemen, een weg met fraaie zeegezichten, die echter ook langer is en meer op en neer gaat dan de route wat verder landinwaarts. Uiteindelijk zien we daarvan af en nemen dezelfde route als vorig jaar, mede vanwege het tsunamigevaar.
Maar eerst is er om 6 uur de dienst in de hondo, opnieuw de vele trappen op. Achterin de hoofdtempel wordt een hoog vuur opgestookt, een mooi gezicht. Na het ontbijt in het restaurant vertrekken we om kwart voor 8, maar we blijven meteen steken bij het michi no eki. Toch weer even internet proberen. We gaan iets meer naar links zitten, uit de wind, maar nee, geen wifi. Iets meer naar rechts… ik kan mailtjes ontvangen maar niet ontvangen… Mels gaat nog een eind verderop zitten en kan dan ook het internet op, maar ook zijn resultaten zijn beperkt…

Het is zonnig, maar koud als we om 9 uur beginnen met lopen. We zijn nog maar net op weg als we een lichtbord zien met daarop een grote golf die over een auto spoelt. Duidelijk een waarschuwing voor tsunamigevaar, maar we snappen de bijbehorende tekst niet. Moeten we ongerust zijn? De auto’s op route 55 rijden gewoon door, dus wij lopen ook maar door… Al gauw gaan de jassen uit, want het wordt steeds warmer (we zien zelfs een lichtbord met 20 °C!). De aangename temperatuur tovert ook al wat vlinders tevoorschijn. De weg stijgt en daalt gestaag, het hoogste pasje is 120 meter, en er zijn diverse tunnels, de langste 690 meter met boven het voetgangersdeel (verhoogd trottoir met hek erlangs) lichten die aan gaan als je eronder loopt en daarna weer uit.
We rusten een aantal keren in een van de nieuwe rest huts die langs de route zijn gemaakt. Jaren geleden is een project gestart met vrijwilligers om zoveel mogelijk rest huts te maken voor de henro’s. Soms zijn ze zeer vakkundig gemaakt, soms wat minder… We komen ook bij een rest hut gemaakt van 2 grote tenten, waar zelfs een heel corvee-schema hangt. Onderweg zien we in een rivier verwilderde koi-vissen zwemmen, goed voor wat foto’s. En al vroeg komen we aan in Mugi. We leggen aan bij een luxe-bakkerij en eten allerlei hartige en zoete broodjes op, zittend in de kampeerstoelen die ervoor staan. Allebei dommelen we wat weg… Kort daarna gaan we voor koffie naar een klein restaurant. Als een van de andere gasten hoort, dat we loophenro’s zijn, biedt ze ons de koffie aan als osettai. Ze heeft zelf ook de route gelopen, maar dan wel de bergtrajecten met de auto gedaan. Nog eenmaal leggen we aan in de zithoek van een supermarkt, ik blijf achter en Mels gaat op zoek naar paracetamol, want de voorraad in mijn rugzak is op.

Om half 5 komen we aan bij de ryokan. De gastheer verwelkomt ons uiterst hartelijk. Hij kent ons nog van vorig jaar en bedankt ons voor de ansichtkaart die we hebben gestuurd (niet gedaan…) We krijgen dezelfde kamer (10 tatami’s groot, met tokonoma en kastenwand, een verwarmde tafel en een balkon), met het mooie uitzicht op de baai! Mels maakt zich wat zorgen over de nabijheid van de oceaan, maar volgens de gastheer zitten we op 14 meter hoogte. Het eten is weer overheerlijk. Tot laat zijn we bezig met mailtjes en blog, want er is weer internet. Eindelijk, eindelijk lukt het me weer mailtjes te verzenden. Mels worstelt ondertussen met het uploaden van de weblog. Het systeem ligt dwars. En we krijgen blikken konten op die kussens…

Dag 15: The day after…

Volgens de gastvrouw bevindt de ryokan zich op 15 meter hoogte en ze maakt zich dan ook weinig zorgen. Gistermiddag of -avond moet de tsunami aan deze kust zijn aangekomen, maar hoogstens 1 à 2 meter hoog. Volgens haar hoeven we ons ook geen zorgen te maken over onze verdere looproute, hoewel ze wel aanbiedt ons met de auto te brengen naar de volgende overnachtingsplaats. Heel lief, maar we lopen liever.
Eerst zitten we nog een tijdje achter de computer. Als Mels aan het mailen is, kijk ik ook weer eens rond. Ik verbaas me erover hoeveel beter de ryokan er uitziet dan vorig jaar. Ik vond het de vorige keer erg rommelig met allerlei knuffelbeestjes en andere troepjes, nu zijn er veel minder rommeltjes en ziet het er zelfs chic uit. Mels had het verschil niet opgemerkt en vraagt zich af of mijn standaard soms verlaagd is na alle rommelige en vieze ryokans die we vorig en dit jaar hebben gehad… Hij maakt zich wel zorgen over de bezettingsgraad van de ryokan: hij zag weinig boekingen in het register. Jammer, want niet alleen is de ontvangst uiterst hartelijk, ook is het eten verrukkelijk en de ryokan schoon en netjes. En ook nog eens goedkoop.

Op de tv en op internet is het nieuws over de tsunami hartverscheurend. En tegelijkertijd zijn er zoveel hartverwarmende mailtjes. Ik kan mijn tranen niet meer inhouden. Mels probeert ondertussen de helmen uit die hier liggen voor het geval er een aardbeving is. De honden gaan plotseling tekeer. Gevaar? Nee, ze zitten achter de apen aan, legt de gastvrouw uit.
We willen weer verder lopen, maar het is met gemengde gevoelens: onze hele tocht lijkt nu een lichtzinnig prettochtje, zogenaamd een pelgrimstocht lopen terwijl je weet dat er zoveel mensen zijn omgekomen of treuren…
We nemen moeilijk afscheid van gastheer Yuzuru en zijn vrouw Kayoko, dochter Miki en de 2 honden Natsu (afkorting van Peanuts; de Japanse Inu van 8 jaar) en Kintaro (de Samojeed van 6 jaar). We krijgen ook nog gratis lunchpakketjes mee. Nog wat foto’s, en dan : ‘Ja mata rainen’. Het is ons geraden!

Om half 10 vertrekken we eindelijk voor een kort dagtraject. We lopen dezelfde route als vorig jaar, maar leggen vandaag slechts 10 kilometer af, want we willen graag overnachten in tempel 23. Aanvankelijk loopt de weg op zeeniveau. De oceaan ligt er lieflijk en rustig bij, niet te rijmen met de verwoestende kracht die we op de televisie hebben gezien. We kijken er met gemengde gevoelens naar, alsof een innig geliefde je net in het gezicht heeft geslagen… Als we door een vissersplaatsje lopen, staan enkele mannen te kijken naar het water in de haven. Ze wijzen ons op de sporen van de tsunami: er zijn nog steeds wilde wervelingen in het water te zien en ook is er de achtergebleven lijn van het hoogwaterniveau dat de tsunami gisteren heeft bereikt. Wij dachten dat het door het getij kwam, maar volgens hen is het de tsunami geweest.
Na het gehucht stijgen we via een bergpaadje tot zo’n 50-100 meter. De jassen zijn dan al lang uit, want het is inmiddels warm en zonnig. Een tijdlang volgen we weer de gewone weg, dan gaat het via een paadje weer naar beneden. Hoog in de lucht cirkelen 7 buizerds; 3 ervan blijven een tijdlang vlak boven ons vliegen. Als we weer op de weg lopen, zien we een witte auto staan. Er stappen 2 mensen uit als we aan komen lopen, een oudere vrouw en een jongeman. Ze gesticuleren druk. Het enige dat we verstaan is ‘osettai’. We vermoeden dat ze ons een lunch willen aanbieden en dat we daarvoor bij een groot bord van de weg af moeten. ‘Kaikan’, zegt de man telkens. Ook het woordenboekje biedt geen soelaas. We vertrouwen er maar op dat we ze later weer tegenkomen; meerijden willen we niet, we lopen liever. We passeren enkele hooggelegen hotels met zeezicht en enkele grotten, eentje in een rots in zee, waar je met een hangbruggetje naartoe kunt, een andere helemaal in de rotsen onder een hotel. Overal zien we witte autootjes, misschien was het handig geweest als we op het nummerbord hadden gelet… En we zijn inmiddels in Hiwasa/Minami Town, bijna bij tempel 23 waar we zullen overnachten. Er stopt een andere auto. Een jonge Australiër stapt uit om een praatje te maken: Thomas. Hij woont hier en geeft Engelse les. Gisteren is hij met de andere dorpsbewoners geëvacueerd in verband met tsunamigevaar, maar hij denkt dat dat wat opgeblazen was door de media. Hij tipt ons nog over een goed restaurant – Hiwasaya – maar het blijkt gesloten en dus lopen we door naar het gastenverblijf van de tempel, waar we al om 1 uur aankomen. We laten onze spullen achter op de kamer (10 tatami’s groot, kastenwand en halletje) en gaan dan lunchen in het restaurant op de tweede verdieping. Daarna bezoeken we het tempelcomplex dat zich hoog boven het plaatsje vastklampt aan de berg. Vele trappen later hebben we een mooi uitzicht over het plaatsje, de oceaan, de rivier en het kasteel op de tegenoverliggende berg. Kersenbloesems zijn er deze keer niet; de knoppen zijn zelfs nog heel pril. We gaan nog wat extra trappen op, naar en in de stupa die leunt op enkele enorme, betonnen schildpadden.

Daarna weer naar beneden, jas halen en nog even naar de michi no eki, waar we een freespot weten. We vinden het wachtwoord op een aanplakbiljetje en zijgen neer op een bankje met onze computers, buiten het gebouwtje waar vermoeide trein- en autoreizigers met hun voeten in een ovaalvormige goot met warm water zitten. Helaas kan Mels geen mail ontvangen en ik niet versturen… Uren later staan we op, totaal verkleumd inmiddels, en ik ga prompt weer door mijn rug. Strompelend loop ik terug naar het gastenverblijf. Na het avondeten ga ik vroeg op de futons.

Dag 14: Tsunami!

Na het uitgebreid nemen van foto’s staand voor de ryokan, vertrekken we om half 8 met zijn 5-en in ganzenpas (‘file indienne’, zegt Mels): Mels voorop, dan Kyoko en Hiroshi, ik en mr. Onda-san sluit de rij. Het sneeuwt heel lichtjes (maar dat houdt al snel op) en de lucht ziet er betrokken uit, ondanks de zon ‘s ochtends vroeg. We volgen eerst de gewone weg, dan gaat het via een bospad over een 250 meter hoge pas. In het volgende dal lopen we weer over 1- en 2-baans wegen tot we om kwart voor 10 aankomen bij tempel 22. Inmiddels is de zon erbij gekomen, maar het blijft koud.
Onderweg vragen we honderduit aan Kyoko over alles wat we graag willen weten. Gisteravond vertelde ze al veel over het eten. Elke dag krijgen we een grote verzameling kleine hapjes voorgeschoteld, maar in veel gevallen hebben we geen idee wat we aan het eten zijn. En onderweg zien we ook veel dingen waarover we graag iets zouden vragen, maar normaal is er niemand die voldoende Engels spreekt. Kyoko vertelt over de verschillende gewassen die we onderweg tegenkomen. En we vragen ook naar de vele graven langs de wegen. Het blijkt dat zij dit fenomeen ook niet kende. Op Hokkaido, waar zij wonen, zijn er alleen officiële begraafplaatsen; hier op Shikoku mag men wel een graf inrichten op eigen terrein. Ze vertelt ook dat begraven tegenwoordig verboden is in Japan; er mag alleen gecremeerd worden, en vervolgens wordt de as uit de pot geleegd in een holletje in de grond (op de begraafplaats), waarop een grote steen wordt geplaatst. Kyoko vertelt ook over de macht van de ‘betonbazen’ die zo onderhand heel Japan in het beton aan het zetten zijn: rivieren, beken, zeekusten en bergen, alles is ‘veilig’ bedekt met beton. Verschrikkelijk!

Even na tempel 22 nemen we afscheid van mr. Onda-san. Tussen tempel 22 en 23 zit een flinke dagmars van zo’n 26 kilometer en die slaat hij over met de trein. Tenslotte is alles toegestaan bij deze pelgrimstocht. Je kunt hem 100% lopend doen, maar ook (deels of helemaal) per bus, trein of auto. Later vertelt Kyoko dat mr. Onda-san helemaal geen kaart kan lezen en dat ze vaak ongerust over hem waren sinds ze voor het eerst samen met hem wandelden…
We gaan verder over 1- en 2-baans wegen, enkele keren door tunnels. Het tempo ligt hoog, want dat weten we inmiddels: Japanners lopen erg snel, en hetzelfde geldt voor eten en praten… Een paar keer rusten we kort in een rest hut, eenmaal op een bankje bij een idyllisch gelegen piepklein tempeltje met een 1000 jaar oude boom. Vorig jaar zaten we er ook. Het laatste deel van de tocht kunnen we kiezen uit meerdere routes, maar we nemen weer de zeeroute, omdat we in dezelfde hartelijke ryokan willen overnachten als vorig jaar. Enkele kilometers voor we bij onze overnachtingsplaats komen, zien we deze keer duidelijk de oceaan. Dan dalen we verder af en komen bij Tainohama Beach. Vandaag ligt de oceaan er rustig en zonnig bij.
Vlak voor onze overnachtingsplaats nemen we afscheid van Kyoko en Hiroshi; zij lopen nog wat verder. We hopen elkaar weer te zien in Kochi. Al om 2 uur komen we aan bij Green House Juen, anderhalf uur sneller dan vorig jaar (maar we zijn wel moe!) We worden al van verre verwelkomd door de 2 honden: de Japanse Inu – die inmiddels heel wat dikker en ook strammer is geworden dankzij het voortdurend liggen voor de kachel – en de witte Samojeed. En daarna door de hartelijke gastvrouw. Ze heeft – heel attent – dezelfde kamer voor ons bedacht: 7,5 tatami’s groot (ik kan nu beter tellen dan vorig jaar…) met verwarmde tafel en zitkussens, en een ‘binnenveranda’ waar 2 stoelen en een tafeltje staan en een wasmeubel; in een nis een koelkast (waarop wat opgezette fazanten) en een televisie met muntautomaat; heuvelzicht met bassende kikkers. Ze maakt meteen de ofura klaar. We mogen samen. Om de beurt zitten we op het kleine zitje in het bad en ligt de ander onderin bij de kranen.
Later, als we lekker in het zonnetje op de binnenveranda zitten, werkend aan het dagboek, horen we verschillende malen een sirene afgaan. Een tsunami? Ach, zal toch wel niet? Als we het alarm steeds opnieuw horen, gaat Mels toch maar even naar beneden om te informeren en dan blijken er sinds kwart voor 3 maar liefst 3 land- c.q. zeebevingen geweest te zijn, de grootste aardbeving in de Japanse geschiedenis, 8,9 op de schaal van Richter. Met daaropvolgend een tsunami aan de oostkust van Japan, op het hoogste punt 12 meter hoog. Wij zitten ook aan de Japanse oostkust, maar dan een stuk zuidelijker, en we hebben er helemaal niets van gemerkt. Pas langzaam dringt de verschrikking van de ramp tot ons door. Een tijdlang zitten we zitten heel wat minder rustig op de binnenveranda – we schatten dat we op minder dan 10 meter hoogte zitten – en gaan al vroeg naar beneden voor het diner…. en om de laatste nieuwtjes te horen.

Inmiddels is dochter Miki thuisgekomen. Ze is gestopt met studeren en werkt nu. Het weerzien is heel, heel hartelijk. We hebben voor haar en haar moeder wat Delftsblauwe klompjes meegenomen uit Nederland en voor haar hond een adreslabeltje in een tempel gekocht. Het is een vreemde mengeling van gevoelens: blijdschap van het weerzien, vermengd met verdriet en verbijstering over de ramp. Telkens weer kijken we naar de tv-beelden. In Japan concentreert de menselijke bewoning zich op de laagvlakten aan zee, omdat de vulkanisch gevormde bergen meestal te steil zijn om te ontginnen. Dat betekent dat er ook enorm veel slachtoffers en schade zullen zijn bij deze ramp. We denken nu toch wat milder over al die betonnen oevers…
Na een overvloedig en heerlijk avondeten maken we allebei gebruik van de computer van Miki, niet alleen om via Nederlandse kranten zoveel mogelijk over de ramp te weten te komen (het valt niet mee om alleen maar Japanstalige bronnen te hebben), maar ook om ‘thuisblijvers’ gerust te stellen per e-mail. We zijn er lang mee bezig, want de mailadressen moeten we overal vandaan halen. Ook proberen we Kyoko en Hiroshi te mailen, want zij zijn uit het rampgebied afkomstig, maar we kunnen ze niet bereiken. Tussendoor maakt onze gastvrouw – met zichtbaar plezier – nog een reservering voor ons. De gastheer valt zonder verdere plichtplegingen in slaap op de tafel.

‘s Nachts slapen we slecht: periodes van wakker liggen luisteren, wisselen af met nachtmerries over tsunami’s…

Dag 13: Ontmoetingen

Om 7 uur staat dan toch iedereen bij het busje, ook wij met onze overvolle rugzakken waar we nu toch ook de hina-poppen in onze kleding gewikkeld in hebben gepropt. Een van de henro’s blijft achter, maar komt ons wel uitzwaaien. De bus met in totaal 10 henro’s ploegt zich tegen de berg op, door het gehucht dat fraai versierd is met lampionnen en pompoenen in de bomen en met hina-poppen opgesteld voor de huizen. Via een wat kortere weg door 2 tunnels brengt de bus ons terug naar de henro-route.
We bezoeken vandaag tempel 20 en 21 en moeten dan nog enkele kilometers doorlopen voor onze overnachtingsplaats: Sakaguchi-ya, de ryokan waar we vorig jaar ook hebben geslapen. Vandaag is de tweede ‘pelgrimshel’: eerst – vanaf de voet van de berg – 2,6 kilometer omhoog naar tempel 20, met 450 meter stijging, dan weer omlaag het volgende dal in en dan weer 3,6 kilometer omhoog met 500 meter stijging naar tempel 21, vervolgens weer dalen naar onze overnachtingsplaats. In totaal 13,6 kilometer. Het mag minder erg lijken dan de eerste pelgrimshel – 2 in plaats van 3 bergruggen – maar de stijgingsgraad is veel heftiger. Diverse trajecten kennen een stijging van 30-40%.

Voor tempel 20 kunnen we kiezen uit een westelijke en een oostelijke route om de berg op te klimmen. Vorig jaar hebben we de westelijke route genomen, die wat minder zwaar is dan de oostelijke route, en bovendien af en toe een weg kruist, wat een uitwijkmogelijkheid geeft als het bergpad te zwaar blijkt. We kiezen weer voor de westelijke route, maar deze keer lopen we wel helemaal via het voetpad. Het eerste deel van het pad bestaat uit een soort asfaltbeton, pas later zijn er afwisselend treden van betonnen boomstammetjes en ‘gewoon’ bospad. Bijna meteen stijgt het pad al flink. Het is erg fris als we om half 8 gaan lopen, ondanks de zon. Al gauw gutst het zweet ons van de rug, maar toch is het te koud om de jassen uit te trekken. Onderweg rusten we af en toe kort op een van de bankjes die her en der langs het pad staan. Hoe hoger we komen, hoe mooier de vergezichten. Boven het rivierdal zweeft een buizerd.
Al om kwart over 9 komen we bij tempel 20. Elke tempel is omgeven met legenden over Kukai (Kobo Daishi, de eerste die dit pelgrimspad liep) en over tempel 20 wordt verteld dat Kukai, toen hij hier aankwam, 2 kraanvogels zag die een beeld van Jizo (degene die de overleden kindertjes helpt om in het hiernamaals te komen) bewaakten tegen onheil. Er staan bij de hoofdtempel 2 beelden van kraanvogels en ook een van de stempels in het stempelboekje is van een kraanvogel. We verlaten het fraaie tempelcomplex meteen na het uitvoeren van de rituelen. Het is te koud om te blijven hangen; er dreef zelfs ijs in het wasbekken…

Via een stijl pad dalen we af, een behoorlijke aanslag op onze knieën en enkels. Losliggende stenen en uitstekende boomwortels worden verborgen door een bladerdek. Uiterst geconcentreerd en voorzichtig zoeken we onze weg. We horen de eerste kikkers dit jaar, met hun diepe bassen. Als we bijna in het dal zijn rusten we even in een kleine rest hut. Even later, om half 12, zijn we helemaal beneden en komen we langs de grote rest hut waar we vorig jaar hebben gezeten, met een kantoorstoel met NASA erop. Dan gaat het pad steil omhoog, eerst weer op asfaltbeton, later over (betonnen) boomstamtreedjes en bospad. Om 12 uur leggen we nog eenmaal (kort) aan in een rest hut, deze keer voor de lunch. Een idyllisch plekje aan een klein beekje. Maar het blijft fris…
Om 2 uur komen we aan bij het begin van tempelcomplex 21, dat zich langgerekt, met heel veel trappen, uitstrekt over de bergrug. ‘Western Kõya-san’ wordt het wel genoemd, omdat hier dezelfde mystieke sfeer heerst als op Mount Kõya. Net als op deze heilige berg, zijn ook hier veel eeuwenoude Japanse cypressen te vinden, sugi, en fraaie tempelgebouwen. We blijven niet lang hangen, want er staat een felle wind. Ook hier drijft wat ijs in het wasbekken.

Via een steile afdaling, eerst via een klein pad, later via een hele smalle en behoorlijk vervallen asfaltweg, bereiken we het volgende dal waar onze overnachtingsplaats zich bevindt. Al om 4 uur komen we daar aan; we hebben er bijna een uur korter over gedaan dan vorig jaar. Dat is mede te danken aan de lage temperatuur – we pauzeren daardoor minder, maar het loopt ook een stuk makkelijker – en natuurlijk aan het ontbreken van grote blaren. Nog steeds heb ik slechts 2 piepkleine blaren op de beide kleine tenen. Wel heeft mijn rug me parten gespeeld: rechtop lopend met rugzak is geen enkel probleem, maar de berg op moet je toch iets voorover buigen en dat is lastig. ‘s Avonds verergert de rugpijn. Alles is hier ingesteld op kleine maten: wasbak, wc en tafels zijn laag, de spiegels zelfs op kruishoogte, en het zitten op een kussen (soms urenlang) is al helemaal een crime.

Bij het diner vraag ik een laag zitstoeltje, dat maakt het iets makkelijker. We eten weer samen met Kyoko en Hiroshi en deze keer schuift ook mr. Onda-san aan, een 87-jarige Japanner die in zijn eentje de tocht loopt en die we al tegenkwamen in de vorige 2 overnachtingsplaatsen. Het wordt een heel gezellige maaltijd, met diepe gesprekken. Voor ons allebei zijn deze ontmoetingen het belangrijkste van de voettocht. Niet het halen van het eindpunt, niet het leveren van een prestatie. Maar de ontmoetingen met andere mensen, écht contact maken. Het is een van de vele onderwerpen waarover we praten.
Als laatsten keren we terug naar onze kamer (deze keer een stuk kleiner, 6 tatami’s groot, maar toch even duur, naar ‘goede’ Japanse gewoonte). Mels probeert nog even het internet, maar het versturen van mails gaat weer niet, het ontvangen wel. Dan maar vroeg op de (4) futons, want het was toch een zeer vermoeiende dag.

Dag 12: Vanavond geen bier

Er staan maar 10 kilometer op het programma, maar… de ryokan die we hebben geboekt, ligt 7 kilometer van de route af. We kunnen bellen om opgehaald te worden op het ophaalpunt op de route en de volgende ochtend weer teruggebracht worden. Maar omdat we zo’n kort dagtraject hebben, besluiten we niet te bellen en de extra 7 kilometer gewoon te lopen. Wat is tenslotte 7 kilometer op 1200 in totaal? Het is een mooie, zonnige dag en we doen heel rustig aan. Tijd genoeg.
Rond half 11 leggen we aan bij een zwaailicht. We aarzelen even, want het ziet er nogal viezig en aftands uit, maar de gastvrouw is hartelijk en de koffie uitstekend. Ze brengt ook groene thee met een zoete lekkernij gemaakt van bonen, en bij de koffie krijgen we heerlijk gebak. ‘Osettai!’ We schrijven in het gastenboek (‘geen weg zonder hart’), nemen foto’s en laten een osame-fuda achter. Bij het afscheid krijgen we nog een plastic tas met mandarijnen mee. En ze geeft de tip om mijn kleine tassen niet over de ene schouder te hangen, maar eerst de rugzak om te doen en dan de tassen eroverheen te hangen, zodat ze voor mijn buik bungelen. Ik probeer het uit, hoewel ze nu wel telkens tegen mijn benen aan klotsen en ik me ingebonden voel alsof ik in een harnas zit. Maar misschien zal ik nu minder last van mijn schouder hebben.

De hele tocht lopen we langs 1- en 2-baans wegen, door rijstvelden en verschillende gehuchten. Er is druk verkeer en we moeten vaak uitwijken om auto’s en vrachtwagens te laten passeren. Al gauw moeten we tegen een straffe tegenwind in lopen. In Katsuura zien we, net als vorig jaar, overal uitgestalde hina-poppen: fraaie Japanse poppen in allerlei formaten, soms in dure poppenkamers. Grootouders geven dit soort poppen aan hun kleindochters op ‘meisjesdag’ (hinamatsuri) dat elk jaar op 3 maart wordt gevierd. En er worden veel tentoonstellingen met deze poppen georganiseerd in Japan. In Katsuura zijn ze een maand lang in winkeletalages en langs de straat te zien.
Als we een foto maken van een mooie verzameling hina-poppen, gaat de deur open. We worden binnen genodigd. Het blijkt een grote zaal naast een winkel te zijn, waar allemaal lage banken staan. We zijn niet de enigen. Verschillende mensen genieten van een kopje groene thee en een zoete bonenlekkernij. De zaal is versierd met poppen en kunstbloemen. De eigenaar, zijn vrouw en een medewerkster zijn zeer hartelijk en zeer geïnteresseerd. ‘Oranda! Ahhhh!’ Het verbaast ons toch steeds weer dat elke Japanner Nederland kent en ook weet waar het ligt. En dat er tulpen en windmolens zijn. ‘Bloemen, die koesteren we in onze harten’, legde een paar dagen geleden een Japanner mij uit. Vorig jaar had Mels een Nederlands vlaggetje op de rugzak – tenslotte voelden we ons toch min of meer ambassadeurs namens Nederland – maar dat vlaggetje sprak niet zo erg aan. De enige die erop reageerde, dacht dat wij uit Frankrijk kwamen, omdat het op zijn zij hing. Deze reis hebben we allebei een kunsttulp op onze rugzak en daar wordt wel enthousiast op gereageerd. Tulpen kent iedereen.
Als we een tijdje hebben gezeten en gepraat, komt de eigenaar met 2 vlieseline zakjes aan. Hij pakt er voorzichtig een hina-pop uit. Ik vraag of ik foto’s mag maken van hem, maar hij zegt dat ik dat bij de volgende beter kan doen en geeft de pop aan Mels. Osettai! De tweede pop is voor mij. We zijn helemaal beduusd, want dit zijn dure poppen. We bedanken hem uitgebreid en geven een klein Delftsblauw doosje en onze visitekaartjes. Het afscheid is zeer hartelijk. Ik krijg nog 4 mandarijnen in mijn tas gestopt. ‘Tot volgend jaar’, zeggen we: ‘Ja mata rainen.’
De poppen stellen ons wel voor een probleem, want ze lijken ons zeer breekbaar en kunnen dus niet in de rugzak worden gepropt. Morgen begint de tweede pelgrimshelletocht over de bergen, dat maakt het ook niet makkelijker. We besluiten de vlieselinezakjes voorlopig maar voor onze buiken te hangen. Gelukkig regent het niet, maar het is een van die dagen dat we toch een beetje op nikkelen nelis beginnen te lijken…

Nog voor 12 uur lunchen we in een restaurant bij een michi no eki, een ‘wegstation’. Niet dat we ook maar enigszins honger hebben na al dat lekkers, maar we verwachten dat dit het laatste restaurant is dat we zullen zien vandaag. De udon-soep is op, dus we krijgen toch weer een dienblad vol met eten. Onderweg stoppen we ook nog enkele keren om wat bananen en vooral om wat mandarijnen te eten, want al dat extra gewicht breekt ons wat op. Ik krijg steeds meer last van mijn rug, met uitstralingspijn naar mijn linkerbeen en besluit toch maar weer mijn 2 tassen anders op te hangen.
‘Nog 1 à 2 kilometer naar de ryokan’, zegt Mels. Maar als er even later een kleine bestelbus naast ons stopt, nemen we het aanbod aan ons naar ryokan Sakamoto te brengen. De man kent ons, heeft ons gisteren met de computers bezig gezien. Bij McDonalds? Nee. Maar we komen er niet achter waar we hem dan wel hebben gezien. Hij is toevallig met zijn maat onderweg naar de ryokan om daar gebruik te maken van het bad. We rijden kilometer na kilometer door de bergen. Oef! Ben ik blij dat we mee konden rijden…

Ryokan Sakamoto werd ons aanbevolen door de aardige Japanse man die we spraken in de ryokan na tempel 12. We hebben daarom deze geboekt en niet de ryokan van vorig jaar, die wel op de route lag. Sakamoto blijkt een redelijk luxe hotel te zijn. Een oud schoolgebouw dat erg mooi is gerenoveerd. De kamer 16 tatami’s groot, met vele kasten, een hal met wastafel en een balkon. Er is ook een grote ruimte voor het draaien en drogen van wassen. Beneden in de hal zitten enkele henro’s die we al eerder tegenkwamen in het gastenverblijf van tempel 19. We gaan er even bijzitten om te internetten, met een kabel die door de gastvrouw door de hele hal wordt gelegd, bungelend voor de ingang.
Als ik me aan het aankleden ben in de ofuro, komt een Japanse vrouw binnen. ‘Ah, Oranda?’ Ze moet me aan mijn billen herkennen, ik sta nota bene met mijn rug naar haar toe… Ze spreekt Engels. Het blijkt dat de ryokan-eigenaar van 3 dagen geleden (ryokan Kadoya, naast tempel 13) haar en haar man over de Hollanders heeft verteld en sindsdien hoopte ze ons een keer tegen te komen. Later, tijdens het diner, zitten we naast elkaar: Kyoko en Hiroshi heten ze, beiden gepensioneerd, zij vroeger lerares op een basisschool en hij landmeter. Ze waren van plan geweest de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella te lopen, maar doen nu toch eerst (in delen) de Shikoku-tocht.
Het wordt een heel gezellige avond. De henro’s van de vorige avond blijken van een grapje en een feestje te houden. Mels had eigenlijk een alcoholvrije avond gepland. Maar er wordt bier uitgedeeld. En de eigenaar gaat met een grote fles sake rond… Er worden foto’s genomen. En nog eens foto’s. Een van de groepsfoto’s zal in de hal komen te hangen; kunnen we hem volgend jaar zien… We houden de Hollandse eer hoog inzake het nuttigen van sake en bier. Zo gauw zijn we niet onder tafel te drinken… En wij maar denken dat henro’s zo serieus zijn… Buiten regent het flink. Morgen om 7 uur vertrekt het busje. Oef…

Dag 11: Veel koffie, weinig wifi

‘s Ochtends lopen we toch maar eerst de 500 meter heen en 500 meter terug om naar internet te zoeken. We hebben bij hotel Sun Route – ons eerste hotel op Shikoku – diverse freespots gezien aan het stationsplein, bij Starbucks en diverse Japanse kopieën daarvan. Maar helaas… nergens kunnen we echt het internet op. Na diverse koppen (lekkere!) koffie, besluiten we terug te gaan naar hotel Sun Route om te vragen of we daar in de lounge mogen internetten. ‘We hebben een probleem en u kunt ons helpen’, zegt Mels in zijn beste Japans tegen de receptionist. Dat werkt. De volgende 2 uur zijn we hard aan het werk. Maar ondanks allerlei pogingen lukt het me niet mailtjes te versturen. Ten einde raad kopieer ik alle mailtjes die ik de afgelopen 10 dagen heb klaargezet in een Word-bestand om ze (via een snoertje) over te brengen naar Mels’ i-pad. Want daarop lukt het versturen nu wel. Voor elk mailtje moet ik opnieuw adres en onderwerp intypen en vervolgens de inhoud kopiëren uit het Word-bestand. Ik ben net met het tweede mailtje bezig, als plotseling alle mailtjes op mijn eigen laptop ‘ervandoor’ gaan: ze zijn verstuurd! Geen idee waarom het nu wel gaat…

Om kwart over 11 gaan we eindelijk op weg om het voor vandaag geplande traject te gaan lopen. Eerst lopen we 500 meter terug naar de route, dan vervolgen we onze weg naar tempel 18 en 19. Bij de laatste tempel zullen we overnachten. Een tocht van zo’n 16 kilometer. Het grootste deel van de dag lopen we in zuidelijke richting langs route 55, een drukke 4-baans weg met aan beide zijden voetpaden. Het decor bestaat al gauw voornamelijk uit bedrijventerreinen, een enkele keer een woonwijk. De weg is vlak, enkel golvend over de vele, vele bruggen die we passeren. Het weer is prachtig, we trekken weer eens de jassen uit. Het waait hard, maar gelukkig in de goede richting. Lunchen doen we op een bankje in een supermarkt met daar gekochte sushi, yoghurt en fruit. En later leggen we nog eens aan bij een McDonald voor wifi en McFlurry. Maar ook hier lukt internet niet. Het verbaast ons hoeveel McDonalds er zijn onderweg; de hele vorige reis hebben we er maar 1 gezien. Hebben we al die andere onbewust genegeerd, net als alle gebakszaken die we ons helemaal niet konden herinneren?

Rond half 2 komen we op het punt waar de zuidwestelijke en de noordoostelijke route rond Mount Bizan zich weer samenvoegen. Enkele kilometers voor tempel 18 verlaten we de drukke route 55 en volgen we een smalle weg door rijstvelden en gehuchten. Nog een kleine klim door de bossen en dan zijn we om half 4 bij tempel 18. Daarna nemen we hetzelfde paadje als vorig jaar, door een sprookjesachtig mooi bos dat alleen maar bestaat uit bamboe. Als mieren tussen het gras, zo lopen we tussen de hoge sprieten. Dan zijn er citrusgaarden, akkerland en weer bebouwing. Via een 2-baans weg gaan we een kleine pas over en dan komen we in Komatsushima, waar tempel 19 ingeklemd zit tussen de omringende bebouwing. Net na 5 uur melden we ons bij het gastenverblijf en we kunnen ons nog net invoegen in de dienst die hier blijkbaar ‘s middags wordt gehouden in plaats van ‘s ochtends vroeg. We krijgen elk een boekje cadeau met de soetra’s. Maar ik gebruik toch maar ons eigen boekje met de tekst van de hartsoetra in romanji, de westerse lettertekens… Na de dienst bewonderen we nog even de zeer fraaie hoofdtempel. Dat is een van de leuke aspecten aan zo’n dienst: je komt in de mooiste vertrekken van de tempel.

Als ik na het eten nog even op de kamer (10 tatami’s groot met kastenwand) zit te typen, wordt er op de deur geklopt. Een vrouwelijke monnik. Of ik niet gebruik wil maken van de ofuro? En dan toont ze me een ‘geheime’ privé-badkamer. Mag ik ook gebruiken, ook morgenvroeg. Wel de deur op slot doen. En niet met zijn 2-en tegelijk…

Dag 10: Rondje van Mels

De volgende ochtend komen we de feestvierders tegen: een man en 2 vrouwen. Ander feestje dus… We vertrekken om even voor 8 uur voor een tocht van zo’n 15 kilometer, met bezoek aan tempel 13, 14, 15, 16 en 17. We beginnen met de naast de ryokan gelegen tempel 13. De hele nacht heeft het flink geregend, maar bij ons vertrek is het weliswaar bewolkt en fris, maar ook droog. Achter tempel 13 voert een smalle, verhoogde weg door de rijstvelden. Daarna loopt de route door stedelijk gebied: we zijn weer in Tokushima, de stad waar we de eerste nacht op Shikoku doorbrachten en waar we nu weer via een grote lus in terug zijn gekomen, voordat we morgen verder naar het zuiden afzakken.

Rond 11 uur steekt Mels zijn neus in de lucht: ‘Ik ruik vers gebakken brood!’ Er blijkt in een van de zijstraten een bakkerij te zijn, met erachter een tearoom. We kopen er eierkoeken en krijgen er gratis koffie bij: ‘Osettai!’ We nemen nog maar een gebakje en ook ijs.
Op ons gemak bezoeken we alle tempels en als we na de laatste tempel de route vervolgen, op weg naar onze overnachtingsplaats, zien we bij de ernaast gelegen shinto-tempel een westers ogend paar zitten. Het blijkt een jong stel uit Amerika te zijn. Ze lopen de tocht voor de eerste keer en proberen overal gratis overnachtingsplaatsen te krijgen. Afgelopen nacht lukte dat niet en moesten ze onder een brug slapen. Hij heeft een slaapzak die -18 aan kan, maar zij ligt inmiddels behoorlijk in de vernieling… Ze geeft me een zelfgemaakt vriendschapsarmbandje; wij geven haar een paar kleine Delftsblauwe klompjes.

Vanaf tempel 17 liepen we vorig jaar langs het westen en zuiden van Mount Bizan, door de bossen over een pas. Deze keer nemen we een route langs het noorden en oosten ervan, nog steeds door stedelijk gebied, omdat we aan die route deze keer een hotel hebben geboekt. Op de kaart hebben we gezien dat er langs de route enkele McDonalds zijn. Daar leggen we onderweg tweemaal aan, omdat er free wifi zou zijn. Maar dat blijkt alleen voor gamen te zijn. Wat frietjes en een McFlurry later lopen we dan maar verder. Helaas ga ik door mijn rug als we willen vertrekken. Waarschijnlijk te danken aan mijn valpartij enkele dagen geleden. Met wat paracetamol kom ik weer op de been.

Uiteindelijk lopen we toch nog onze overnachtingsplaats voorbij, we herkennen de naam op het uithangbord gewoonweg niet. Een halve kilometer later helpt een man ons terug naar het juiste adres. Hij spreekt wat van ‘the king’s speech’, zoals hij het zelf noemt. Business hotel Kondo blijkt een wat aftands onderkomen te zijn. In de langwerpige kamer staan, ver verspreid van elkaar, 2 1-persoonsbedden, een bank en een kampeertafeltje met 2 stoelen; er is ook een badkamer met piepklein bad, douche en wc. Wifi is er niet en de gastvrouw kan ons – ook na diverse telefoontjes – niet informeren over wifi-mogelijkheden in de omgeving. Pas dan komt Mels tot de ontdekking dat we op slechts 500 meter zitten van ons eerste hotel op Shikoku: een uitstekend hotel waar wel wifi was… Te laat!

Dag 9: Er zijn brede en er zijn smalle paden…

In de ontbijtzaal staan alle tafels gericht op het uitzicht: een park met allerlei planten en bomen en een waterrad, op een berghelling die is onderverdeeld in smalle etages. Enkele camelia’s, een enkele vroege kers en een toverhazelaar staan in bloei, voor de rest is de tuin nog in winterrust.

Om kwart over 9 vertrekken we, na eerst de koffers te hebben laten opsturen naar de overnachtingsplaats over 10 dagen. Voor het hotel wordt net een marktje opgebouwd en de marktlui wensen ons massaal ‘gambatte!’ (Doe je best! Of: Heb succes!) We kiezen deze keer een meer zuidelijke route naar tempel 13 dan vorig jaar. We hebben nu een tocht gepland van zo’n 18 kilometer over grotere en kleinere geasfalteerde wegen die op en neer golven over verschillende bergpasjes; de laatste en tevens hoogste 2 passen zijn 210 respectievelijk 250 meter hoog.
Als we door wat bebouwing lopen, zien we aan de overkant een groep mannen op de stoep zitten, op stoepranden en kratjes. We worden uitgenodigd op de (groene) thee en krijgen ook nog mandarijnen en koekjes toegestopt. De groep is bezig met snoeiwerk en onkruid wieden. Ze wijzen op de vele soorten sakura, kersenbomen, die hier staan, er zijn zelfs allerlei treurvormen. Deze weg wordt niet voor niets de sakura-weg genoemd. Maar er is nog maar weinig in bloei, de knoppen zijn zelfs nog heel klein. Voor we afscheid nemen gaan we nog uitgebreid met de groep op de foto. Dan worden we hartelijk uitgezwaaid.

De veelal smalle weggetjes slingeren zich rond de berghellingen en voeren voor een groot deel door stille bossen. Af en toe is er een klaterend beekje. Een enkele raaf krast boven onze hoofden en we horen ook weer een nachtegaal. Verkeer komen we weinig tegen. De zon schijnt en het is best warm. We trekken al gauw onze jassen uit. Maar dan betrekt de lucht en gaat het zachtjes regenen. Bij de hoogste pas gaan we door een kleine tunnel. Daarna gaat het steeds harder regenen. Pauzeren is er niet meer bij. We missen een afslag (er staan langs deze route geen henro-aanduidingen en bovendien valt de route voor een deel buiten onze kaarten) en lopen zo nog een kleine kilometer extra erbij, maar toch komen we al heel vroeg aan bij ryokan Kadoya, naast tempel 13, al om half 2. We zijn gelukkig welkom. Op de kamer (9,5 tatami’s groot plus kastenwand) eten we eindelijk onze lunch op die we in de onsen hadden laten klaarmaken. En we rusten wat uit, want zo’n loopdag zonder pauze maakt toch wel erg moe.
Vorig jaar zijn we van tempel 12 naar tempel 13 via een noordelijke route gelopen: een in verval geraakt paadje dat over de beboste berghellingen voerde. Sommige delen waren zelfs ingestort, zodat we ons dan voorzichtig langs de steile helling moesten voortbewegen. Dat was een zeer vermoeiende klim; bovendien liepen we aan het eind van de dag (en waarschijnlijk ook al aan het begin van de dag) verschrikkelijk verkeerd waardoor we veel extra kilometers moesten maken. Die dag (en de volgende) ging het helemaal mis met mijn voeten. Wekenlang had ik toen problemen met mijn blaren. Dit jaar is niet alleen het traject korter (we hebben deze keer de afdaling vanaf tempel 12 al eergisteren gelopen), maar het is ook een stuk makkelijker lopen via de asfaltwegen. Dit jaar gaat het beter, de blaren op mijn kleine tenen zijn zelfs al ingedroogd. Met Mels’ voeten gaat het wat minder goed. Hij heeft de wandelschoenen die hij vorig najaar heeft gekocht, weer aangetrokken. Deze zijn goed ingelopen en minder afgetrapt dan de oudjes van de vorige henro-tocht. Maar hij heeft nog steeds last van inwendige pijn in de voeten en de nieuwe inlegzooltjes bezorgen hem bovendien zweetvoeten, waardoor hij wat last heeft van wrijvingsplekken. Mijn nieuwe inlegzooltjes zijn van een ander materiaal en ventileren meer, waardoor ik juist helemaal niet meer last heb van zweetvoeten, en mede daardoor ook niet meer zo erg van blaarvorming.

Om 4 uur is de ofuro klaar. Maar… de mannen moeten eerst… Jammer, want ik heb het koud en mijn rug en schouder doen zeer. Een bad zou me goed doen. Maar blijkbaar kijk ik dermate beteuterd, dat de gastvrouw enkele ogenblikken later terugkomt en beduidt dat we met zijn tweeën mogen. Als we het maar aan niemand vertellen én de deur van de ofuro op slot doen…
Om half 7 wordt het eten op de kamer geserveerd. In de kamer tegenover de onze en op de gang horen we urenlang geren, gegil en gelach. Kinderfeestje?

Dag 8: Wachten op wifi

Aan bepaalde regels valt niet te tornen in Japan: ofuro, etenstijden en… overdag hoor je niet in de ryokan te zijn… Bij het ontbijt om half 7 praten we nog wat met de aardige Japanner die ons gisteren stond op te wachten. We hebben gemerkt dat er veel uitwisseling en overleg is tussen de henro’s en dit jaar doen we daar ook aan mee. Hij weet ons een paar goede tips te geven voor ‘kritieke’ overnachtingsplaatsen: hij heeft alternatieven voor ryokans waar we vorig jaar geweigerd werden. In het Japanse routeboekje blijken veel en veel meer hotels en ryokans te zijn vermeld dan in ons boekje.

We gaan nog even op onze kamer zitten, maar om 8 uur is de ryokan-eigenaar onverbiddelijk: we moeten eruit. We laten een taxi komen, want de onsen ligt aardig van de henro-route af en we hebben bovendien nu onze 2 koffers bij ons. Ons verontschuldigend melden we ons al om 9 uur bij de bij receptie van de onsen. We worden hartelijk verwelkomd – ze herkennen ons nog van vorig jaar – en installeren ons met onze computers in de lounge tot onze kamer (8 tatami’s groot, plus tokonoma, binnenveranda met zitje, hal met wastafel en wc; helaas deze keer geen bad) klaar is. Er is wifi, maar yukkuri, yukkuri: langzaam, erg langzaam. Om 11 uur is er zelfs koffie met opgeklopte melk. We zijn de rest van de dag bezig met werk voor KLEI, de weblog uploaden, de komende 10 overnachtingen (laten) boeken, de was en de mail, zittend op de binnenveranda, lekker in de zon. De mail is een crime. Voor de zesde maal ben ik honderden mailtjes aan het weggooien, maar telkens komen ze weer terug in het IN-vak. De eerste 2x waren het er zelfs 1000 die steeds terugkwamen. Ik zie zo onderhand door alle bomen het bos niet meer. Welke heb ik nu beantwoord en welke niet? En het verzenden van mails gaat ook nog steeds niet…

‘s Avonds in het restaurant van de onsen is de maaltijd weer overvloedig. Een zaal vol met mensen gekleed in ‘ochtendjassen’ en op kousenvoeten, het blijft wennen voor westerlingen…

Dag 7: Kermis in de pelgrimshel

De pelgrimshel bestaat uit 3 bergruggen, met op de laatste tempel 12. In totaal een afstand van 13 kilometer en een stijging van 1200 meter. Omdat tempel 12 geen buitenlanders wil huisvesten (zelfs niet als ze de tocht al eerder hebben gelopen, de Japanse gewoonten goed kennen en een klein beetje Japans spreken), moeten we – net als vorig jaar – extra kilometers afleggen om een onderkomen te vinden. Dit jaar kiezen we voor ryokan Nabewa-so, maar dat betekent vanaf de laatste bergrug nog 3,5 kilometer steile afdaling. Daarmee komt de tocht op 16,5 kilometer. Gisteren ontdekten we dat ons nieuwe en verbeterde (Engelstalige) routeboekje nu ook hoogtelijnen bevat. Daarmee kunnen we het traject wat nauwkeuriger inplannen. Minder zwaar zal het er echter niet van worden…

Tijdens het ontbijt wijst de gastvrouw op de omringende bergen: er ligt een dunne laag sneeuw! Opgetogen vertelt ze dat er 15 centimeter sneeuw ligt bij tempel 12. Er gaat een oooohhh van afgrijzen door de volle ontbijtzaal. Zo’n 12 mensen zullen, alleen al vanuit deze ryokan, vandaag de tocht maken naar tempel 12. Sneeuw zal de tocht er niet makkelijker op maken.
Het sneeuwt lichtjes als we vertrekken om 9 uur. Eerst maken we nog wat foto’s, van onze gastvrouw en haar zoon (met de tulpen in het midden!) en weer van ons, voor het uithangbord. De o-bento (lunchpakketjes) en het gisteravond opgedronken bier mogen we niet betalen. O-settai!

Al snel valt de sneeuw in dichte vlokken neer. Het bergpaadje dat we vanaf tempel 11 de berg op volgen, is glibberig, We moeten voorzichtig lopen, en toch komen we al om 9 uur aan bij Chodo-an, bijna aan de top van de eerste bergrug, en om half 11 arriveren we bij Ryusui-an, halverwege het dal tussen de eerste en de tweede bergrug. Om 12 uur zijn we bij Joren-an, bovenop de tweede bergrug. Daar eten we snel onze meegebrachte lunchpakketjes op. Voor de rest rusten we nauwelijks, daar is het veel te koud en te nat voor. De sneeuw is in de loop van de dag wat minder dicht gaan vallen, maar er is een bitterkoude wind en de temperatuur blijft onder het vriespunt. Andere henro’s zien we inmiddels nauwelijks meer.
Mels heeft weinig vertrouwen in het gezelschap van een pelgrimsstaf. Hij heeft angstige visioenen over valpartijen waarbij ik eindig met de staf in mijn oog of door mijn hals. Maar de hele dag gaat het goed. Wel glijden we beiden een keer enkele treden naar beneden, wat bij ons beiden zere hakken oplevert.
Om even na 1 uur beginnen we aan de beklimming van de laatste bergrug en al om 3 uur arriveren we bij tempel 12. Daar rusten we een tijdje in het stempelkantoor waar banken en tafels en een oliekacheltje staan voor vermoeide henro’s. We hebben de tocht sneller gelopen dan vorig jaar (en in de 8 uur die er voor staan) en ik ben ook een stuk minder vermoeid. Blijkbaar is mijn conditie vooruitgegaan!

De laatste kilometer voor we bij de ryokan arriveren, ga ik toch nog onderuit, maar mijn val wordt opgevangen door de rugzak. Niets aan de hand. Langzaam gaat de sneeuw over in lichte regen. Als we om half 6 bij de ryokan aankomen, staat er een man buiten op ons te wachten. ‘I thought you were lost. We were worried about you!’ Hij blijkt een van de andere henro’s. Hij spreekt Engels en ook wat Nederlands; is 30-40 jaar geleden een tijd in Nederland geweest. Hoewel we geen van de andere henro’s in de ryokan eerder hebben ontmoet, weet iedereen van het bestaan van de Hollandse henro’s. Omdat wij later aankomen dan de anderen, waren ze bang dat we verdwaald waren. ‘Not lost, but slippery!’, zeg ik. Ja, hij was zelf maar liefst 4x onderuit gegaan…
De kamer is 12 tatami’s groot, plus tokonoma en kastenwand. Om 6 uur is het eten, maar ik moet tot 1 minuut voor 6 wachten tot alle (14) mannen de ofuro hebben verlaten en ik in het bad mag. Tja, ook het henro-pad is een mannenwereldje… We zijn allebei toch behoorlijk moe geworden en besluiten daarom morgen een vrije dag te nemen in plaats van 3 dagen later. We kunnen niet blijven in de ryokan en laten daarom een reservering maken in onsen Kamiyama (hotel Shiki no Sato) waar we vorig jaar 2 nachten hebben doorgebracht

Dag 6: Uitzicht op de hel

Vandaag staat slechts 8-9 kilometer op het programma, met bezoek aan tempel 11. Daarom vertrekken we pas tegen 9 uur; de schoonmaakster is dan al lang binnen komen lopen in de kamer. Het is stralend weer, wat een verschil met gisteravond! De frisse ochtendkou neemt echter nauwelijks af, ondanks de zon.
We zijn nog niet zo lang onderweg of we leggen even aan bij een kleine supermarkt om een cadeautje te zoeken voor de gastvrouw in de volgende ryokan, die vorig jaar zo aardig voor ons was. We worden uitgenodigd om koffie te drinken. In een hoek van de supermarkt staat een klein oliekacheltje waaromheen wat mensen zitten op kratjes en krukjes. Bij de koffie krijgen we een op het kacheltje gepofte zoete aardappel. Er ontstaat een levendig gesprek. De 2 gastvrouwen en de 2 andere gasten zijn zeer geïnteresseerd in Nederland. Als we uiteindelijk opbreken, willen we nog 2 zakjes snoep kopen om later weg te geven, maar we mogen niet afrekenen. ‘Osettai!’, de cadeautjes die aan henro’s worden gegeven. We worden uitgebreid uitgezwaaid.

We lopen verder door de rivierdelta, al snel alleen nog maar omringd door rijst- en andere akkervelden, met af en toe een bamboebos. Hier en daar zijn mensen aan het werk op de akkers. We steken enkele zijarmen van de Yoshino-gawa over, via lage, smalle 1-auto-brede bruggen die we moeten dele n met het andere verkeer. We horen de eerste nachtegaal en veldleeuwerik en zien ook kwikstaarten, witte reigers, een aalscholver en veel eenden in allerlei soorten.
Als we de laatste en grootste rivierarm zijn overgestoken, gaat het weer verder door stedelijk gebied. We zijn net voorbij een druk kruispunt, wanneer het heel lichtjes begint te sneeuwen. (Sneeuw?! Op een subtropisch eiland met palmen?!) We staan nog verbaasd omhoog te kijken, als ons een piepklein autootje inhaalt. We zijn dan al minstens een uur verwijderd van de supermarkt, maar uit het autootje stapt de 72-jarige eigenaresse. Ze had nog graag een foto willen maken van ons. Tegelijkertijd komt er een man aanlopen, ook gewapend met een groot fototoestel en op de andere arm een klein, wit hondje. Midden tussen het drukke verkeer weten we in allerlei combinaties foto’s van elkaar te maken. De vrouw geeft ons ook een foto cadeau, van de riviervallei als die uitbundig in bloei staat met koolzaad. Dan weten we ook hoe mooi het dan kan zijn. En ze heeft een grote zak met citrusvruchten voor ons. Mels bezwijkt haast onder het gewicht… ‘Volgende keer weer langskomen, hoor!’, zegt ze tegen ons. We zwaaien nog heel lang.

Bij een zwaailicht leggen we aan voor koffie: hetzelfde restaurant als vorig jaar. Dezelfde stamgast nog steeds aan de bar. Hetzelfde kawai-hondje dat nu met strikjes in het haar loopt. Dezelfde eigenaar. Hij herkent ons, breedgrijnzend, en diept onze (Japanse) visitekaartjes op: ‘Boommels!’ We blijven er een tijdje hangen. De koffie en de rodebonencakejes worden geserveerd op extra leuk serviesgoed, want hij weet nog dat wij geïnteresseerd zijn in keramiek. Bij het afscheid krijgen we 2 blikjes ijs(groene)thee, die we even later netjes in een vending machine opbergen, want we houden er nog steeds niet van…
Al om half 1 komen we aan bij ryokan Hoshino. De eigenaresse herkent ons en verwelkomt ons hartelijk. De zoon komt meteen een extra futon brengen voor de mama-san met de zere rug. We laten onze rugzakken achter op de kamer (6 tatami’s groot, plus halletje, kast en wasmeubel) en gaan dan op weg naar het sushi-restaurant waar we vorig jaar zo lekker hebben geluncht. Vorig jaar was ik te moe om te fietsen en was de ryokan-eigenaresse zo aardig ons met de auto naar het restaurant te brengen, nu lenen we wél 2 fietsen van haar en in no time vinden we het restaurant terug. Kok en gastvrouw herkennen ons. Na de smulpartij doen we op de terugweg nog wat boodschappen (waaronder een pot met ‘Hollandse’ tulpen voor onze ryokan-gastvrouw) en dan brengen we lopend een bezoek aan de vlakbij de ryokan gelegen tempel 11, waar we – ook dit keer weer – een blik werpen op de ingang van het pad waar we morgen onze tocht zullen voortzetten: de dag die de pelgrimshel wordt genoemd… Na het uitvoeren van de rituelen, blijven we nog even op een bankje zitten, lekker in het zonnetje. Nog even ontspannen voor we morgen de ‘hel’ intrekken.
Terug op de kamer, elk zittend op een dubbelgeslagen futon, schrijf ik verder in het dagboek en zucht Mels onder de Engelse vertaling. Vanuit het raam kijken we op de dichtbeboste berghellingen: de eerste van de 3 bergruggen die we morgen over zullen trekken…

Dag 5: Grafstenen-kerkhof

Na de dienst (om half 7) en het ontbijt proberen we nog even te profiteren van de internetverbinding, maar al spoedig wordt er op de deur geklopt: of de kamer al schoongemaakt kan worden. Een paar minuten later wordt er weer geklopt: de priester himself komt vragen of het is gelukt met internet… Om half 9 vertrekken we dan eindelijk uit het gastenverblijf, uiteraard als (aller aller)laatsten. Er hangt een zware bewolking en er staat een frisse tegenwind. In de verte zijn de bergen te zien waar we over 2 dagen overheen moeten naar tempel 12: ze liggen zwaar in de regen.
Op het programma staan 12,2 kilometer lopen, met bezoek aan tempel 8, 9 en 10. Afgelopen dagen hebben we gemerkt dat ons looptempo een stuk hoger is dan vorig jaar; we halen nu zelfs de Japanse henro’s in. Helaas gaan we bij een T-splitsing de mist in: we blijven de bordjes linksaf richting tempel 9 volgen en missen zo de afslag rechtsaf naar tempel 8. Als we uitgebreid foto’s hebben staan maken bij een verzamelplaats voor (eeuwen)oude grafstenen, bemerken we onze vergissing. Dat betekent weer een paar kilometer terug. Gelukkig hebben we de tijd vandaag en inmiddels schijnt ook de zon en is het weer aangenaam warm.

Vorig jaar heb ik bij tempel 1 een pelgrimsstaf gekocht en die uiteindelijk achtergelaten bij tempel 88 om later bijgezet te worden in de speciale schrijn voor pelgrimsstaffen. Deze keer heb ik met opzet geen staf gekocht: ik heb tijdens de vorige tocht zoveel achtergelaten (vergeten) staffen zien staan, dat het me sympathieker lijkt onderweg eentje op te pikken en die naar het einde van de tocht te brengen. Bij tempel 8 zie ik er een staan, helemaal alleen. Op de 4 zijden staat de hartsoetra geschreven. Eentje met karakter. We mogen elkaar meteen.
Het hebben van een pelgrimsstaf betekent ook een extra zorg, voor ons allebei. Ook ik ben vorig jaar mijn staf nogal eens vergeten in een van de speciale staffenrekjes die bij alle tempels staan. Dat betekent elke keer teruglopen, soms vele trappen op. Vorig jaar was juist tempel 8 een van de tempels waar ik mijn staf was vergeten. Mels was toen zo lief weer de trappen op te lopen.

Tegen het middaguur komen we bij tempel 9 aan. Er is een begrafenis aan de gang en we voeren stilletjes onze rituelen uit. Bij het stempelkantoor kopen we een paar rieten mini-sandaaltjes en laten die bijzetten in de hondo. Helpt tegen voetenzeer… Ik koop ook een amulet-adreshanger voor een hond. Wie weet wie ik er nog blij mee kan maken… ‘Je staf’, sist Mels als we naar de uitgang lopen. ‘Ja, ja, ja’, zeg ik, alsof ik hem nooit vergeet.
Het udon-restaurantje naast de tempel gaat helaas net dicht. De restauranthoudster moet net dringend weg. Gelukkig vinden we een ander udon-restaurantje vlak voor we de berghelling op moeten naar tempel 10. Na de lunch gaat de weg omhoog, eerst nog tussen de bebouwing door. Vorig jaar ging er halverwege het straatje een raamwand open en werden we uitgenodigd onze rugzakken achter te laten. Gelukkig gebeurt dat deze keer weer. Heel wat lichter vervolgen we onze weg: eerst een sterk stijgend asfaltweggetje en dan 333 treden naar tempel 10. Een ritueel getal, ik ben even kwijt wat de betekenis er ook al weer van is. Mels telt ze, net als vorig jaar, en komt nu tot 334, maar hij is niet van plan het over te doen… Als we de rituelen hebben uitgevoerd, de stempels hebben gehaald en weer op weg zijn naar de trappen, herinnert Mels mij voor de zekerheid: ‘Je staf!’

We halen onze rugzakken op bij het bedrijfje in kakejiku’s – rollen van zijde, papier, brocaat, zijdepapier, waarop stempels en kalligrafieën komen ter herinnering aan het bezoeken van de 88 tempels; kostbare rollen, de duurste zo’n 1800 euro – en worden weer uitgenodigd op de (groene) thee. Het zijn uiterst vriendelijke mensen. De gastvrouw spreekt inmiddels aardig Engels.
Net als we vertrekken valt er een flinke bui. We schuilen even verderop onder het afdak van het inmiddels gesloten udon-restaurantje, want het is nog maar 20 minuten lopen naar onze overnachtingsplaats en we hebben geen zin de poncho’s aan te trekken, noch om nat te worden.

Al om 3 uur zijn we op onze plaats van bestemming, ryokan Yawata, waar we vorig jaar ook hebben overnacht. De kamer is 7,5 tatami’s groot, met een eigen halletje met wasmeubel en wc. Ryokan en bijbehorend restaurant verdienen geen schoonheidsprijs, maar de mensen zijn uiterst vriendelijk en het eten goed en overvloedig. We hadden ons eigenlijk voorgenomen minder te eten en ook om minder bier te drinken, maar ja… alles is zo lekker. Het heet dan wel een pelgrimstocht, maar het is eigenlijk ook een culinaire tocht…
Een van de andere gasten probeert tijdens het eten een gesprek met ons aan te knopen. ‘Oranda? Ah Anton Geesink!’ en even later blijkt dat hij zich in de geschiedenis van de Japans-Nederlandse betrekkingen heeft verdiept: hij kent de oude Nederlandse handelsposten in Nagasaki en Deshima en… hij kent Siebold, een Nederlandse arts die voor de Leidse universiteit een uitgebreide verzameling van Japanse planten, dieren en artefacten aanlegde. Buiten slaat de regen tegen de ramen. Terug op de kamer tel ik mijn blaren: ik meende gisteren op elke kleine teen al eentje te bespeuren; die zijn groter geworden, ondanks (of juist dankzij?) het preventief pleisteren vanaf de eerste dag. ‘s Nachts buldert de wind.

Dag 4: Een hondenleven

Na de korte dienst in de hoofdtempel -– hondo –- en het ontbijt, vertrekken we voor een tocht van 15 kilometer, met bezoek aan tempel 3, 4, 5, 6 en tot slot tempel 7 waar we ook zullen slapen. De eerste dagen –- tot tempel 11 -– hebben we met opzet rustig ingepland, om wat te kunnen wennen. Niet alleen moeten we nog de jetlag afschudden, ook het lopen met volle bepakking hakt er flink in. Tot aan tempel 11 lopen we in de rivierdelta van de Yoshino-gawa, eerst naar het westen, later weer naar het oosten, dus over het algemeen over vrij vlak terrein. Pas van tempel 11 naar 12 gaan we de bergen in. En na tempel 12 zullen de dagmarsen ook een stuk langer worden.

Bij ons vertrek is het ondanks de bewolking aangenaam weer, haast te warm voor onze jassen. Later valt er enige tijd lichte regen en wordt het flink frisser. De tocht voert voornamelijk door stedelijk gebied; een enkele keer over modderige paadjes tussen rijstvelden of ander akkerland of door gemengde bossen met veel bamboe. Hoewel we deze keer de tocht een week eerder lopen dan vorig jaar, lijkt het voorjaar al heel ver: we zien overal narcissen en soms ook irissen in bloei, en natuurlijk overal camelia’s, vaak gesnoeid in bolvorm of als haag, feestelijk versierd met felrode bloemen. Lepeltjesblad en een klein paars doveneteltje vormen samen prachtig gekleurde onkruid-akkerlandjes. Ook hangen er vele soorten citrusvruchten aan de bomen, van klein tot groot, van geel tot oranje.
We doen vandaag rustig aan, nemen uitgebreid de tijd voor elke tempel, gebruiken onze meegebrachte lunch in een van de rest hut’s die regelmatig langs de pelgrimsroute zijn te vinden, komen onverwacht de ene na de andere gebakszaak tegen (konden we ons werkelijk niet meer herinneren van vorig jaar; pas voor de allerlaatste vallen we…), nemen een kopje koffie in een restaurantje bij tempel 6, en komen al tegen 3 uur aan bij ons gastenverblijf bij tempel 7. Desondanks moet Mels halverwege de tocht zijn pasgekochte (en niet-ingelopen) wandelschoenen verwisselen voor de oude schoenen van vorig jaar (waar hij nota bene de helft van het aankoopbedrag van heeft teruggekregen omdat hij er niet tevreden over was…) En hij blijft pijnlijke voeten houden.

Sommige dingen zijn veranderd sinds de vorige keer dat we hier liepen: we zien nu heel af en toe een henro-richtingaanwijzer met aanduidingen in het Engels. Had voor ons niet gehoeven, wij hadden het liever authentiek gehouden… Er zijn ook dingen die helaas niet veranderd zijn: vorig jaar zat bij een huis met een enorme rotzooi ervoor, een stille, statige, zwartwitte hond, vastgebonden aan een korte ketting, midden tussen de bergen rommel, op een halfkapotte bureaustoel. Nu komen we hem weer tegen. Een deel van de rommel is weg, wel wordt nog steeds de hele voorkant van het huis ingenomen door een rijtje oude brommers. De hond zit bovenop het stuur van een van de brommers, de enige plaats waar hij een beetje droog en ‘comfortabel’ kan zitten. We hebben in Japan heel wat honden eenzaam aan een ketting zien liggen, maar dit beeld zal ik niet gauw vergeten…

Het gastenverblijf bij tempel 7 blijkt onverwacht westers: 2 bedden, vloerbedekking waar je met schoenen op mag lopen, key-cards om de kamer binnen te komen en een eigen badkamer. En – na enige pogingen – hebben we ook internet. Terwijl Mels na het eten om half 6 meteen naar bed gaat, werk ik nog een paar uur door. Helaas lukt het versturen van mailtjes niet…

Dag 3: Het ohja-effect

Het ohja-effect begon al in het vliegtuig: oh ja, bloed- en bloedheet is het in het vliegtuig en de luchthaven (en overal elders in Japan…) en oh ja, die enorme massa’s betonnen rivierbeddingen en zeeweringen (ik zie ze al vanuit het vliegtuig…). En later, op het vliegveld en onderweg naar Shikoku: Oh ja, de vending machines met frisdrank én blikjes hete koffie, en oh ja, de wc’s met verwarmde bril, diverse mogelijkheden tot het schoonspuiten van je billen en het namaak-doortrek-geluid om je eigen geluiden te overstemmen. En oh ja, de kleine golfbaantjes met kunststof grasveld, zandkuil en meertje, vanuit de verte al te herkennen aan de 15-20 meter hoge netten eromheen. En oh ja, het knipmessende personeel overal en de in koor ‘arigato gozaimashita’ roepende koks in het sushi-restaurant, en oh ja, dat gedoe met die sloffen (binnensloffen, buitensloffen, wc-sloffen…), en oh ja, dat veel te grote westerse lichaam voor Japanse stoeltjes en wc’s, oh ja, de wirwar aan telefoon- en elektriciteitsdraden boven de straten, oh ja, het linksrijdende verkeer met de vierkantige autootjes en de dashboards vol met snoezige – kawai – beestjes, oh ja, de eerste 2 tonen van de Vogeltjesdans als je als voetganger mag oversteken. Oh ja, die onvermijdelijke televisie overal, in restaurants, eetzalen, lounges…, met een mengeling van quizen, nieuws, af en toe een soapserie of een flinke smartlap, en vooral… heel veel etende mensen: tot in detail zie je het de mond in gaan… En oh ja, die harde binnenveringmatrassen in de westers georiënteerde hotels…

Mensen hadden ons gewaarschuwd, dat de tweede keer dezelfde tocht lopen mogelijk zou tegenvallen. Dat het nooit zo zou worden als die eerste keer. Maar misschien moet je dat ook niet verwachten. Misschien wordt het ‘een feest der herkenning’. Misschien lopen we deze keer met wat meer rust, wetende dat we het toch wel kunnen halen. Misschien… moet je gewoon helemaal niets verwachten…

Maar dat ohja-effect, dat vinden we toch wel leuk ‘thuiskomen’. We lopen allebei met een brede grijns op ons gezicht.

We beginnen de dag met cappuccino en een broodje gezond, weer in een westers georiënteerd restaurantje. Even extra ervan genieten, want dit zullen we voorlopig niet meer tegenkomen… Het is onze eerste loopdag en we hebben die héél erg rustig ingepland: eerst 20 minuten met de trein naar Bando Station (voornamelijk door stedelijk gebied), dan 900 meter lopen naar tempel 1, daar nog wat inkopen doen in de winkeltjes, dan de rituelen uitvoeren in de tempel en tot slot 1,4 kilometer lopen naar tempel 2 waar we zullen overnachten. De regen komt met bakken uit de hemel als we rond 11 uur het hotel verlaten op weg naar ons ontbijt, en het waait bovendien. Maar als we aankomen bij tempel 1 is de regen bijna over. Af en toe prikt de zon door de wolken.

We nemen de tijd om inkopen te doen, eerst bij de winkel rechts om de hoek van de ingang van het tempelcomplex, dan bij de winkel rechts in de hoofdtempel. We kopen elk een nieuw (schoon en gestreken!) wit henro-jasje, nog wat wierook, kaarsjes en een aansteker voor de rituelen, een stapeltje osame-fuda (de ‘aflaatbriefjes’), een Japans routeboekje (want we hebben ontdekt dat daar hoogtelijnen in staan en nog veel meer informatie die ontbreekt in ons in het Engels vertaalde boekje) en… elk 2 nieuwe stempelboekjes. Eigenlijk hoor je steeds dezelfde boekjes te gebruiken. Bij elke tempel worden er op 1 pagina 3 rode stempels geplaatst en een zwarte kalligrafie gemaakt. En als je de tocht weer loopt, komen er bij elke tempel weer 3 stempels op dezelfde pagina. De vorige keer zagen we compleet rode stempelboekjes van de echte die-hards die inmiddels een beetje waren verworden tot het zwerverstype. Maar wij willen de boekjes een beetje netjes houden (tja, elk mens heeft zijn beperkingen…) en daarom beginnen we weer opnieuw met de boekjes. Deze keer letten we er extra op dat de stempels van de eerste tempel ook op de eerste bladzijde komen, want beide boekjes samen hebben exact genoeg pagina’s voor alle 88 tempels van de pelgrimsroute en de vorige keer was het een beetje een zootje geworden. Maar ook nu gaat het mis, want de vrouwelijke monnik plaatst met heel veel bereidwilligheid onze naam in het kanji in het boekje. Op pagina 1 aan de ene kant. Draait het boekje om. En plaatst dan de stempels van tempel 1 op pagina 1 van de andere kant… Nou ja, we zien wel… Loslaten heet dat…

We plaatsen weer onze namen en de vertrekdatum in Het boek der Voltooiing, waar alle loophenro’s (Shikoku-pelgrims) hun naam in mogen zetten. Het is een nieuw boek voor 2011 en er staan al aardig wat namen in, ook van enkele Amerikanen, Australiërs, een Tsjech en een Française. De oudste (Japanse) loophenro is 81, de jongste 13.

En dan begint de tocht… Eerst voeren we de rituelen uit bij tempel 1: buigen bij de hoofdingang, handen wassen bij het wasbekken, de klok luiden om de godheden te laten weten dat jij het bent die is aangekomen (ja, we zijn er weer!!!), bij de hoofdtempel kaarsjes en wierook branden en je osame-fuda met wens achterlaten evenals een muntje, en de hartsoetra reciteren (en dat alles nogmaals bij de zijtempel van Kobo Daishi, degene die als eerste deze pelgrimsroute liep). Meteen daarna schieten we het udon-restaurantje bij de tempel binnen, want het is al lang lunchtijd geweest. Vervolgens lopen we op ons dooie gemak naar tempel 2, waar we deze keer wat meer tijd kunnen doorbrengen in de mooie Japanse tuin met fraai gevormd struweel, grote rotsblokken, een enorme, oude naaldboom en een bloeiende camelia en kers. We voeren weer de rituelen uit, bezoeken het stempelkantoor en melden ons dan bij het gastenverblijf.

We krijgen een zeer fraaie kamer in traditionele stijl, 12 tatami’s groot met tokonoma, aan 2 zijden met veranda grenzend aan de binnentuin. Met schuifpanelen van houten rasterwerk en papier is de buitenwereld af te sluiten. Gelukkig staan er tegenwoordig ook voorzetramen voor… Buitenom, via de veranda, hebben we zelfs een privétoilet. Het is pas half 4 als we aankomen en ik begin maar eens met mijn dagboek. Mels maakt gebruik van de ofuro, het gezamenlijke bad, maar komt zo rood als een kreeft weer terug. Ik sla het hete bad maar eens over…
De maaltijd delen we met een echtpaar, een jonge vrouw en een jongeman, allen Japanners. Met handen en voeten – –en het Japanse woordenboekje –- lukt het af en toe wat te communiceren. Later, in onze kamer, genieten we van de mooi verlichte tuin. Maar al vroeg rollen we de futons en dekbedden uit, want morgenochtend begint de dienst in de tempel al om 6 uur.

Dag 2: Wisseltruc

De zon komt bloedmooi op boven een verlaten heuvellandschap in het oosten van Rusland. Een uur eerder dan gepland komen we al aan in Osaka: de piloot mocht een shortcut nemen. Al om half 11 ‘s ochtends zitten we in de highway-bus (Kansai Airport Limousine Bus) naar Tokushima op Shikoku, waar we tegenover het station zullen overnachten in hotel Sun Route. Het is stralend weer; de voorspelde regen blijft uit tot ‘s avonds. De temperatuur is aangenaam voorjaarsachtig. Na een late lunch (sushi, wat anders?) en een cappuccino in een meer westers georiënteerd restaurant, slapen we de rest van de middag. ‘s Avonds weer sushi, deze keer in een drukbezocht volksrestaurantje. Zittend aan een laag tafeltje, kijk ik naar de man die me zo dierbaar is. Ik geniet. We raken er aan de praat (nou ja, een beetje…) met een groep Japanse hikers. Een van hen is houtvester/natuurbeschermer en nodigt ons uit langs te komen. Bellen als we bij tempel 23 zijn.
We maken nog even gebruik van de wifi in de lounge van het hotel (deze keer hebben we een i-pad én een laptop mee…) en dan begint weer het overpakken van koffer naar rugzak (alle toiletartikelen en voetverzorgingsmiddelen die verboden zijn als vlieg-handbagage) en omgekeerd (alle boeken, reisinformatie en cadeaus die de ruimbagage te zwaar maakten…). Morgenvroeg laten we de koffers opsturen via het perfecte Japanse transportsysteem, de takyubin, deze keer naar de ryokan waar we zullen overnachten na tempel 12.

Dag 1: Voetenzeer

Na een héél korte nacht, sta ik om 6 uur op. Nog even de badkamer doen, want we gaan tenslotte 3 maanden min 2 dagen weg. De afgelopen weken zijn druk geweest. De 1200 kilometer lange pelgrimstocht op het Japanse eiland Shikoku hebben we deze keer grondiger voorbereid dan vorig jaar. We weten nu beter wat we kunnen verwachten en hopen daar ook adequater op in kunnen te spelen. De hele route hebben we (=Mels uiteraard) in een schema gezet en behalve de eerste zes overnachtingen hebben we ook alle overnachtingen tijdens de laatste loopweek laten reserveren door het reisbureau, want die laatste week valt samen met de Golden Week, de vakantieweek in Japan, waarin we vorig jaar geen enkel hotel meer konden boeken. Dat overkomt ons geen tweede keer. De overige boekingen doen we nog steeds liever zelf, want dan houden we wat flexibiliteit in het programma.
Ook met onze voeten zijn we beter voorbereid. Nadat we eerst Franse inlegzooltjes hadden geprobeerd, hebben we in Nederland nóg eens zooltjes laten maken door Joselien, een podologe in Mierlo die ook pelgrims naar Santiago de la Compostella begeleidt. Vlak voor ons vertrek zijn ze nog eens bijgesteld. Ik heb bovendien mijn voeten enkele malen laten masseren door Jacqueline, masseuse in Huizen, die me ook massageolie en drukpuntschema’s voor handen en voeten heeft meegegeven. Want we hebben allebei -– na een jaar –- nog steeds inwendige pijn in onze voeten, vooral als we wat hebben gelopen. We hebben ook elk 2 paar nieuwe wandelschoenen gekocht. En hoewel Mels eigenlijk geen koffer mee wilde nemen en slechts een heel lichte rugzak, heeft hij nu 1 paar wandelschoenen in zijn koffer en 1 paar in zijn rugzak als reserve. Ik doe het met 1 reservepaar in mijn koffer, voor de rest vertrouw ik op het paar dat ik aan heb.
Inmiddels hebben we al weer 400 kilometer voorgewandeld, maar de pijn is er nog steeds, hoogstens op een andere plaats…

De laatste maanden zijn we ook heel erg druk geweest met het voorbereiden van het laatste deel van onze reis: na het lopen van de pelgrimstocht gaan we nog 3 weken rondreizen om interviews te houden met Japanse keramisten en musea, galerieën en andere interessante locaties te bezoeken met hedendaagse Japanse keramiek. Dat vergt veel heel voorbereiding, want behalve tolken, hebben we ook introducties nodig. En Japan blijkt nóg meer gesloten te zijn dan we al hadden gedacht…

Maar dan zijn we toch eindelijk onderweg. De Schiphol-taxi komt om 10 uur ‘s ochtends voor en om half 3, een half uur later dan gepland, vertrekt de KLM-vlucht naar Osaka. Deze keer vliegen we langs Nova Zembla, maar het blijft helaas grotendeels bewolkt. En na de eerste film –- Cairo Time (wat anders?) -– val ik al snel in slaap.